ECLI:NL:RBZWB:2026:4829

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
C/02/445537 / FA RK 26-1071
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • mr. Bogaert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 223 RvArt. 1:377a BWArt. 1:377b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige omgangs- en informatieregeling tussen vader en minderjarige na ondertoezichtstelling

De man verzoekt de rechtbank om een voorlopige omgangsregeling en informatieregeling vast te stellen met betrekking tot zijn minderjarige kind, geboren in 2018. De moeder heeft het eenhoofdig ouderlijk gezag en het kind is sinds september 2025 onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling (GI). De man heeft sinds anderhalf jaar geen contact met het kind gehad en ontvangt nauwelijks relevante informatie.

De rechtbank constateert dat het eerste contact via begeleid videobellen op 8 april 2026 goed is verlopen. De GI heeft een opbouwschema voor het contact opgesteld, dat door de moeder is geaccepteerd. De rechtbank bepaalt dat het contact volgens dit schema zal plaatsvinden, met een geleidelijke uitbreiding van begeleid naar onbegeleid contact, rekening houdend met de draagkracht van het kind.

Daarnaast wordt een informatieregeling vastgesteld waarbij de moeder de man maandelijks via de GI informeert over belangrijke aspecten van het leven en de ontwikkeling van het kind, inclusief schoolprestaties en gezondheid. Een dwangsom wordt niet opgelegd omdat geen structurele weigering tot medewerking is gebleken. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige omgangsregeling en informatieregeling vast met geleidelijke opbouw van contact en maandelijkse informatievoorziening via de gecertificeerde instelling.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/445537 / FA RK 26-1071
datum uitspraak: 1 mei 2026
beschikking over omgang en informatie
in de zaak van
[de man],
hierna: de man,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. P.J.A. Grosfeld,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende op een geheime verblijfplaats,
advocaat: mr. G.A.P. Avontuur,
over de minderjarigen:
-
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2018, hierna te noemen: [minderjarige] .
Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt het
Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),
gevestigd te Rotterdam.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de
Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1
In het dossier bevinden zich de volgende stukken:
- het op 27 februari 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;
- de brieven van mr. Grosfeld van 17 maart 2026, 7 april 2026 en 10 april 2026 met 2 producties;
- het op 7 april 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen;
- de op 17, 23 en 29 april 2026 nagekomen berichten van de GI;
- het F9-formulier van mr. Avontuur van 24 april 2026.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op de zitting van 13 april 2026. Bij die behandeling zijn verschenen partijen, ieder vergezeld van hun advocaat. Ook was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad en (via beeldbellen) twee vertegenwoordigers van de GI.
1.3
De rechtbank heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd maar zij heeft geen gebruik gemaakt van de aan haar geboden gelegenheid om haar mening over het verzoek te geven.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie het nog minderjarige kind is geboren:
-[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2018 te [geboorteplaats] .
2.2
De man heeft [minderjarige] erkend. De vrouw is van rechtswege belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.4
Bij vonnis van 3 februari 2025 heeft de voorzieningenrechter in deze rechtbank de vorderingen van de man om een voorlopige omgangsregeling en een voorlopige informatieregeling vast te stellen, afgewezen. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter aan de Raad verzocht om over de omgang een onderzoek in te stellen en daarover te rapporteren.
2.5
Bij beschikking van 3 september 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank Esmee met ingang van 3 september 2025 tot 3 september 2026 onder toezicht gesteld van de GI.
2.6
Tussen partijen is bij de rechtbank een bodemprocedure aanhangig (bekend onder het zaaknummer: C/02/431133 GA RK 25-373), gericht op het gezag over [minderjarige] en op de omgangsregeling. Deze bodemzaak is pro forma aangehouden (tot 7 april 2026), in afwachting van bericht van partijen over het verloop van de ondertoezichtstelling.

3.Het verzoek

3.1
De man verzoekt bij voorlopige voorziening:
A. Omgang
I te bepalen dat binnen 7 dagen na de datum van de ten deze te wijzen beschikking wordt gestart met begeleid videobellen tussen de man en [minderjarige] , eenmaal per week gedurende 20 minuten;
II te bepalen dat binnen 14 dagen na de datum van de ten deze te wijzen beschikking wordt gestart met begeleid fysiek contact tussen de man en [minderjarige] , tweemaal per week gedurende één uur;
III te bepalen dat binnen 6 weken na te datum van de ten deze te wijzen beschikking wordt uitgebreid naar onbegeleid contact van een dagdeel per week;
IV te bepalen dat de vrouw gehouden is haar volledige medewerking te verlenen aan de uitvoering van voornoemde omgangsregeling, waaronder begrepen het (tijdig) brengen van [minderjarige] naar de (begeleide) contactmomenten en het bevorderen dat deze ongestoord doorgang kunnen vinden;
V te bepalen dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 250,= voor iedere dag dat zij in gebreke blijft haar medewerking te verlenen aan de uitvoering van de omgangsregeling, dan wel deze anderszins belemmert, met een maximum van € 10.000,=;
Althans een zodanige regeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie zal bepalen.
B. Informatieverstrekking ex. art. 1:377b BW
VI te bepalen dat de vrouw binnen 14 dagen na de datum van de ten deze te wijzen beschikking
maandelijksaan de man dient te verstrekken, alle van belang zijnde informatie over de persoon en ontwikkeling van [minderjarige] , waaronder in ieder geval moet worden verstaan:
• de lichamelijke en geestelijke gezondheid van [minderjarige] , waaronder medische behandelingen, diagnoses, medicatiegebruik en contact met zorgverleners;
• de schoolgang en ontwikkeling van [minderjarige] , zoals schoolprestaties, rapportages, verzuim, oudergesprekken en eventuele begeleiding of ondersteuning binnen het onderwijs;
• de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] ;
• belangrijke gebeurtenissen in het dagelijks leven van [minderjarige] ;
• vrijetijdsbesteding en buitenschoolse activiteiten;
• wijzigingen in de woon- of leefsituatie van [minderjarige] ;
• contacten met hulpverleningsinstanties;
• relevante beslissingen of ontwikkelingen die van betekenis zijn voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] ;
althans een zodanige regeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie zal bepalen.
C. Dwangsom
VII aan het onder I en II bepaalde een dwangsom te verbinden van € 250,= per overtreding, met een maximum van € 25.000,=.
Kosten rechtens.
3.2
De vrouw is van mening dat de verzoeken van de man voor afwijzing gereed liggen, behoudens het verzoek om hem te informeren over [minderjarige] , zoals in het verweerschrift is aangegeven.

4.De beoordeling

4.1.
Ingevolge artikel 223, eerste lid, Rechtsvordering kan tijdens een aanhangig geding iedere partij vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Een voorlopige voorziening als hier bedoeld, kan pas worden verzocht indien en nadat de bodemprocedure aanhangig is gemaakt. Bovendien moet het incidentele verzoek samenhangen met de hoofdzaak.
4.2.
De man stelt bij de door hem verzochte voorlopige voorziening een spoedeisend belang te hebben omdat er, ondanks de uitgesproken ondertoezichtstelling, inmiddels gedurende anderhalf jaar geen enkel contact meer heeft plaatsgevonden tussen hem en [minderjarige] . Daarbij blijft hij, aldus de man, structureel verstoken van informatie over [minderjarige] .
De rechtbank stelt hiermee vast dat ten aanzien van het onderhavige verzoek aan de criteria van spoedeisend belang wordt voldaan zodat de man ontvankelijk is in diens provisionele verzoek. Overigens heeft de vrouw het spoedeisend belang ook niet weersproken.
4.3.
De man legt aan zijn omgangsverzoek ten grondslag dat er inmiddels gedurende anderhalf jaar geen contact meer heeft plaatsgevonden tussen hem en [minderjarige] . Dit terwijl in het kader van de begin vorig jaar gehouden kort geding procedure en even later bij de ondertoezichtstelling is overwogen, dat omgang op korte termijn tot stand moest komen. In de beschikking ondertoezichtstelling van 3 september 2025 werd onder meer overwogen dat niet bleek van fysieke onveiligheid door de man jegens de vrouw, dat er intussen kostbare tijd verloren was gegaan en dat het contact op korte termijn weer moest worden opgestart.
In het kader van de ondertoezichtstelling zou op 29 oktober 2025 het eerste omgangscontact tussen de man en [minderjarige] plaatsvinden. Door toedoen van de vrouw is dit toen niet doorgegaan en is er nimmer meer contact tussen de man en [minderjarige] tot stand gebracht.
4.4.
De vrouw geeft aan dat er, ondanks het tijdsverloop, tot op heden nog geen goede analyse van de zaak is gemaakt, waaronder het taxeren van de veiligheidsrisico’s, ook voor [minderjarige] . Naar de mening van de vrouw leidt dit ertoe dat het omgangsverzoek van de man moet worden afgewezen. Volgens de vrouw is er wel door verschillende instanties naar de situatie gekeken maar zijn die analyses niet bij elkaar gebracht. De vrouw acht dit eens temeer van belang, nu onvoldoende inzichtelijk is geworden wat de reclassering van de man vindt ten aanzien van het risico op herhaling. Hier dient meer duidelijkheid over te worden verkregen voordat er sprake kan zijn van onbegeleide omgang. Naar de mening van de vrouw hebben zij alledrie iemand nodig om naast zich gezet te krijgen. Dit alles zo zijnde meent de vrouw dat een voorlopige voorziening zich niet leent voor deze complexe zaak.
4.5.
De GI brengt naar voren dat er intussen een wisseling van gezinsvoogdijinstelling heeft plaatsgevonden en dat het contact tussen haar en de moeder wat lastig tot stand kwam.
Gezien wordt dat [minderjarige] zich in positieve zin ontwikkelt maar ook dat zij naar aanleiding van het zich voorgedane huiselijke geweld nog een en ander te verwerken heeft. Er is daarom voor [minderjarige] een aanvraag gedaan voor speltherapie. Vanwege het huidige verblijf van de moeder in een geheel andere regio en gezien de wachtlijstproblematiek is de speltherapie nog niet gestart.
Op 8 april 2026, zijnde de verjaardag van [minderjarige] , heeft er een eerste belcontact tussen de man en [minderjarige] plaatsgevonden. Dat is goed verlopen. Naar de mening van de GI dient dat contact in het tempo dat [minderjarige] aan kan uitgebreid te worden naar fysieke contacten met de man.
De GI acht het daarbij van belang dat alsnog in contact wordt gekomen met de reclasseringsmedewerker van de man om een beter beeld te krijgen van eventuele risico’s.
4.6.
De Raad stelt vast dat er tussen partijen in het verleden veel is gebeurd maar dat het eerste belcontact tussen de man en [minderjarige] desondanks goed is verlopen. Naar de mening van de Raad dient er voort te worden gegaan op de ingeslagen weg en zal een volgend contact een fysiek (begeleid) contact moeten kunnen zijn. De Raad acht dat passend, ook ingevaler nog even gewacht zal moeten worden op de speltherapie voor [minderjarige] .
4.7.
In artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) staat dat een ouder zonder gezag over het kind of iemand die een nauwe persoonlijke band met een kind heeft, recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van één ouder of op verzoek van de ouders samen een omgangsregeling vaststellen.
4.8.
De rechtbank constateert, met alle betrokkenen, dat er veel tijd voorbij is gegaan naar een opbouw van het contact tussen de man en [minderjarige] . Op zitting is gebleken dat er op de verjaardag van [minderjarige] , zijnde 8 april 2026, pas een eerste belcontact heeft plaatsgevonden tussen de man en [minderjarige] . Volgens de vrouw had [minderjarige] na dit ene contact last van boosheid.
De vrouw acht het daarom wenselijk dat, voordat er tot fysieke contacten tussen de man en [minderjarige] wordt overgegaan, [minderjarige] een speltherapeute zal hebben, zodat er beter afgetast kan worden hoe het zit met haar draagkracht. De man is het daarmee niet eens. Hij hoort de GI aangeven dat het belcontact goed is verlopen en is van mening dat de contacten tussen hem en [minderjarige] moeten kunnen worden uitgebreid, ook al voordat een speltherapeute met [minderjarige] aan de slag is kunnen gaan, temeer omdat het in eerste instantie toch begeleide contacten betreft. De Raad deelt die mening van de man en de rechtbank sluit zich daarbij aan.
4.9.
Op zitting is gebleken dat de GI voornemens is om op zeer korte termijn een schema op te stellen als voorstel voor opbouw van de contacten tussen de man en [minderjarige] , met daarin ook een opgenomen risicotaxatie. Aan de GI is verzocht om dit schema uiterlijk binnen één week na afloop van deze zitting over te leggen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om daarop een reactie te geven binnen een week.
4.10.
Op 23 april 2026 heeft de rechtbank van de GI een schema het voorstel voor opbouw van de contacten tussen de man en [minderjarige] ontvangen. Uit het hierbij behorende begeleidende schrijven van de GI blijkt dat dit bericht van de GI een kennelijke schrijffout bevat omdat daarin op pagina 2 onder het kopje algemene voorwaarden staat opgenomen “Geen fysieke omgang voordat [minderjarige] deze vertrouwensrelatie heeft opgebouwd”. Volgens de GI had die zin verwijderd moeten worden. Op 29 april 2026 heeft de rechtbank van de GI in die zin een gecorrigeerd exemplaar van het voorstel voor een opbouwschema ontvangen.
4.11.
De vrouw heeft via haar advocaat laten weten dat zij instemt met het voorstel van de GI inzake de opbouw van het contact tussen [minderjarige] en de man.
4.12.
De man heeft, ook niet na een telefonische reminder aan diens advocaat op 29 april 2026, geen reactie meer gegeven op het door de GI indiende voorstel voor de opbouw van de contacten tussen hem en [minderjarige] .
4.13.
De rechtbank zal bepalen dat de man en [minderjarige] voorlopig gerechtigd zullen zijn tot het hebben van een opbouwend contact met elkaar op de wijze zoals in het op 29 april 2026 ontvangen schema wordt voorgesteld door de GI. Het hierover door de man gedane verzoek zal dan ook op de na te melden wijze worden toegewezen. De rechtbank kan zich voorstellen dat deze opbouw de man wellicht niet snel genoeg gaat. Gelet echter op de ernstige tegenstellingen en de verstoorde verhoudingen tussen partijen dient een opbouw van het contact tussen de man en [minderjarige] in het belang van [minderjarige] met de nodige zorgvuldigheid te gebeuren. De rechtbank gaat er hierbij nadrukkelijk vanuit dat de GI erop zal toezien dat met het voorgestelde opbouwschema voortvarend aan de slag wordt gegaan.
4.14.
De man heeft ook verzocht om een voorlopige informatieregeling vast te stellen,
In artikel 1:377b BW staat dat de ouder met gezag over een kind informatie moet geven aan de ouder zonder gezag over het kind over hoe het met het kind gaat. Het gaat om informatie over belangrijke zaken over de persoon en het vermogen van het kind. Ook moet de ouder die het gezag over een kind heeft de ouder die geen gezag heeft, raadplegen bij beslissingen die hij of zij over het kind neemt. Dat kan ook met de hulp van een tussenpersoon. De rechtbank kan op verzoek van een ouder over dit onderwerp een regeling vaststellen.
4.15.
De man legt aan zijn verzoek tot de vaststelling van een informatieregeling ten grondslag dat hij van de vrouw nauwelijks informatie over [minderjarige] ontvangt en dat de informatie die hij ontvangt, veelal niet relevant is en zeer oppervlakkig. Volgens de man ontvangt hij ook van de GI geen tot nauwelijks informatie omdat hij geen gezag over [minderjarige] heeft.
4.16.
De vrouw heeft zich op de zitting bereid verklaard om de man op regelmatige basis te informeren over [minderjarige] . Zij stelt voor dat zij eens per maand een bericht stuurt aan de GI, met daarbij een foto van [minderjarige] , waarop haar gezicht goed te zien is. Hierin zal de vrouw verslag doen hoe het in zijn algemeenheid gaat met [minderjarige] , haar gezondheid, op school, eventuele sport en hobby’s en activiteiten die zij leuk vindt. De GI kan dit bericht doorzetten naar de man.
4.17.
Nu de vrouw geen bezwaar heeft om de man (via de GI) eenmaal per maand over [minderjarige] te gaan informeren en de rechtbank die regeling in het belang van de minderjarige vindt, zal zij het hierover door de man gedane verzoek als na te melden, toewijzen.
4.18.
Tot slot heeft de man verzocht om aan de vast te stellen omgangsregeling en aan de vast te stellen informatieregeling een dwangsom te verbinden omdat de vrouw daaraan tot nu toe onvoldoende haar medewerking heeft verleend. Nu de rechtbank echter niet gebleken is van een structurele weigering aan de kant van de vrouw om hieraan haar medewerking te verlenen, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om een dwangsom op te leggen.
De rechtbank neemt hierbij voorts in aanmerking dat er tussen partijen nog een bodemprocedure lopende is. Mocht de vrouw onverhoopt alsnog structureel geen medewerking hieraan gaan verlenen, zal de bodemrechter daaraan de consequenties kunnen verbinden die hij of zij dan geraden acht.
4.19.
De rechtbank zal, gelet op de aard van de verzoeken, de beslissingen over de omgangsregeling en over de informatieregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de man. Dat betekent dat deze beslissingen alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.
4.20.
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
bepaalt dat de man en [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2018 te [geboorteplaats]
voorlopigrecht hebben op omgang met elkaar op de wijze zoals opgenomen in het aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende op 29 april 2026 door de GI ingebrachte plan;
5.2.
bepaalt dat de vrouw de man – al dan niet via de GI –
voorlopigéénmaal per maand schriftelijk informeert over belangrijke gebeurtenissen rondom [minderjarige] , waarbij informatie wordt gegeven over haar schoolprestaties, gezondheid, doktersbezoeken, medische behandelingen, medicijngebruik, hobby’s en activiteiten, waarbij ook kopieën van schoolrapporten en een goed lijkende foto van [minderjarige] worden gegeven;
5.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bogaert, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026 in aanwezigheid van Van Dongen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.