ECLI:NL:RBZWB:2026:4823

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
C/02/445319 / JE RK 26-300
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van Gessel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging contactregeling en zorgverdeling tussen moeder en minderjarige onder begeleiding

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot wijziging van de contactregeling tussen de moeder en haar minderjarige kind, die onder toezicht staat vanwege problematiek rondom het alcoholgebruik van de moeder. De moeder en vader hebben gezamenlijk gezag, waarbij de hoofdverblijfplaats bij de vader is vastgesteld. De GI verzoekt om contact eenmaal per zes weken onder begeleiding, terwijl de moeder een frequentere regeling wenst.

Tijdens de zitting, waarbij de vader niet aanwezig was maar schriftelijk zijn standpunt gaf, is ook de mening van de minderjarige via een briefje meegenomen. De minderjarige wil haar moeder graag zien, maar alleen samen met haar halfzus en altijd onder begeleiding, vanwege angst en spanning.

De kinderrechter weegt de belangen en constateert dat de moeder regelmatig terugvalt in alcoholgebruik, wat onrust veroorzaakt bij de minderjarige. De kinderrechter acht het daarom noodzakelijk dat het contact begeleid blijft, maar vindt de voorgestelde frequentie van eenmaal per zes weken te beperkt. De beschikking van de rechtbank Oost-Brabant over het contact tussen moeder en halfzus wordt betrokken bij de beslissing.

De kinderrechter stelt de contactregeling vast op professioneel begeleid contact om de twee weken onder regie van de GI, met ruimte voor uitbreiding in locatie, duur, frequentie en vorm van begeleiding. De beschikking wordt direct uitvoerbaar verklaard. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De contactregeling tussen moeder en minderjarige wordt gewijzigd naar professioneel begeleid contact om de twee weken onder regie van de gecertificeerde instelling, direct uitvoerbaar verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445319 / JE RK 26-300
Datum uitspraak: 1 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. V.C. Andeweg te Breda,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de
Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 februari 2026;
  • de op 7 april 2026 ingekomen brief van de vader;
  • de op 13 april 2026 ontvangen brief van de GI met bijlage;
  • de op 20 april 2026 ontvangen reactiebrief van mr. Andeweg.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder (telefonisch) met haar advocaat in de zaal;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De vader is, hoewel goed opgeroepen, niet verschenen. Hij heeft schriftelijk zijn mening over het verzoek kenbaar gemaakt.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. Hierop heeft de kinderrechter via de stiefmoeder een briefje van [minderjarige] ontvangen met daarin haar mening over het verzoek. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] (en [de zus] ). Bij beschikking van deze rechtbank van 29 december 2022 is de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] (en [de zus] ) bepaald bij de vader.
2.2.
[minderjarige] (en [de zus] ) zijn onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 15 mei 2025 is die maatregel voor het laatst verlengd tot 16 mei 2026.
2.3.
Op 2 april 2026 is bij deze rechtbank een verzoek van de GI ontvangen om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] (en [de zus] ) voor de duur van één jaar te verlengen. Een zittingsdatum is op het moment van de zitting in de onderhavige zaak nog niet bekend.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 13 februari 2023 (met het zaaknummer C/02/405479 / JE RK 23-115) is de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aldus vastgesteld, dat de moeder en [minderjarige] (en [de zus] ) gerechtigd zijn tot begeleid contact met elkaar één maal per twee weken op donderdagmiddag gedurende twee uur, tijden nader vast te stellen door de GI, op welke momenten er ook contact is met (halfzus) [de halfzus] .
2.5.
Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Oost-Brabant van 9 april 2026 is het verzoek van de GI om de op 22 oktober 2025 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen en te bepalen dat [de halfzus] en de moeder een keer in de zes weken contact hebben onder begeleiding op een neutrale plek en bij goed verloop bij de moeder thuis, bij voorkeur samen met (half)zus [minderjarige] , afgewezen. Dit betekent dat met betrekking tot het contact tussen de moeder en [de halfzus] nog steeds de bij beschikking van 22 oktober 2025 vastgestelde regeling heeft te gelden, te weten:
- [de halfzus] en de moeder hebben iedere twee weken recht op professioneel begeleid
contact met elkaar onder regie van de GI voor wat betreft de locatie, duur en de
vorm van begeleiding van het contact;
- onder regie van de GI kan dit contact worden uitgebreid wat betreft de locatie, de
duur, de frequentie, de vorm van begeleiding van het contact en naar onbegeleid
contact.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een/de regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang als volgt vast te stellen, in de zin dat:
[minderjarige] en de moeder hebben één keer in de zes weken onder begeleiding contact met elkaar, bij voorkeur samen met halfzus [de halfzus] . Aan het begin op een neutrale plaats en bij goed verloop bij de moeder thuis.
3.2.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.3.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek.
3.4.
De vader is het niet eens met het verzoek.

4.De beoordeling en de standpunten

4.1.
De GI legt aan haar verzoek ten grondslag dat er in de afgelopen jaren vanuit Veilig Thuis vele zorgmeldingen zijn geweest met betrekking tot overmatig alcoholgebruik van de moeder en over ruzies van de moeder met andere personen, in het bijzijn van haar kinderen. Het contact tussen de moeder en [minderjarige] moest daarom telkens opnieuw in uren worden opgebouwd en in begeleiding afgeschaald. Inmiddels heeft de moeder vanwege haar alcoholgebruik bij Novadic-Kentron een behandeling doorlopen. Echter heeft zij geregeld een terugval. In de afgelopen jaren is daarin een patroon zichtbaar. Dit maakt dat de GI er onvoldoende vertrouwen in heeft dat de moeder kan garanderen dat de momenten met [minderjarige] (en haar zussen) veilig zullen verlopen. Volgens de GI is de wens van [minderjarige] om haar moeder te blijven zien, maar wel onder begeleiding. [minderjarige] wil weten waar ze aan toe is. Om [minderjarige] deze duidelijkheid te geven en omdat het laatste contact tussen haar en [minderjarige] inmiddels dateert van augustus 2025, acht de GI vaststelling van de door haar verzochte contactregeling in het belang van de minderjarige noodzakelijk. De GI merkt daarbij op dat [hulpverlening 1] bereid is om die regeling langdurig te gaan begeleiden. Ook merkt de GI op dat het de bedoeling is om de bezoeken van [minderjarige] en [de halfzus] , conform de wens van de beide minderjarigen, aan de moeder te blijven combineren. Mogelijk probleem is wel, aldus de GI, dat zij op 13 februari 2026 bij de rechtbank Oost-Brabant voor [de halfzus] eenzelfde verzoek heeft ingediend om de contactregeling te wijzigen, waardoor de kans bestaat dat de beide uitspraken niet met elkaar overeen zullen komen. Ter zitting geeft de GI aan dat haar verwachting is, dat de rechtbank Oost-Brabant op zeer korte termijn uitspraak zal doen.
4.2.
Nu de kinderrechter het, om in deze zaak weloverwogen te kunnen beslissen, van belang achtte om kennis te kunnen nemen van genoemde beslissing van de rechtbank Oost-Brabant, heeft zij ter zitting aan de GI verzocht om haar van die beslissing in kennis te stellen door overlegging van een afschrift daarvan in deze procedure. Aan de GI is verzocht om wel eerst bij de vader van [de halfzus] na te gaan of hij daartegen bezwaar heeft.
Op 13 april 2026 heeft de kinderrechter de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ontvangen. Met de moeder is ter zitting afgesproken dat zij daarop desgewenst nog schriftelijk mag reageren.
4.3.
In haar begeleidende brief bij het afschrift van de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant geeft de GI aan, dat zij het niet eens is met die uitspraak en dat zij ondanks die uitspraak haar verzoek handhaaft om de omgang tussen de moeder en [minderjarige] eenmaal per zes weken onder begeleiding te laten plaatsvinden. De GI overweegt om van de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant in hoger beroep te gaan.
4.4.
De moeder voert allereerst aan dat de GI, evenals bij de rechtbank Oost-Brabant voor wat betreft [de halfzus] , een beduidend minimalere regeling verzoekt. De GI is van de oorspronkelijke regeling nimmer in beroep gekomen en van gewijzigde omstandigheden is geen sprake. Dat zo zijnde concludeert de moeder allereerst tot niet-ontvankelijkheid van de GI in haar verzoek.
De moeder ziet niet in waarom zij [minderjarige] (en [de halfzus] ) niet conform een reguliere regeling bij haar thuis zou kunnen ontvangen. De moeder is in elk geval verheugd dat de eerder tussen haar en [de halfzus] bij beschikking van 22 oktober 2025 opgelegde contactregeling op grond van de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant navolging dient te gaan krijgen en de GI zich daarvoor dient in te spannen.
De moeder wijst er op dat bij de rechtbank Oost-Brabant als bij deze onderhavige zitting van 9 april 2026 de Raad alsook de GI hebben aangegeven, dat zij willen dat beide kinderen gelijktijdig omgang met hun moeder zullen hebben. Zowel de Raad als de GI vinden dat in het belang van de minderjarigen, omdat beide kinderen aangaven dat dat hun wens is en zij hun veiligheid bij elkaar zouden zoeken. De moeder kan het dan ook niet begrijpen dat de GI thans het minimaliseren van het contact tussen haar en [minderjarige] belangrijker vindt dan het door beide meisjes gewenste gezamenlijke contact, rekening houdende met de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die op 22 oktober 2025 is afgegeven (elke twee weken begeleid contact).
Hoewel de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 22 oktober 2025 uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard en er door de GI geen hoger beroep werd ingesteld is er door de GI geen uitvoering gegeven aan de contactregeling tussen de moeder en [de halfzus] .
Concluderend wenst en verzoekt de moeder dat voor [minderjarige] een gelijkluidende contactregeling komt te gelden als voor [de halfzus] . Daarbij wenst de moeder dat er een minimale duur aan de omgang met haar kinderen wordt opgenomen, omdat zij niet meer het vertrouwen heeft dat de GI daadwerkelijk uitvoering zal geven aan een opgelegde contactregeling, en op het moment dat zij omgang heeft met beide kinderen tegelijkertijd, zij die tijd dient te verdelen over beide kinderen. Een omgang van effectief minimaal twee uur per kind om te starten en om deze vervolgens uit te breiden naar een dag per twee weken in een aantal maanden, acht de moeder redelijk. Bij gezamenlijke omgang wenst de moeder een omgang van vier uur, zodat elke dochter daadwerkelijk de aandacht zal krijgen waar zij behoefte aan heeft.
Daarnaast wenst de moeder dat óók de onderhavige uitspraak uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard zodat, ongeacht of de GI in hoger beroep zal gaan van de in deze zaak te geven uitspraak, een begin wordt gemaakt met de omgang tussen haar en [minderjarige] .
4.5.
De vader laat schriftelijk weten dat het met [minderjarige] aantoonbaar beter gaat sinds zij geen contact meer heeft met de moeder. Naar de mening van de vader hebben de ervaringen van [minderjarige] met de moeder die zich niet aan de afspraken hield, geregeld onder invloed van alcohol verkeert en voor het kind belastende en ongeschikte informatie met haar deelde een grote en negatieve impact gehad op haar welzijn en gevoel van veiligheid.
Volgens de vader geeft [minderjarige] zelf ook wisselende en zorgwekkende signalen af. Zo geeft zij soms aan haar moeder onder begeleiding te willen zien, maar zegt zij op andere momenten dat “ [naam moeder] haar moeder niet is”. Ook laat [minderjarige] soms angst voor haar moeder zien. Naar de mening van de vader zorgen het steeds opnieuw opstarten van de omgang, gevolgd door het weer afschalen of stoppen na incidenten, evenals het niet nakomen van afspraken door de moeder, voor veel onrust bij [minderjarige] en een structureel gevoel van onveiligheid en teleurstelling. In de huidige gezinssituatie van de vader ontwikkelt [minderjarige] zich zowel in de thuissituatie als op school momenteel in positieve zin. Volgens de vader is deze positieve ontwikkeling mede te danken aan de EMDR-therapie die [minderjarige] onlangs heeft gevolgd en welke gericht was op het verwerken van trauma’s die zijn ontstaan in de thuissituatie bij de moeder. Hiernaast wordt, in samenspraak met de GI, een traject bij [hulpverlening 2] opgestart, waar [minderjarige] extra ondersteuning kan krijgen.
Concluderend acht de vader omgang tussen de moeder en [minderjarige] op dit moment niet in het belang is van [minderjarige] . Met de door de GI verzochte regeling is de vader het niet eens.
4.6.
De minderjarige [minderjarige] heeft aan de kinderrechter geschreven dat zij haar moeder graag wil zien, maar dat zij dat ook erg spannend vindt en dat zij wat angst daarvoor heeft.
[minderjarige] wil alleen samen met haar zus [de halfzus] omgang met haar moeder en altijd onder begeleiding. Ze wil niet dat [persoon] er bij aanwezig is. Als haar moeder nog drinkt of de afspraken weer afzegt, dan wil [minderjarige] haar moeder niet zien.
4.7.
De Raad stelt vast dat er echtscheidingsproblematiek speelt, en persoonlijke problematiek aan de zijde van de moeder. Ter zitting hoort de Raad dat de beide kinderen zouden aangeven dat zij tegelijkertijd omgang willen hebben met hun moeder. De Raad acht die mening van [minderjarige] en [de halfzus] zwaarwegend. Daarbij acht de Raad rust en duidelijkheid belangrijk. Indien een frequentie van de omgang van om de zes weken daarvoor zal zorgen is dat zo. De Raad acht het in elk geval van belang dat de moeder zich aan de afspraken zal weten te houden.
4.8.
Op grond van het eerste lid van artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
4.9.
Ingevolge het tweede lid van artikel 1:265g BW kan de kinderrechter op het verzoek van een met het gezag belaste ouder, een omgangsgerechtigde, de minderjarige van twaalf jaar of ouder en de gecertificeerde instelling de in het eerste lid genoemde beslissing wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
4.10.
De moeder stelt dat van gewijzigde omstandigheden geen sprake is. Anders dan de moeder is de kinderrechter van oordeel dat wel sprake is van relevante gewijzigde omstandigheden en de GI daarom ontvankelijk in haar verzoek. Zo blijkt uit de door de GI als producties bij het verzoek overgelegde “tijdlijnen”, dat vanaf het nemen van de beschikking van 13 februari 2023 er vele zorgmeldingen zijn geweest met betrekking tot overmatig alcoholgebruik van de moeder en over ruzies van haar met andere personen in het bijzijn van haar kinderen en dat haar kinderen, waaronder [minderjarige] , daar veel last hebben.
4.11.
De GI verzoekt de bij beschikking 13 februari 2023 vastgestelde contactregeling tussen de moeder en [minderjarige] van één maal per twee weken op donderdagmiddag gedurende twee uur begeleid, tijden nader vast te stellen door de GI, op welke momenten er ook contact is met (halfzus) [de halfzus] , te wijzigen.
De GI acht thans een regeling waarbij [minderjarige] en de moeder één keer in de zes weken onder begeleiding contact hebben met elkaar, bij voorkeur samen met halfzus [de halfzus] , aan het begin op een neutrale plaats en bij goed verloop bij de moeder thuis, in het belang van [minderjarige] noodzakelijk, omdat de moeder in haar alcoholgebruik te vaak een terugval kent.
4.12.
Ter zitting is duidelijk geworden dat zowel de GI als de Raad het het meest in het belang van [minderjarige] achten, wanneer zij tegelijkertijd met haar halfzus [de halfzus] omgang met haar moeder zal hebben. De moeder kan daar ook achter staan. In haar briefje heeft [minderjarige] de kinderrechter laten weten dat zij (alleen) samen met [de halfzus] omgang met haar moeder wil. De kinderrechter weegt dit daarom zwaar mee bij de door hem hierna te nemen beslissing.
4.13.
Gebleken is dat de rechtbank Oost-Brabant bij beschikking van 9 april 2026 een beslissing heeft genomen die tot gevolg heeft dat de moeder en [de halfzus] nog steeds gerechtigd zijn tot contact met elkaar iedere twee weken onder professionele begeleiding en onder regie van de GI voor wat betreft de locatie, duur en de vorm van begeleiding van het contact. Onder regie van de GI kan dit contact wat betreft de locatie, de duur, de frequentie, de vorm van begeleiding van het contact en naar onbegeleid contact, worden uitgebreid.
De kinderrechter zal hier met zijn beslissing bij aansluiten.
4.14.
De kinderrechter neemt hierbij in aanmerking dat zij een algehele stopzetting van het contact tussen de moeder en [minderjarige] zoals de vader voorstaat, maar ook een beperking van de frequentie van de omgang tussen de moeder en [minderjarige] naar eenmaal per zes weken zoals de GI voorstaat te verstrekkend vindt, maar dat zij het gelet op het geregeld terugvallen van de moeder in alcoholgebruik en de onrust die dat voor [minderjarige] veroorzaakt, wel in het belang van de minderjarige acht dat de omgang vooralsnog begeleid blijft.
4.15.
De moeder heeft verzocht om, indien een gelijkluidende contactregeling wordt vastgesteld als voor [de halfzus] , daarin een minimale duur van de omgang op te nemen.
De kinderrechter gaat aan dat verzoek voorbij, omdat op basis van de huidige informatie voor de kinderrechter niet vast te stellen is wat daarin praktisch haalbaar en verantwoord gaat zijn. Immers is de GI bij de uitvoering van de regeling afhankelijk van derden. Zo zal, naar de kinderrechter begrijpt, zorgaanbieder [hulpverlening 1] de omgang tussen de moeder en [minderjarige] (en [de halfzus] ) gaan begeleiden. Om die reden zal ook worden bepaald dat de regeling niet meer per definitie op de donderdagen hoeft plaats te vinden.
Gelet op het voorgaande acht de kinderrechter na te melden regeling het meest in het belang van de minderjarige [minderjarige] .
4.16.
In de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 april 2026 heeft de kinderrechter overwogen dat [de halfzus] gebaat is bij een duidelijk en voorspelbaar contact en dat het aan de moeder is om zich daarvoor in te zetten. Dit betekent dat de moeder in het belang van [de halfzus] verstandige keuzes moet maken, bijvoorbeeld ten aanzien van haar alcoholgebruik. Hiervoor zal de GI bij [de halfzus] moeten blijven nagaan wat haar behoeften zijn in het contact met haar moeder.
De kinderrechter kan zich voor wat betreft [minderjarige] zeer bij deze overweging van de kinderrechter in de rechtbank Oost-Brabant aansluiten. Alleen als de moeder haar verantwoordelijkheid neemt, kan uiteindelijk onder regie van de GI toegewerkt worden naar een “normale” contactregeling tussen de moeder en [minderjarige] .
4.17.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
stelt (onder wijziging van de beschikking van 13 februari 2023 met het zaaknummer C/02/405479 / JE RK 23-115) de verdeling van de zorg- en opvoedtaken aldus vast, dat de moeder en [minderjarige] gerechtigd zijn tot (professioneel) begeleid contact met elkaar iedere twee weken onder regie van de GI voor wat betreft de locatie, duur en de vorm van begeleiding van het contact. Onder regie van de GI kan dit contact worden uitgebreid wat betreft de locatie, de duur, de frequentie, de vorm van begeleiding van het contact en naar onbegeleid contact;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Gessel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.