ECLI:NL:RBZWB:2026:4814

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
C/02/437004 / FA RK 25-3280
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van de Merbel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253g BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vader belast met eenhoofdig ouderlijk gezag over minderjarige na overlijden moeder

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 1 mei 2026 uitspraak gedaan in een rekestprocedure betreffende de voorziening in het ouderlijk gezag over een minderjarige geboren in 2012. Na het overlijden van de moeder, die het eenhoofdig gezag had, was de gecertificeerde instelling belast met voorlopige voogdij. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om de vader met het gezag te belasten.

De rechtbank heeft het verzoek op basis van artikel 1:253g BW beoordeeld. Uit het rapport van de Raad en de mondelinge behandeling bleek dat de vader consistent betrokken is geweest bij de verzorging en opvoeding van de minderjarige, beschikt over een stabiele woonsituatie en financiële draagkracht, en openstaat voor samenwerking met hulpverlening. De minderjarige zelf gaf aan dat zij wenst dat haar vader het gezag krijgt, met betrokkenheid van haar (half)zus.

De gecertificeerde instelling steunde het verzoek en had vertrouwen in de vader als gezagsdrager. De rechtbank oordeelde dat het belang van de minderjarige zich niet verzet tegen het verzoek en dat het passend is de vader met het eenhoofdig gezag te belasten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De vader wordt belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarige.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/437004 / FA RK 25-3280
datum uitspraak: 1 mei 2026
beschikking betreffende voorziening in gezag
in de zaak van
De Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant,
locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Als belanghebbenden in onderhavige zaak worden aangemerkt:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
Stichting Jeugdbescherming west Zeeland,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 20 juni 2025 ontvangen verzoekschrift van de Raad met bijlagen;
- het op 4 juli 2025 ontvangen gewijzigde verzoekschrift van de Raad met bijlagen;
- het op 4 juli 2025 ontvangen rapport van de Raad.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 22 april 2026. Bij die gelegenheid is verschenen de vader. Tevens waren aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad en een vertegenwoordigster van de GI.
1.3
De minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. [minderjarige] heeft een gesprek gehad met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechter kort samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1
Op 26 oktober 2012 is [minderjarige] uit de moeder geboren.
2.2
De vader heeft [minderjarige] erkend.
2.3
Op 27 maart 2025 is de moeder overleden. De moeder was belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .
2.4
Bij beschikking van 2 april 2025 is de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] , welke maatregel van rechtswege eindigt na drie maanden, te weten op 2 juli 2025, tenzij voor het einde van die termijn aan de kinderrechter een voorziening in het gezag over [minderjarige] is verzocht. De voorlopige voogdij loopt dan door totdat op dit verzoek is beslist.

3.Het verzoek

3.1
De Raad verzoekt – na wijziging – om de vader te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] op grond van artikel 1:253g van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
3.2
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

4.1
Op grond van artikel 1:253g, eerste lid, BW bepaalt de rechter dat de overlevende ouder of een derde met het gezag over het kind wordt belast, indien van de ouders diegene overlijdt die het gezag over hun minderjarige kind alleen uitoefent. Het tweede lid van voornoemd artikel bepaalt dat de rechter dit doet op verzoek van de Raad, de overlevende ouder of ambtshalve. Volgens het derde lid wordt het verzoek om de overlevende ouder met het gezag te belasten slechts afgewezen, indien de rechter oordeelt dat het belang van de minderjarige zich tegen inwilliging verzet.
4.2
In voormeld rapport van 3 juli 2025 en tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad het volgende aangegeven. De vader heeft [minderjarige] erkend en is sinds de geboorte van [minderjarige] betrokken bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De vader heeft zijn betrokkenheid consistent laten zien en heeft sinds de zomer van 2024 zelfs gedurende een bepaalde periode de volledige zorg voor [minderjarige] gedragen, totdat zij doordeweeks bij haar (half)zus [persoon] is gaan verblijven. Sinds 5 juni 2025 woont [minderjarige] volledig bij de vader. Er is sprake van een positieve band tussen de vader en [minderjarige] . Daarnaast beschikt hij over een stabiele woonsituatie, financiële draagkracht en staat hij open voor samenwerking met de hulpverlening. De Raad ziet, gelet op het voorgaande, geen belemmeringen om de vader met het gezag over [minderjarige] te belasten en acht dit ook het meest passend. Gelet hierop verzoekt de Raad om de vader te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .
4.3
De GI, die momenteel belast is met de voorlopige voogdij over [minderjarige] , staat achter het verzoek van de Raad. De GI heeft er vertrouwen in dat de vader het gezag naar behoren zal gaan uitoefenen.
4.4
De vader heeft, samengevat, aangegeven dat hij graag belast wil worden met het gezag over [minderjarige] .
4.5
In het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] aangegeven dat zij graag wil dat haar vader belast wordt met het gezag over haar, zodat hij (belangrijke) beslissingen over haar kan nemen. Zij vindt het daarbij fijn dat haar (half)zus [persoon] met haar vader meedenkt en betrokken blijft bij de zorg en begeleiding.
4.6
De rechtbank overweegt, gezien de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, als volgt. Sinds het plotseling overlijden van de moeder, die was belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] , is de GI middels de beschikking van 2 april 2025 belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] . De Raad heeft naar aanleiding hiervan onderzoek gedaan. Niet gebleken is dat het belang van [minderjarige] zich ertegen verzet om de vader te belasten met het ouderlijk gezag. Daarbij geldt dat de vader als juridisch ouder zonder gezag een voorkeurspositie heeft om voortaan het gezag over de minderjarige uit te oefenen. De rechtbank acht het juist in het belang van [minderjarige] om de vader, die altijd consistent betrokken is geweest in het leven van [minderjarige] , met het gezag over [minderjarige] te belasten. De uitoefening van het gezag over [minderjarige] door de vader doet het meest recht aan de huidige situatie. Van belang is dat de vader belangrijke (gezags)zaken kan regelen en dat hij (gezags)beslissingen over haar kan nemen. De rechtbank zal het verzoek daarom toewijzen en de vader belasten met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
4.7
De rechtbank verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden uitgevoerd, ook als hiertegen hoger beroep wordt ingesteld.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
bepaalt dat de vader, de heer [de vader] , wordt belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2012 te [geboorteplaats] ;
5.2
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Merbel, rechter tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026 in tegenwoordigheid van mr. Verplanke, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.