ECLI:NL:RBZWB:2026:4809

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
C/02/445229 FA RK 26/894
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BWArt. 1:255 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling vakantie- en zorgregeling voor minderjarige in het belang van het kind

Partijen, ouders van een minderjarige geboren in 2020, hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag. De rechtbank behandelt een geschil over de verdeling van vakanties, feestdagen en bijzondere dagen in 2026.

De man verzoekt een strikte regeling met overdracht door derden en dwangsommen bij niet-naleving, vanwege spanningen en beschuldigingen tussen partijen. De vrouw betwist dit en benadrukt dat de regeling sinds 2024 goed verliep, met uitzondering van de kerstperiode 2025. Zij pleit voor gezamenlijke overdracht en samenwerking met hulpverlening.

De rechtbank constateert onduidelijkheden in de bestaande regeling en stelt een concrete verdeling vast die het belang van het kind dient. Zij benadrukt dat ouders hun verantwoordelijkheid moeten nemen en dat hulpverlening noodzakelijk is om de communicatie en overdracht te verbeteren.

Een ondertoezichtstelling wordt afgewezen vanwege het vrijwillige kader waarin partijen reeds hulp ontvangen. De rechtbank compenseert de proceskosten en wijst overige verzoeken af.

Uitkomst: Rechtbank stelt de vakantie- en zorgregeling voor 2026 vast met nadruk op het belang van het kind en wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling en dwangsommen af.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/445229 FA RK 26/894
datum uitspraak: 8 mei 2026
beschikking betreffende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. A.J.M. van der Borst,
en
[vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. C.F.A. Cadot.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 16 februari 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen, waaronder:
- de beschikking van deze rechtbank van 18 december 2024;
- het op 17 april 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 23 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad.

2.De feiten

2.1
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad.
- uit hun relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020.
- Genoemd kind is door de man erkend.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 18 december 2024 is bepaald dat partijen voortaan gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen over voornoemde minderjarige.
- De minderjarige verblijft bij de vrouw.
2.2
Ingevolge voormelde beschikking is de man nu in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd tot het hebben van contact met de minderjarige
één weekend per twee weken, in de oneven weken, van vrijdag uit school tot zondagmiddag 16.00 uur en éénmaal per twee weken, in de even weken, op vrijdag uit school tot 18.00 uur.
2.3
Er is bij dezelfde beschikking ook een vakantie- en feestdagenregeling vastgesteld.

3.Het verzoek

3.1
De man verzoekt, samengevat:
I. Vast te stellen de navolgende verdeling (naar de rechtbank begrijpt van de vakanties- en feestdagen) in 2026:
- Voorjaarsvakantie: 13 tot en met 18 februari (tot 18.00 uur) bij vader;
- Goede Vrijdag (3 april): 10.00 uur tot 18.00 uur bij vader;
- Eerste Paasdag (5 april): overdracht 10.00 uur naar vader;
- Tweede Paasdag (6 april): overdracht 10.00 uur naar moeder;
- Meivakantie: 17 tot en met 24 april (tot 18.00 uur) bij vader;
- Koningsdag (27 april): 10.00 uur tot 18.00 uur bij vader;
- Eerste Pinksterdag (24 mei): bij vader;
- Tweede Pinksterdag (25 mei): overdracht 10.00 uur naar moeder;
- Vaderdag (21 juni): bij vader tot 18.00 uur;
- Studiedag [minderjarige] (19 juni): 14.00 uur overdracht bij vader;
- Zomervakantie:
Week 1: 24 juli 10.00 uur tot en met 31 juli 18.00 uur bij vader;
Week 2: 7 augustus 10.00 uur tot en met 14 augustus 18.00 uur bij vader;
- Herfstvakantie: 9 oktober (na school) tot en met 14 oktober (18.00 uur) bij vader;
- Kerstvakantie 2026:
18 december tot en met 26 december: bij vader (inclusief Eerste Kerstdag);
Tweede Kerstdag (26 december): overdracht om 10.00 uur naar moeder;
Oudjaarsdag (31 december): 10.00 uur bij vader:
Nieuwjaarsdag (1 januari 2027): 10.00 uur terug naar moeder;
Verjaardagen (vanaf school tot 18.00 uur bij vader):
Opa: [datum 1]
Vader: [datum 2]
Oma: [datum 3]
Verjaardag [minderjarige] ( [datum 4] ): bij vader.
II. te bepalen dat ter uitvoering van de zorgregeling [minderjarige] niet meer door de moeder bij vader wordt gebracht of opgehaald doch moeder dat door een derde laat doen.
III. te bepalen dat de moeder een dwangsom verschuldigd zal zijn van € 200,= voor elke dag of dagdeel daarvan dat zij zich niet houdt aan hetgeen onder I. en II. is verzocht.
3.2
De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij verzoekt, bij wege van zelfstandig verzoek:
- De verdeling van de schoolvakanties, feestdagen en overige bijzondere dagen betreffende het jaar 2026 vast te stellen op een wijze als opgenomen onder sub 22 van het zelfstandig verzoek.

4.De beoordeling

4.1
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
4.2
Op het onderhavige geschil zijn de artikelen 1:253a juncto 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing. Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake een zorgregeling wijzigen indien de omstandigheden nadien zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
4.3
De man stelt dat de vrouw zich niet houdt aan voormelde beschikking en zij daarvan naar believen afwijkt zonder overleg met de man. Afgelopen kerstperiode greep moeder terug op de ‘oude’ zorgregeling en ook de afspraken over bijzondere dagen wijst de moeder resoluut af. Moeders wil is wet en de man loopt al lang op eieren. Het is van belang de zorgregeling minutieus vast te stellen. De vrouw staat hier echter niet voor open. Het is verder in het belang van [minderjarige] dat de overdrachtsmomenten plaatsvinden door derden, omdat de vrouw de man voortdurend beschuldigt van agressief gedrag ook in het bijzijn van [minderjarige] . Bij een overdrachtsmoment houdt de vrouw [minderjarige] stevig vast tot aan de voordeur van de man en belast [minderjarige] met een angstbeeld ten opzichte van de man. De vrouw stelt zich bij de man op met een claimend en bezitterig gedrag tegenover [minderjarige] , zodat [minderjarige] daardoor erg onzeker wordt en vragen aan de man stelt of hij de vrouw niets aan zal doen. Een onbelaste overdracht wordt door de vrouw gefrustreerd. Dit illustreert het incident op 26 december 2025. Aangezien de vrouw [minderjarige] voortdurend belast met een angstbeeld jegens zijn vader en de vrouw kennelijk niet in staat is in het belang van het kind te handelen is een beschermingsonderzoek door de Raad noodzakelijk. Ter zitting heeft de man zijn standpunt nog verder kracht bijgezet middels vier pagina’s tellende spreek aantekeningen.
4.4
De vrouw heeft verweer gevoerd en de inhoud van de spreek aantekeningen betwist. Zij stelt, met onderliggende onderbouwing, dat de bij beschikking van 18 december 2024 vastgestelde zorgregeling vanaf december 2024 tot en met december 2025 goed is verlopen. De overdracht van [minderjarige] , voor zover die niet op school plaatsvond, werd uitgevoerd door partijen zelf en indien de man niet in de gelegenheid was, zijn ouders. De overdracht verliep voor [minderjarige] onbelast. Omtrent invulling van de kerstvakantie 2025 ontstaat verschil van inzicht tussen partijen. Deze vakantie is niet gelijkwaardig verdeeld. De vrouw heeft een andere lezing over het incident op tweede kerstdag 2025 en betwist hetgeen de man heeft gesteld. Nadien wordt de overdracht wel door derden verzorgd. De vrouw vindt het in het belang van [minderjarige] dat de overdracht door partijen samen plaatsvindt, nu dit voor [minderjarige] het meest prettig is gebleken. De vrouw ziet namelijk spanning bij [minderjarige] als de overdracht door derden wordt verzorgd. Normalisatie in het belang van [minderjarige] dient plaats te vinden. De vrouw heeft bericht van Veilig Thuis (VT) ontvangen nadat de man daar melding heeft gedaan. De vrouw is gevraagd of zij bereid is deel te nemen aan hulpverlening gericht op communicatie met als doelstelling overdrachten in de toekomst goed te laten verlopen. Ook zal bekeken worden wat Jordan nodig heeft om zich veilig te voelen na het incident op Tweede Kerstdag. De vrouw is, in het belang van Jordan, op zoek naar samenwerking met de man. De vrouw is verder van mening dat partijen er bij geholpen zijn indien de rechtbank de zorgverdeling voor 2026 concreet vastlegt. Dit creëert duidelijkheid en partijen kunnen zich dan richten op de hulpverlening. Tot slot ziet de vrouw geen grond voor het vorderen van dwangsommen, de zorgregeling komt zij na.
4.5
Ter zitting is duidelijk geworden dat de beschikking van deze rechtbank van 18 december 2024 op punten voor onduidelijkheden zorgt tussen partijen. De reguliere zorgregeling is duidelijk, maar de vakantie- en feestdagenregeling en de bijzondere dagen zorgen voor verschillende interpretaties. Partijen zijn gebaat bij een duidelijk vastgestelde regeling voor het jaar 2026. Tijdens de zitting is uitvoerig getracht tussen partijen overeenstemming te bereiken. Op punten is dit gelukt, hetgeen de rechtbank als hierna te melden zal opnemen in het dictum. Voor wat betreft de geschilpunten van partijen aangaande de verdeling van de vakantie- en feestdagen en bijzondere dagen zal de rechtbank als volgt beslissen, nu zij die verdeling in het belang van Jordan acht:
Herfstvakantie:
[minderjarige] verblijft van 9 oktober na school tot en met 14 oktober tot 18.00 uur bij de man.
Zomervakantie:
  • Van vrijdag 10 juli uit school tot maandag 13 juli 10.00 uur bij de vrouw;
  • Van maandag 13 juli 10.00 uur tot maandag 20 juli 18.00 uur bij de man;
  • Van maandag 20 juli 18.00 uur tot maandag 3 augustus 18.00 uur bij de vrouw;
  • Van maandag 3 augustus 18.00 uur tot maandag 17 augustus 18.00 uur bij de man (dit is inclusief de verjaardag van [minderjarige] );
  • Van maandag 17 augustus 18.00 uur tot maandag 24 augustus naar school (dit betreft inclusief het reguliere weekend bij de vrouw van 21 augustus uit school tot 23 augustus) bij de vrouw;
  • Nadien wordt de reguliere zorgregeling hervat, zodat [minderjarige] vanaf vrijdag 28 augustus zijn reguliere weekend bij de man verblijft.
De aanwezigheid van [minderjarige] op verjaardagen van grootouders zullen partijen met hulpverlening verder dienen te bespreken.
4.6
Partijen hebben reeds gesprekken gevoerd met de jeugdzorgwerker van de gemeente Rucphen. Gelet op de dynamiek tussen partijen en het feit dat partijen gezamenlijk geen consensus kunnen bereiken of [minderjarige] een uur meer of minder bij een ouder verblijft, acht de rechtbank hulpverlening aangewezen. De rechtbank is, met de Raad, van oordeel dat partijen over het hoofd van [minderjarige] aan hem trekken. De rechtbank benadrukt hier, zoals ter zitting aan partijen ook is voorgehouden, dat beide ouders daar hun aandeel in hebben. Dit is absoluut niet in het belang van [minderjarige] . Beide ouders zijn er verantwoordelijk voor dat [minderjarige] een onbelast contact met de andere ouder kan hebben. Ouders dienen deze verantwoordelijkheid te pakken, te beginnen bij zichzelf en stoppen met vinger wijzen naar de andere ouder. Daarbij dienen zij het belang van [minderjarige] voor ogen te houden en dat hij tijd bij beide ouders kan doorbrengen, zonder elk uurtje op een weegschaal te leggen.
4.7
Gelet op de omstandigheid dat partijen in gesprek zijn met de jeugdzorgwerker van de gemeente Rucphen, legt de rechtbank geen verplichting op dat [minderjarige] door een derde wordt gebracht of gehaald bij vader. Het is verstandig om de eerstkomende periode [minderjarige] wel door een derde bij vader te laten brengen en/of halen, nu [minderjarige] zo min mogelijk van de huidige spanningen dient mee te krijgen. Ook hier is het zaak dat ouders met hulpverlening zich richten op de ouderschapscommunicatie en in de toekomst de overdrachtsmomenten weer zelf kunnen verzorgen. Tijdens de zitting is ook besproken op welke wijze de overdrachtsmomenten soepeler zouden kunnen verlopen, door bijvoorbeeld thuis uitgebreid afscheid te nemen en het overdrachtsmoment zelf kort te houden, bijvoorbeeld door enkel te zwaaien.
4.8
De rechtbank ziet geen aanleiding tot het opleggen van een dwangsom, nu de rechtbank ervanuit gaat dat met deze strakke verdeling van de vakanties, feest- en bijzondere dagen partijen zich hieraan kunnen houden.
4.9
Voor zover namens de man is verzocht de minderjarige onder toezicht te stellen op grond van artikel 1:255, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek (BW), wijst de rechtbank dit af. Net als de Raad ter zitting, ziet de rechtbank geen gronden voor een onder toezichtstelling. Er zijn nog voldoende mogelijkheden in het vrijwillig kader. Beide partijen hebben ter zitting toegelicht dat zij reeds in gesprek zijn met de jeugdzorgwerker van de gemeente Rucphen. Partijen accepteren derhalve hulpverlening in het vrijwillig kader. Door en namens de vrouw is bovendien aangegeven dat zij hoopt dat met een traject gericht op het verbeteren van de ouderschapscommunicatie het lukt om tot oplossingen te komen, zoals dat ter zitting met hulp van de rechter op onderdelen ook is gelukt. De rechtbank is, net als de Raad, van oordeel dat partijen hulpverlening voor zichzelf in dienen te schakelen. [minderjarige] is nog jong en er zal nog dertien jaar overleg over hem gevoerd moeten worden. Partijen moeten leren omgaan met de andere ouder en over en weer leren accepteren. Deze vormen van hulpverlening zijn voorliggend. De rechtbank neemt daarbij tevens in ogenschouw dat een ondertoezichtstelling een ingrijpende maatregel is, die zeker niet gericht is op waarheidsvinding zoals namens de man ter zitting is betoogd, waar terughoudend mee dient te worden omgegaan. De rechtbank herhaalt ook hier dat partijen aan zet zijn om hun ouderlijke verantwoordelijkheid te nemen en het belang van [minderjarige] voorop te zetten.
4.1
Gelet op de relatie van partijen zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.11
Dit leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 18 december 2024
enkelten aanzien van de verdeling van de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen
over het jaar 2026als volgt:
5.1
bepaalt dat partijen en [minderjarige] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020 in 2026 gerechtigd zijn tot contact met elkaar in de vakanties, feestdagen en op bijzondere dagen in 2026:
Meivakantie:
  • 20 april vanaf 10.00 uur tot 27 april 18.00 uur bij de man,
  • 27 april vanaf 18.00 uur tot 3 mei bij de vrouw;
Koningsdag (27 april):
- 10.00 uur tot 18.00 uur bij de man;
Eerste Pinksterdag (24 mei):bij de man;
Tweede Pinksterdag (25 mei):overdracht om 10.00 uur naar de vrouw;
Vaderdag (21 juni):
- bij de man tot 17.00 uur.
Studiedag [minderjarige] (19 juni):
- 14.00 uur overdracht naar de man;
Zomervakantie:
  • Van vrijdag 10 juli uit school tot maandag 13 juli 10.00 uur bij de vrouw;
  • Van maandag 13 juli 10.00 uur tot maandag 20 juli 18.00 uur bij de man;
  • Van maandag 20 juli 18.00 uur tot maandag 3 augustus 18.00 uur bij de vrouw;
  • Van maandag 3 augustus 18.00 uur tot maandag 17 augustus 18.00 uur bij de man (dit is inclusief de verjaardag van [minderjarige] );
  • Van maandag 17 augustus 18.00 uur tot maandag 24 augustus naar school (dit betreft inclusief het reguliere weekend bij de vrouw van 21 augustus uit school tot 23 augustus) bij de vrouw;
  • Nadien wordt de reguliere zorgregeling hervat, zodat [minderjarige] vanaf vrijdag 28 augustus zijn reguliere weekend bij de man verblijft;
Herfstvakantie:
- 9 oktober (na school) tot en met 14 oktober (18.00 uur) bij de man;
Kerstvakantie 2026:
  • 18 december tot en met 26 december: bij de man (inclusief Eerste Kerstdag)
  • Tweede Kerstdag (26 december): overdracht om 10.00 uur naar de vrouw;
  • Oudjaarsdag (31 december): vanaf 10.00 uur bij de man:
  • Nieuwjaarsdag (1 januari 2027): overdracht om 10.00 uur terug naar de vrouw.
5.2
De rechtbank bepaalt dat partijen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot contact met genoemde minderjarige:
Verjaardagen ouders:
- [minderjarige] verblijft bij de jarige ouder:
o Op schooldagen: na school tot 18.00 uur;
o Indien een verjaardag van de ouder in het reguliere weekend van de andere ouder valt, verblijft [minderjarige] bij de jarige ouder van 12.00 uur tot 18.00 uur.
5.3
De rechtbank bepaalt, enkel voor de hierna genoemde weekenden en in afwijking van de reguliere regeling zoals vastgesteld bij beschikking van 18 december 2024, dat [minderjarige] :
  • in het weekend van 8 mei 2026 tot en met 10 mei 2026 (in verband met Moederdag) bij de vrouw verblijft;
  • in het weekend van 15 mei 2026 tot en met 17 mei 2026 bij de man verblijft;
  • in het weekend van 22 mei 2026 tot en met 25 mei 2026 (Pinksteren) 10.00 uur bij de man verblijft;
5.4
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, kinderrechter, en in tegenwoordigheid van mr. Mandemakers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.