ECLI:NL:RBZWB:2026:4799

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/02/447290 / FA RK 26-2010
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Meyboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing zorgmachtiging voor betrokkene met dwangstoornis en maatschappelijke beperkingen

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 30 april 2026 een zorgmachtiging toegekend aan betrokkene, geboren in 1990, die lijdt aan een dwangstoornis in de vorm van smetvrees, ADD, een depressieve stoornis en vermoedelijk een autismespectrumstoornis, psychotische stoornis en/of persoonlijkheidsproblematiek.

Betrokkene ondervindt ernstig nadeel door zijn stoornissen, waaronder levensgevaar, lichamelijk letsel, psychische schade, verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. Zijn smetvrees belemmert deelname aan de maatschappij en het volgen van medische afspraken, zoals voor zijn ziekte van Crohn. De behandelaren van het FACT-team en de herstelcoach van het RIBW benadrukken de noodzaak van een aansluitende zorgmachtiging om medicatie-inname en contact met hulpverleners te waarborgen.

Betrokkene en zijn advocaat verzetten zich tegen de zorgmachtiging, stellende dat vrijwillige zorg mogelijk is en dat een machtiging wantrouwen uitstraalt. De rechtbank oordeelt echter dat vrijwillige zorg niet haalbaar is vanwege betrokkene's voorwaarden en eerdere vastlopende zorgprocessen.

De rechtbank wijst verplichte zorg toe in de vorm van medicatietoediening, medische controles en beperkingen in de vrijheid om contact en aanwijzingen van het FACT-team en RIBW te waarborgen. De zwaardere maatregelen zoals opname en bewegingsbeperking worden afgewezen als niet noodzakelijk. De machtiging geldt tot 30 april 2027.

Uitkomst: De rechtbank verleent een zorgmachtiging voor twaalf maanden met verplichte medicatie, medische controles en contactbeperkingen, en wijst opname en bewegingsbeperking af.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447290 / FA RK 26-2010
Datum uitspraak: 30 april 2026
Beschikking zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1990 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [plaats] ,
advocaat mr. A.Ch. Osté uit Dongen.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 20 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 april 2026. Daarbij zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
  • mevrouw [persoon 1] , case-manager [hulpverlening] ;
  • mevrouw [persoon 2] , case-manager [hulpverlening] ;
  • mevrouw [persoon 3] , herstelcoach RIBW.

2.Wat vaststaat

2.1.
De rechtbank heeft op 14 november 2025 voor betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met 14 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.

4.De standpunten

4.1.
De behandelaren van het FACT-team geven aan dat zij het beiden belangrijk vinden dat een aansluitende zorgmachtiging wordt verleend, zodat betrokken verplicht blijft zijn medicatie in te nemen en het contact met hen en met de RIBW gewaarborgd zullen zijn. Zonder zorgmachtiging hebben de behandelaren daarin onvoldoende vertrouwen. Met het FACT-team heeft betrokkene eenmaal per week contact. Geprobeerd wordt om voor betrokkene een behandeling op te zetten voor smetvrees, maar daarvoor blijkt het nog te vroeg. Eerst moet de behandelrelatie met betrokkene verder opgebouwd worden.
Op dit moment is er nog steeds het risico van verwaarlozing van het huis en van zichzelf bij betrokkene. Er zijn nog grote zorgen over hoe hij met zijn smetvrees omgaat, hoe dat zijn leven beperkt en welke impact dat bij hem zowel lichamelijk als geestelijk zal hebben. Daarbij merken de behandelaren op dat zij de verzochte verplichte zorg “het toedienen van vocht en voeding”, “het opnemen in een accommodatie”, en daarmee samenhangend “het beperken van de bewegingsvrijheid van betrokkene” niet nodig achten. De overige verzochte vormen van verplichte zorg achten de behandelaren wel noodzakelijk om het ernstig nadeel te kunnen afwenden.
4.2.
De herstelcoach van het RIBW brengt naar voren dat betrokkene vooruitgaat, maar dat nog steeds een zorgmachtiging nodig is om met betrokkene verder te kunnen komen. Alleen dat wat nu verplicht is gaat goed, maar er kunnen geen verdere stappen vooruit worden gezet. Naar de mening van de herstelcoach is de zorgmachtiging nodig om te voorkomen dat betrokkene terugvalt in oude patronen. Betrokkene doucht nog steeds buitensporig veel.
4.3.
Betrokkene geeft aan te betreuren dat een zorgmachtiging nodig wordt geacht. Naar zijn mening zou de zorg aan hem gebaseerd moeten en kunnen zijn op het vertrouwen dat hij zal meewerken op vrijwillige basis. Betrokkene zou met zijn behandelaren liever in dialoog willen. Hij merkt daarbij op dat hij sinds de opname op de MPU zijn ritueel na de stoelgang al flink heeft weten te bekorten, maar dat hij dat niet geheel zelf in de hand heeft, omdat hij kampt met de ziekte van Crohn. Volgens betrokkene zal de stoelgang voor hem daardoor altijd lastig blijven.
4.4.
De advocaat voert aan dat betrokkene vooruitgang laat zien en hij een aansluitende zorgmachtiging als wantrouwen ervaart. Naar de mening van betrokkene zal juist zonder een aansluitende zorgmachtiging verdere vooruitgang kunnen worden geboekt. Daarbij constateert de advocaat dat betrokkene geen aansluitende zorgmachtiging wil. Om deze redenen verzoekt de advocaat om het verzoek af te wijzen.
De advocaat zelf stelt vast dat aan alle wettelijke vereisten voor toewijzing van het verzoek wordt voldaan. Indien de rechtbank het verzoek zal toewijzen, verzoekt de advocaat subsidiair om daaraan een duur te verbinden van een jaar, omdat bij een kortere duur weer snel een toetsmoment en een zitting zullen volgen en dat dit onnodig spanningen voor betrokkene zal geven.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van twaalf maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Uit de overgelegde stukken, in het bijzonder de medische verklaring, en de behandeling ter zitting blijkt namelijk dat bij betrokkene is sprake van een dwangstoornis in de vorm van smetvrees, ADD, een depressieve stoornis en vermoedelijk een onderliggende autismespectrumstoornis, psychotische stoornis en/of persoonlijkheidsproblematiek.
5.2.
Deze stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:
- levensgevaar;
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang.
De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het betrokkene vanwege zijn dwangstoornis niet lukt om deel te nemen aan de maatschappij. Naast stagnatie op sociaal maatschappelijk vlak is bij betrokkene sprake van zelfverwaarlozing. Het is voor betrokkene moeilijk om op fysieke afspraken te komen door zijn smetvrees, waardoor behandeling voor de ziekte van Crohn en andere hulpverlening niet goed gaat. Boodschappen doen lukt niet. Door zijn achterdocht heeft hij geen telefoon, zodat communicatie op andere dan fysieke wijze niet mogelijk is. Daarbij loopt betrokkene het risico om zijn woonplek bij de RIBW kwijt te raken als hij zich niet begeleidbaar opstelt.
5.3.
Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid en de door de stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen heeft betrokkene zorg nodig.
5.4.
Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis, omdat betrokkene de nodigde zorg enkel zal accepteren wanneer deze geheel aan zijn voorwaarden of wensen voldoet. In het vrij recente verleden is gebleken dat dit resulteert in vastlopende zorgprocessen en ernstig nadeel. Daarom is verplichte zorg nodig.
5.5.
De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, het advies van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten.
De rechtbank overweegt hierbij dat de verplichte vorm van zorg “het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten” er in dit geval op ziet dat betrokkene contact moet blijven onderhouden met en de aanwijzingen moet opvolgen van het ambulante FACT-team en het RIBW.
5.6.
De vormen van verplichte zorg “ het opnemen in een accommodatie”, en daarmee samenhangend “het beperken van de bewegingsvrijheid” wordt, gelet op hetgeen tijdens de zitting is besproken, door de rechtbank niet noodzakelijk en onvoldoende voorzienbaar geacht. De rechtbank zal deze vormen van verplichte zorg dan ook afwijzen.
5.7.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en zijn omgeving.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verleent een zorgmachtiging voor
[betrokkene], geboren op [geboortedag] 1990 in [geboorteplaats] , wat inhoudt dat de maatregelen die in rechtsoverweging 5.5. staan kunnen worden toegepast;
6.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 30 april 2027;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026 door mr. Meyboom, rechter, in aanwezigheid van Van Dongen, griffier, en op schrift gesteld op 13 mei 2016.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.