ECLI:NL:RBZWB:2026:4797

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/02/446170 / JE RK 26-466
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Zuijdweg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:262b BWArt. 4.2.1 JeugdwetArt. 1.1 JeugdwetArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over geschil zorgregeling ondertoezichtstelling minderjarige

De zaak betreft een geschil over de uitvoering van de zorgregeling voor een minderjarige die onder toezicht staat van een gecertificeerde instelling (GI). De ouders, die gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben, konden geen overeenstemming bereiken over de zorgregeling voor 2025 en 2026, ondanks inzet van hulpverlening en een traject Expert in ouderrelaties.

De vader wilde de zorgregeling voorafgaand aan de zomervakantie van 2025 niet wijzigen, met name niet de wisseling van weken, vanwege werkverplichtingen. De moeder ging er op basis van e-mailcorrespondentie vanuit dat de vader instemde met het volledige schema, waarin de weken na de herfstvakantie van 2025 waren gewisseld. Dit leidde tot een impasse.

De kinderrechter heeft geprobeerd een vergelijk te bereiken, maar dit bleek niet mogelijk. Gezien het belang van de minderjarige en de praktische gevolgen voor vakanties en werkroosters, besloot de rechter de zorgregeling voor 2026 ongewijzigd te laten en vanaf 2027 de wisseling van zorgweken te laten plaatsvinden. Tevens werd het verzoek om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afgewezen.

De kinderrechter benadrukte het belang van verdere communicatie tussen de GI en de vader om toekomstige conflicten te voorkomen en wees op de taak van de GI om de vakantieverdeling te stroomlijnen. Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: De zorgregeling voor 2026 blijft ongewijzigd en vanaf 2027 vindt de wisseling van zorgweken plaats zoals vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/446170 / JE RK 26-466
Datum uitspraak: 30 april 2026
Beschikking van de kinderrechter op basis van de geschillenregeling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2017 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI met bijlagen van 18 maart 2026, ontvangen op 18 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de haar geboden gelegenheid om haar mening te geven. Zij is tijdig afgemeld.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
Bij beschikking van 22 augustus 2019 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 22 augustus 2019 en tot 22 mei 2020. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 17 februari 2026 tot 22 augustus 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI heeft een geschil voorgelegd met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI licht toe dat in de afgelopen jaren is gebleken dat het de ouders niet lukt om in onderling overleg afspraken te maken. Ook de daarvoor ingezette hulpverlening is steeds gestagneerd. In het afgelopen jaar is een traject Expert in ouderrelaties ingezet door de GI en tijdens dit traject is een conceptschema opgesteld voor de zorgregeling in 2025 en 2026. Op basis van de daaropvolgende e-mailberichten van de vader is de GI er met de moeder vanuit gegaan dat de vader instemde met dit schema. Het verbaasde de GI dan ook dat de vader vervolgens in september jl. aangaf dat hij zich niet kon vinden in de verandering in de zorgregeling. Omdat de ouders hier vervolgens niet uit kwamen, heeft de GI, na overleg met beide ouders, uiteindelijk besloten dat de zorgregeling zoals opgesteld in het schema moest worden voortgezet. Hier kan de vader zich echter niet in vinden. Het is de GI niet gelukt om hierin een oplossing te vinden en om die reden is overgegaan tot indiening van het voorliggende verzoek.
4.2.
De vader licht toe dat hij voorafgaand aan de zomervakantie van 2025 met de moeder heeft willen afspreken dat de regeling zoals opgenomen in het schema van de Expert in Ouderrelaties voor die zomervakantie zou gelden. Het was nadrukkelijk niet de bedoeling van de vader om de weken waarin [minderjarige] bij hem verblijft te wisselen. Tijdens de gesprekken met de Expert in ouderrelaties heeft de vader ook duidelijk aangegeven dat het wisselen van de weken niet haalbaar is voor zijn werk. Inmiddels heeft de vader het met zijn werk zo kunnen organiseren dat hij in de week waarin [minderjarige] bij hem verblijft hij haar naar school kan brengen en ook uit school kan halen, maar probleem hierin blijft dat de vader in die week op dinsdagochtend een overleg heeft om 7:00 of 8:00 uur. Dit overleg moet hij nu steeds missen, tenzij hij aan de oma vaderszijde zou vragen of zij [minderjarige] naar school kan brengen. Daar komt bij dat de vader ook op privégebied afspraken heeft moeten afzeggen door het wisselen van de weeknummers. De vader vindt de manier waarop de GI hiermee om is gegaan erg lastig en niet correct. Immers, door de Expert in ouderrelaties was aangegeven dat hij voorafgaand aan de herfstvakantie samen met de moeder een oplossing moest zoeken voor de wisseling in weken. Dit heeft hij in september jl. geprobeerd te doen. Daar komt bij dat de vader steeds heeft aangegeven waarom de wisseling voor hem niet mogelijk is, maar hier heeft de GI kort op gereageerd en aangegeven dat de afspraken waren gemaakt. De vader maakt onderscheid tussen de vakantie- en de zorgregeling.
4.3.
De moeder verklaart dat zij op basis van de e-mails van de vader voorafgaand aan de zomervakantie van 2025 ervan uit is gegaan dat de vader instemde met het schema voor 2025 en 2026, zoals opgesteld door de Expert in ouderrelaties. Hier heeft de moeder haar planning voor zowel werk als privé op afgestemd. De moeder kan niet instemmen met het terugdraaien van de zorgregeling zoals deze voorafgaand aan de herfstvakantie van 2025 was. Binnen het huidige schema is er namelijk rekening mee gehouden dat [minderjarige] bijvoorbeeld niet drie weken achter elkaar bij een van de ouders verblijft. Daar komt bij dat de huidige regeling goed uit komt voor het werk van de moeder. Dit heeft de moeder ook aan de GI uitgelegd, waarbij zij heeft toegezegd dat zij wil nadenken over een wisseling in 2027 als de vader daarvoor een voorstel stuurt. Verder benadrukt de moeder dat zij het belangrijk vindt dat er duidelijkheid komt over de zorgregeling, zodat [minderjarige] rust krijgt en kan toeleven naar vakanties en activiteiten.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen, die omtrent gedragingen als bedoeld in artikel 4.2.1 van de Jeugdwet, uitgezonderd, aan de kinderrechter worden voorgelegd. De kinderrechter neemt op verzoek van een met het gezag belaste ouder, de minderjarige van twaalf jaar of ouder, de GI, degene die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, of de zorgaanbieder of de aanbieder van de jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, waar de minderjarige is geplaatst, een zodanige beslissing als haar in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Zij beproeft alvorens te beslissen een vergelijk tussen de betrokkenen.
5.2.
De kinderrechter heeft tijdens de zitting getracht om met de aanwezigen tot een vergelijk te komen. Op basis hiervan stelt de kinderrechter vast dat het bereiken van overeenstemming tussen hen niet mogelijk is gebleken. De kinderrechter zal daarom beslissen op het in het kader van de geschillenregeling ingediende verzoek en acht de navolgende beslissing in het belang van [minderjarige] .
5.3.
De kinderrechter overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is gebleken dat er vorig jaar een traject Expert in ouderrelaties is ingezet vanuit de GI. Na gesprekken met beide ouders is vanuit dit traject een voorstel aan beide ouders gedaan om de zorgregeling, zoals vastgelegd in de beschikking van 22 november 2024, nader te concretiseren met een jaarplanning voor 2025 en 2026. De vader heeft voorafgaand aan de zomervakantie van 2025 de regeling zoals vastgelegd in dit schema voor de zomervakantie willen afspreken met de vrouw, maar heeft de zorgregeling verder niet willen wijzigen. Door de moeder en de GI zijn de e-mailberichten van de vader echter opgevat als instemming met het volledige schema voor 2025 en 2026. Volgens dit schema zijn de weken na de herfstvakantie van 2025 gewisseld, waardoor [minderjarige] niet langer op vrijdag in de oneven weken naar de vader gaat maar op vrijdag in de even weken. De vader heeft dit terug willen draaien, maar de moeder heeft hier niet mee ingestemd omdat zij haar werk en privé-afspraken op deze regeling heeft afgestemd. Het heeft er aldus alle schijn van dat sprake is van een miscommunicatie tussen de ouders en de GI, nu de vader duidelijk heeft uitgelegd wat zijn bedoelingen en intenties waren voorafgaand aan de zomervakantie van 2025. Anderzijds valt ook de gedachtegang van de moeder te volgen, die gelet op de e-mailcorrespondentie gemeend heeft dat de vader instemde met het volledige schema voor 2025 en 2026. Duidelijk is echter dat het de ouders op dit moment niet lukt, ook niet met tussenkomst van de GI, om hierover tot overeenstemming te komen.
5.4.
De kinderrechter heeft onderzocht of een wijziging mogelijk is in de zorgregeling voor dit jaar, maar gebleken is dat de vakantieregeling dan opnieuw in het gedrang komt. Immers, [minderjarige] is in de voorjaarsvakantie van dit jaar bij de moeder geweest en volgens de planning is zij in de herfstvakantie van dit jaar bij de vader. Omdat de andere vakanties bij helfte zijn verdeeld, is het niet eerlijk als [minderjarige] de herfstvakantie alsnog bij de moeder zou zijn. Daarbij betrekkende dat de kinderrechter tweewekelijkse oplossingen niet in het belang van [minderjarige] acht, is de rechtbank van oordeel dat het het meest eerlijk is als de regeling voor 2026 blijft zoals deze is vastgelegd in het schema. Hierbij heeft de kinderrechter ook betrokken dat het de vader is gelukt om zijn werkuren in zijn zorgweek aan te passen, zodat hij [minderjarige] naar school kan brengen en uit school kan halen. Daardoor is de vader beschikbaar voor [minderjarige] en kan hij de vader zijn die hij wil zijn. Het lijkt op dit moment vast te lopen op een principekwestie tussen de ouders en op de werkoverleggen van de vader op dinsdagochtend in de oneven week, maar dit is gelet op het voorgaande naar het oordeel van de kinderrechter onvoldoende reden om de zorgregeling opnieuw te wijzigen.
5.5.
Verder overweegt de kinderrechter dat dit jaar 53 weken heeft. Een logische stap lijkt te zijn dat in week 1 van 2027 de weken weer omdraaien, zodat [minderjarige] vanaf dan weer in de even weken op vrijdag wisselt van de vader naar de moeder. In dit kader geeft de kinderrechter de ouders mee dat elk jaar opnieuw moeten worden bezien wat op dat moment een passende regeling is en hoe die regeling uitkomt met betrekking tot de vakanties. Het is daarbij aan de ouders zelf, eventueel met behulp van hulpverlening, om hier samen afspraken over te maken, waarbij heeft te gelden dat er altijd jaren tussen zitten met minder en meer weken waardoor overleg geboden is en blijft. Het kan namelijk niet de bedoeling zijn dat de ouders of de GI hiervoor tot de 18e verjaardag van [minderjarige] jaarlijks de gang naar de kinderrechter moeten maken. Hierbij ligt ook een taak voor de GI om de verdeling van de vakanties te stroomlijnen, desnoods middels de inzet van hulpverlening.
5.6.
Tot slot overweegt de kinderrechter dat ter zitting is gebleken dat de vader ontevreden is over de wijze waarop hij door de GI is bejegend toen duidelijk werd dat de ouders het niet eens konden worden over de zorgregeling. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de GI en de vader hierover (opnieuw) met elkaar in gesprek gaan, zodat in de komende periode positieve stappen gezet kunnen worden in het belang van [minderjarige] .
5.7.
Het verzoek tot het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van deze beslissing zal worden afgewezen, omdat op grond van artikel 807 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tegen deze beslissing naar aanleiding van een geschil over de uitvoering van de ondertoezichtstelling geen andere voorziening openstaat dan cassatie in het belang der wet.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1
bepaalt dat de zorgregeling voor 2026 gelijk blijft aan het thans geldende schema en dat vanaf 2027 [minderjarige] in de oneven weken wisselt van de moeder naar de vader;
6.2
wijst af het verzoek voor zover het ziet op het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de beslissing.
Deze beschikking is gegeven door mr. Zuijdweg, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026 in aanwezigheid van mr. van der Meer, griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. [1]

Voetnoten

1.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).