ECLI:NL:RBZWB:2026:479

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
C/02/443115 / JE RK 25-2258
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Tempel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:250 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing en benoeming bijzondere curator wegens ernstige zorgen over emotieregulatie moeder en loyaliteitsconflict kinderen

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 15 januari 2026 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen en de benoeming van een bijzondere curator. De kinderen wonen bij de moeder, maar er zijn ernstige zorgen over haar emotieregulatie, de schoolgang van de kinderen en het loyaliteitsconflict tussen de ouders. De ondertoezichtstelling is verlengd tot 19 april 2026.

De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen, waarbij [minderjarige 1] bij de vader geplaatst zou worden en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een groepsaccommodatie. De moeder verzette zich tegen het verzoek en stelde dat de GI onjuiste informatie gebruikte en dat zij wel openstond voor hulpverlening. De kinderen gaven aan bij de moeder te willen blijven wonen.

De kinderrechter oordeelde dat de machtiging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen, gezien de ernstige en voortdurende zorgen, het ontbreken van effectieve hulpverlening en de onveilige thuissituatie. De machtiging tot uithuisplaatsing werd toegekend tot het einde van de ondertoezichtstelling. Tevens werd een bijzondere curator benoemd om de belangen van de kinderen te behartigen en hun stem in de procedure te waarborgen.

De bijzondere curator zal onderzoeken of de wensen van de kinderen vrij en onbeïnvloed worden gehoord, de veiligheid bij beide ouders, en het toekomstperspectief. De curator zal verslag uitbrengen aan de rechtbank en de GI. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank verleent machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarigen en benoemt een bijzondere curator om hun belangen te behartigen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/443118 / JE RK 25-2260
C/02/443115 / JE RK 25-2258
Datum uitspraak: 15 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing en benoeming van een bijzondere curator
in de zaak van
het
LANDELIJK EXPERTISE TEAM JEUGDBESCHERMING, hierna te noemen het
LET JB, namens
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT
TILBURG, gevestigd te Tilburg , hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2011, hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2012, hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2015 , hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. J.M. Molkenboer uit Tilburg,
[minderjarige 1],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

Inzake: C/02/443118 / JE RK 25-2260
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 17 december 2025, en alle daarin genoemde stukken;
  • de brief van mr. Molkenboer van 18 december 2025, ontvangen op 19 december 2025;
  • de brief van de GI inzake volmacht en mandaat van het LET, ontvangen op 22 december 2025;
  • de brief met producties 1-12 van mr. Molkenboer van 23 december 2025, ontvangen op 24 december 2025;
  • de brief met producties 13-14 van mr. Molkenboer, ontvangen op 30 december 2025;
  • de brief met producties 15-17 van mr. Molkenboer, ontvangen op 30 december 2025.
Inzake C/02/443115 / JE RK 25-2258
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 17 december 2025, en alle daarin genoemde stukken;
  • de brief van mr. Molkenboer van 18 december 2025, ontvangen op 19 december 2025;
  • de brief van de GI inzake volmacht en mandaat van het LET, ontvangen op 22 december 2025;
  • de brief met producties 1-12 van mr. Molkenboer van 23 december 2025, ontvangen op 24 december 2025;
  • de brief van de GI, ontvangen op 29 december 2025;
  • de brief met producties 13-14 van mr. Molkenboer, ontvangen op 30 december 2025;
  • de brief met producties 15-17 van mr. Molkenboer, ontvangen op 30 december 2025.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van het LET, namens de GI.
1.4.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat hij wel juist is opgeroepen.
1.5.
Aan mr. E.E.M. Molkenboer, een collega van mr. Molkenboer, is bijzondere toegang verleend om de zitting bij te wonen.
1.6.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat zij hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 1 april 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengd met ingang van 19 april 2025 tot 19 april 2026.
Inzake C/02/443118 / JE RK 25-2260
2.4.
Bij beschikking van 17 december 2025 is het verzoek van de GI om [minderjarige 1] met spoed uit huis te plaatsen bij de andere ouder met gezag afgewezen, voor zover het ging om het verzoek de machtiging onverwijld zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden af te geven. Het verzoek zelf is aangehouden tot de zitting van 31 december 2025, op welke zitting de belanghebbenden gehoord zouden kunnen worden.
Inzake C/02/443115 / JE RK 25-2258
2.5.
Bij beschikking van 17 december 2025 is het verzoek van de GI om [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met spoed uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder afgewezen, voor zover het ging om het verzoek de machtiging onverwijld zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden af te geven. Het verzoek zelf is aangehouden tot de zitting van 31 december 2025, op welke zitting de belanghebbenden gehoord zouden kunnen worden.

3.Het verzoek

Inzake C/02/443118 / JE RK 25-2260
3.1.
Aan de orde is het verzoek van de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de andere ouder met gezag te verlenen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Inzake C/02/443115 / JE RK 25-2258
3.2.
Aan de orde is het verzoek van de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

De kinderen
4.1.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben met de kinderrechter gesproken. Zij hebben allemaal verteld dat zij bij de moeder willen blijven wonen. [minderjarige 1] heeft verteld dat het niet klopt wat de GI heeft geschreven over het contact met zijn vader in het ziekenhuis. Hij heeft helemaal niet gezegd dat hij dat contact wilde.
De GI
4.2.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. Het LET is in het verleden al betrokken geweest bij het gezin. In 2023 is de casus overgedragen van het LET terug naar de GI. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] woonden op dat moment bij de vader en op dat moment waren er voor het LET geen zorgen over de thuissituatie bij de vader. Kort na de overdracht van de zaak heeft [minderjarige 2] echter belastende uitspraken gedaan over de thuissituatie bij de vader en diens partner, en heeft aangegeven daar niet langer te willen verblijven. De kinderen zijn uiteindelijk, tegen het eerdere advies van het LET in, bij de moeder geplaatst. In 2024 is de casus opnieuw aangemeld bij het LET vanwege toenemende agressie van de moeder richting de hulpverlening. De afgelopen periode zijn de zorgen voor het LET over de situatie van de kinderen verder toegenomen, en zij nemen niet af. Het LET acht hulpverlening voor de kinderen noodzakelijk, zowel om te verwerken wat zij in het verleden hebben meegemaakt als om te onderzoeken wat zij bij de vader hebben ervaren. De inzet van hulpverlening blijkt echter niet mogelijk. Meerdere instanties geven aan dat de casus te zwaar is en dat de moeder (negatief) bekend is bij de hulpverlening. Zij geven aan dat er eerst systemisch iets moet veranderen voordat hulpverlening voor de kinderen effectief kan zijn. Tot dat punt wordt echter niet gekomen. De meeste gesprekken met de moeder escaleren in schreeuwen en schelden; in het laatste gesprek werden zelfs bedreigingen gedaan. Het plannen van gesprekken met de moeder en de kinderen is moeizaam. Als er een gesprek plaatsvindt met de moeder, dan blijft dit oppervlakkig, of escaleert het op het moment dat er moeilijke onderwerpen besproken worden.
4.3.
Er zijn zorgen over de gezondheid van [minderjarige 1] . Uit onderzoek van het ziekenhuis is gebleken dat hij de ziekte Collitis Ulcerosa heeft. Toen hij in het ziekenhuis verbleef kwamen er zorgen naar voren dat de moeder de vader volledig buitensluit. De vader wordt niet geïnformeerd en de moeder heeft het ziekenhuis verzocht de vader op afstand te houden, omdat [minderjarige 1] hier volgens haar geen behoefte aan zou hebben. Het ziekenhuis geeft aan geen problemen te ervaren met de vader, ziet een betrokken vader en een zoon die graag contact met hem wil. Uit gesprekken met [minderjarige 1] blijkt dat hij worstelt met het regelen van contact met zijn vader. Hij heeft wel behoefte aan contact, maar woont bij de moeder en wil daar niet weg, waardoor de deur naar contact met vader gesloten blijft. Van [minderjarige 1] kan niet worden verwacht dat hij zelf de omgang met zijn vader organiseert en regelt. Op dit moment heeft geen van de kinderen contact met de vader, wat het LET zorgelijk vindt. [minderjarige 3] en [minderjarige 1] willen dit contact wel, [minderjarige 2] niet, maar op dit moment is er ook geen mogelijkheid tot contact. Bij [minderjarige 1] is veel sprake geweest van schoolverzuim. Een preventief gesprek met de kinderrechter om het verzuim te stoppen, is niet van de grond gekomen. Als [minderjarige 1] op school is, zijn er veel zorgen om zijn gedrag.
4.4.
De zorgen rondom [minderjarige 2] zijn dat zij zich niet vrij voelt om zaken te bespreken. Ze geeft aan dat haar moeder ‘anger issues’ heeft, maar dat zij daar zelf geen last van heeft. [minderjarige 2] geeft aan behoefte te hebben aan hulpverlening, mits haar moeder dit niet halverwege beëindigd. Er is veel sprake van schoolverzuim. [minderjarige 3] is regelmatig niet op school geweest en heeft veel onderwijs gemist. De school heeft veel conflicten met de moeder. Ook de GI maakt zich ernstige zorgen over het gedrag van de moeder. Het meest zorgelijk zijn de meerdere meldingen van extreme en ongecontroleerde boosheid van de moeder. Niet alleen derden, maar ook medewerkers van de GI hebben dit gedrag zelf ervaren. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geven zowel verbaal als non-verbaal signalen af die wijzen op het opgroeien bij een ouder met ernstige emotionele onvoorspelbaarheid. In contact met anderen laat moeder grenzeloos en ontregelend gedrag zien. Er is sprake van een onvoorspelbare en beangstigende thuissituatie, waarbij [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet weten wat zij van hun moeder kunnen verwachten en aan welke emotionele ontregeling zij worden blootgesteld.
4.5.
Er moet zicht komen op het persoonlijk functioneren van de moeder en een antwoord op de vraag welke hulpverlening noodzakelijk en passend is om ervoor te zorgen dat de kinderen veilig thuis kunnen wonen. Een machtiging tot uithuisplaatsing is noodzakelijk. Voor [minderjarige 1] is plaatsing bij de vader, waar hij in alle rust kan herstellen van zijn ziekenhuisopname, de meest passende plek. Voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is plaatsing bij de vader niet passend, voor hen wordt plaatsing op een (kleinschalige) groep noodzakelijk geacht. Tijdens de zitting wijzigt de GI het verzoek, in die zin dat zij verzoekt om de machtiging tot uithuisplaatsing toe te wijzen tot het einde van de ondertoezichtstelling.
De moeder
4.6.
Door en namens de moeder is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De moeder verzet zich tegen het verzoek van de GI. Volgens haar bevat het dossier van de GI onjuiste informatie, zowel in de schriftelijke stukken als in hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht. Het is voor de moeder onduidelijk waarop de GI haar stelling baseert dat er sprake zou zijn van ernstige en voortdurende zorgen. De moeder erkent dat zij kampt met de door [minderjarige 2] benoemde ‘anger issues’, maar benadrukt dat er nooit sprake is geweest van onveiligheid voor de kinderen tijdens hun verblijf bij haar. Daarentegen is de onveiligheid in de thuissituatie bij de vader herhaaldelijk ter sprake gekomen. Bij de moeder is vooral sprake van frustratie over de gang van zaken de afgelopen jaren. De GI stelt dat het niet gelukt is om met de moeder in gesprek te gaan. Dit is onjuist. Er hebben juist veel gesprekken plaatsgevonden tussen de moeder en de GI, waarbij deze gesprekken grotendeels op het kantoor van de advocaat van de moeder hebben plaatsgevonden. In de afgelopen maanden had de moeder echter minder tijd en ruimte voor gesprekken vanwege de gezondheidsproblematiek van [minderjarige 1] . Deze problematiek heeft er tevens toe geleid dat [minderjarige 1] minder naar school is geweest. Met betrekking tot de schoolgang van de andere twee kinderen gaat het beter, zij het dat er bij [minderjarige 3] in de afgelopen twee weken sprake is geweest van een terugval. Er heeft zich een incident voorgedaan waardoor [minderjarige 3] tijdelijk niet naar school wilde, maar het is nadrukkelijk de intentie dat [minderjarige 3] na de kerstvakantie weer naar school zal gaan. De kinderen geven al jarenlang aan minder bemoeienis van de GI te wensen. Zij willen bij de moeder blijven wonen. De GI heeft gesteld dat [minderjarige 1] bij de vader zou willen wonen en dat de moeder dit zou blokkeren. Deze stelling is volstrekt onjuist. Ten aanzien van de ziekenhuisbezoeken geldt dat de vader zich zeer intensief bemoeide met alles wat daar gebeurde, hetgeen bij [minderjarige 1] tot irritatie leidde. De moeder heeft de vader via haar advocaat op de hoogte gesteld van de situatie.
4.7.
De suggestie dat de moeder niet openstaat voor hulpverlening is onjuist. De GI geeft herhaaldelijk aan voornemens te zijn diverse vormen van hulpverlening in te zetten, maar dit wordt niet concreet uitgewerkt. De moeder is bereid om in gesprek te gaan met de GI, maar het blijft onduidelijk welke concrete hulpverlening daadwerkelijk zal worden ingezet. Er hebben gesprekken plaatsgevonden over mogelijke hulpverlening, waaronder SELF en PMT, maar vervolgens is hier geen vervolg aan gegeven. Dit valt de moeder niet te verwijten. Het is voor de moeder onbegrijpelijk en niet proportioneel dat de GI vervolgens heeft besloten een spoedverzoek tot uithuisplaatsing in te dienen. Er wordt van nul naar honderd gegaan, terwijl een uithuisplaatsing een ultimum remedium is en nog lang niet alle beschikbare middelen zijn benut. Daarbij geven de kinderen zelf aan dat zij niet weg willen bij de moeder. De moeder benadrukt dat er geen zorgen zijn over de veiligheid en het welzijn van de kinderen en verzoekt de kinderrechter om het verzoek van de GI af te wijzen. Daarnaast acht de moeder het van belang dat een bijzondere curator wordt benoemd ten behoeve van de kinderen, zodat hun stem door een onafhankelijke partij kan worden gehoord.

5.De beoordeling

Machtiging tot uithuisplaatsing
5.1.
Op basis van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.2.
De kinderrechter is op basis van de stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.3.
Er zijn al langere tijd zorgen over het gezin. Vanaf 2017 is er een ondertoezichtstelling van kracht, waarbij het LET al eerder betrokken is geweest. In 2023 is de casus overgedragen van het LET naar de GI. De kinderen woonden op dat moment bij de vader. Kort na de overdracht deed [minderjarige 2] belastende uitspraken over de thuissituatie bij de vader en diens partner. De kinderen zijn toen bij de moeder geplaatst. In november 2024 heeft het LET de casus opnieuw overgenomen. Sinds de hernieuwde betrokkenheid van het LET zijn er opnieuw grote zorgen over de kinderen. Geen van die zorgen is in de afgelopen ruim twee jaar verminderd; ze zijn eerder toegenomen.
5.4.
De kinderen hebben een zeer een belast verleden. Zij zijn getuige geweest van huiselijk geweld tussen de ouders en hebben op jonge leeftijd veel instabiliteit en onveiligheid ervaren. De verstandhouding tussen de ouders is ernstig verstoord en van een constructieve samenwerking tussen de ouders is geen sprake. De minderjarigen zitten in een loyaliteitsconflict.
5.5.
In april 2025 is de ondertoezichtstelling met een jaar verlengd. Tegelijkertijd is er een beslissing genomen over een schriftelijke aanwijzing die aan de moeder was gegeven. Hoewel het verzoek van moeder tot vervallenverklaring van deze aanwijzing grotendeels is gehonoreerd, is ook nadrukkelijk duidelijk aan de moeder gemaakt dat haar wijze van samenwerking met de GI onvoldoende is. Zij moet de samenwerking echt aangaan en in ieder geval de schriftelijke aanwijzing ten aanzien van de schoolgang van de kinderen goed opvolgen. Daarnaast is duidelijk gemaakt dat de inzet van hulpverlening voor de kinderen noodzakelijk wordt geacht, om ervaringen uit het verleden te verwerken en zicht te krijgen op wat zij hebben meegemaakt.
5.6.
Nu, acht maanden later, blijkt dat de samenwerking met de GI absoluut niet is verbeterd en dat de hulpverlening nog altijd niet van de grond is gekomen. Er is veel discussie tussen moeder, haar advocaat en de GI over het plannen van afspraken, afspraken die al dan niet worden nagekomen en over incidenten die zich zouden hebben voorgedaan. Ondanks de nuanceringen die de advocaat van de moeder heeft aangebracht, krijgt de kinderrechter toch het beeld van een patroon, waarbij de moeder zo min mogelijk bemoeienis wil vanuit de GI en om die reden nauwelijks bereid is tot samenwerking. Dit terwijl haar in april 2025 duidelijk is gemaakt dat een terughoudende houding niet acceptabel is.
5.7.
Dat de hulpverlening niet van de grond is gekomen komt deels doordat instanties de situatie te ernstig vinden of vanwege eerdere negatieve ervaringen met het gezin. Daarnaast speelt de zeer kritische houding van de moeder een rol. Voordat zij ergens over meedenkt, wil zij dat de GI eerst met een concreet plan komt. Zodra er iets ter sprake komt waar zij het niet mee eens is, weigert zij veelal het gesprek voort te zetten, of escaleert het gesprek vanuit de moeder tot een niveau waarop de GI het gesprek niet meer voort wenst te zetten. Haar passieve en terughoudende houding, vooral ten aanzien van hulpverlening die verder gaat dan individuele ondersteuning voor de kinderen, is niet verbeterd. Dit belemmert de samenwerking en het starten van hulpverlening. De zorgen over de samenwerking bestaan niet alleen bij de GI, maar ook bij eerder betrokken hulpverleningsinstanties, de school (in ieder geval de school van [minderjarige 3] ) en bij de kinderrechter zelf. De kinderrechter heeft ook een woede-uitbarsting van moeder meegemaakt, wat zeer zorgelijk te noemen is. De kinderrechter heeft daarbij gemerkt dat de moeder het woord kreeg, op zichzelf op passende wijze haar verhaal startte, maar binnen korte tijd enorm boos werd, zonder dat er sprake was van een discussie. Daarbij verhief zij haar stem tot schreeuwniveau en sloeg zij op de tafel. Een eerste keer was de moeder te kalmeren. Toen de kinderrechter aangaf dat zij niet onmiddellijk zou gaan beslissen op de verzoeken, ontstond al snel eenzelfde escalatie en heeft de moeder de zaal verlaten. De kinderrechter kan zeker begrijpen dat er sprake was van veel spanning bij de moeder, met name nu het ook nog ging om verzoeken tot uithuisplaatsing. Toch is de escalatie, met name waar het gaan om de mate van escalatie en de snelheid, naar het oordeel van de kinderrechter buitenproportioneel te noemen. Dit geeft wel een inkleuring aan het beeld dat uit het dossier rijst; een moeder die haar emoties onvoldoende onder controle heeft.
5.8.
Er zijn daarnaast zorgen over de schoolgang van de kinderen, die niet is verbeterd. Bij [minderjarige 1] is wel een medische oorzaak gevonden die bijdraagt aan het verzuim, maar dit verklaart niet het zorgelijke gedrag van [minderjarige 1] op school. Ook [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben veel school gemist. Beloften om dit beter te laten verlopen hebben helaas onvoldoende resultaat.
5.9.
Voor de kinderrechter zijn er grote zorgen over de (emotionele) veiligheid van de kinderen. Ook als de moeder deze uitbarstingen niet richting de kinderen zou hebben, blijkt voldoende dat zij deze wel in het bijzijn van de kinderen heeft. Dat de kinderen hiermee geconfronteerd worden, is zeker onveilig te noemen. Nu de zorgen alleen maar groter worden, acht de kinderrechter een uithuisplaatsing noodzakelijk. De veiligheid van de kinderen moet gewaarborgd worden en de moeder moet nu écht aan de slag om tot verandering en verbetering te komen. Zij zal zelfstandig met hulpverlening aan de slag moeten om haar emotieregulatie te verbeteren. Ook zal zij de GI moeten meenemen in de stappen die zij zet en de resultaten die dit oplevert.
5.10.
Het is voor de kinderrechter wel een dilemma waar de kinderen uit huis te plaatsen. Eigenlijk lijkt geen van de opties echt passend. Er zijn zorgen gemeld over de situatie bij de vader thuis, waarbij in ieder geval de houding van de vader over die zorgen niet helpend was op dat moment. Plaatsing op een groep is weliswaar neutraal, maar biedt ook minder warmte en emotionele connectie. Zeker [minderjarige 3] is ook relatief jong om op een groep geplaatst te worden. Toch zal de kinderrechter de GI volgen in de verzoeken. [minderjarige 1] zal dus bij de vader worden geplaatst. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is voor een (kleinschalige) groepsaccommodatie. Wel maakt de kinderrechter zich zorgen over het feit dat de kinderen hierdoor uit elkaar worden gehaald. Het is dan ook van groot belang dat er ruimte is voor contact tussen de kinderen onderling en dat er goed wordt gekeken naar de mogelijkheden voor veilig contact van de kinderen met hun beide ouders. Ook het (toewerken naar) plaatsen in een gezinsomgeving dient hoog op de agenda te staan. Als dit passend en veilig zou kunnen bij één van de ouders, dan verdient dat de voorkeur.
5.11.
De machtiging tot uithuisplaatsing zal worden toegewezen voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 19 april 2026.
5.12.
De moeder heeft verzocht om benoeming van een bijzondere curator, teneinde [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] een stem in de procedure te geven en hun belangen te behartigen. De kinderrechter zal een bijzondere curator benoemen, zodat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] een onafhankelijke partij hebben waar zij hun verhaal kunnen doen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.13.
Gelet op de aard van de maatregel zal de beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.
Bijzondere curator
5.14.
Artikel 1:250 BW Pro bepaalt – voor zover hier van belang – het volgende. Wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige de belangen van de met het gezag belaste ouders in strijd zijn met die van de minderjarige, kan de rechtbank, indien dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk wordt geacht, daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator benoemen om de minderjarige ter zake, zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen.
5.15.
Gelet op de complexe situatie en de belangenstrijd, zal een bijzondere curator worden benoemd om de belangen van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te behartigen. Gebleken is dat zich in deze procedure met betrekking tot [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] een belangenstrijd in de zin van voormeld artikel voordoet, welke strijd zich toespitst op de verblijfplaats van de kinderen, met name over de vraag of [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] weer bij hun moeder zouden kunnen wonen.
5.16.
De kinderrechter is van oordeel dat er zo spoedig mogelijk duidelijkheid moet komen over wat in het belang van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is.
5.17.
Gezien het feit dat de verhouding tussen de GI en de moeder inmiddels zeer ernstig is verstoord en de verstandhouding tussen de ouders slecht is en zij niet op constructieve wijze kunnen samenwerken, zal de kinderrechter een bijzondere curator benoemen die de belangen van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] kan behartigen en hun mening kan vertolken.
5.18.
De kinderrechter acht het dan ook in het belang van de minderjarigen dat een bijzondere curator:
  • hun belangen behartigt en
  • kan bezien in hoeverre terugplaatsing (al dan niet op korte termijn) bij de moeder in het belang van de minderjarigen moet worden geacht,
  • waarbij in het bijzonder oog moet zijn voor wat de werkelijke wensen en behoeften zijn van de minderjarigen ten aanzien van hun verblijfplaats.
5.19.
Mr. J. Nederlof, advocaat, kantoorhoudende te [woonplaats] , is bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curator op te treden en zal hiertoe door de kinderrechter worden benoemd. Voor de duur van de procedure dient de bijzondere curator de belangen van de minderjarigen te behartigen.
5.20.
De bijzondere curator dient het volgende te onderzoeken.
  • Worden de wensen van de kinderen momenteel op een vrije, onbeïnvloede manier gehoord?
  • Kunnen de kinderen bij de moeder wonen? Voelen de kinderen zich veilig bij de moeder?
  • Kunnen de kinderen bij de vader wonen, in het geval zij niet bij de moeder kunnen wonen? Voelen de kinderen zich veilig bij de vader?
  • Toekomstperspectief: wat is in het belang van de kinderen op korte/lange termijn?
5.21.
Bij dat onderzoek dient tevens te worden betrokken dat er sprake is van een ernstig verstoorde verstandhouding tussen de ouders, waardoor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een loyaliteitsconflict zijn komen te verkeren. In dit verband wordt de bijzondere curator tevens verzocht in kaart te brengen wat de minderjarigen nodig hebben om uit het loyaliteitsconflict te komen en niet langer last te hebben van de ouderstrijd. Indien de bijzondere curator daartoe aanleiding ziet, dan staat het hem eveneens vrij een advies uit te brengen over de benodigde hulpverlening ten behoeve van de minderjarigen.
5.22.
Indien de bijzondere curator niet buiten rechte een oplossing weet te bereiken, kan hij de minderjarigen in rechte vertegenwoordigen en met betrekking tot het verzoek een advies aan de rechtbank uitbrengen in de vorm van een verslag van bevindingen. Desgewenst kan de bijzondere curator als vertegenwoordiger van de minderjarigen een zelfstandig verzoek indienen.
5.23.
De bijzondere curator wordt verzocht gesprekken te voeren met de minderjarigen, de moeder, de vader en de betrokken jeugdbeschermer(s).
Het staat de bijzondere curator vrij gesprekken te voeren met overige betrokken personen, die informatie over de minderjarige kunnen verschaffen.
5.24.
De kinderrechter verzoekt de bijzondere curator om uiterlijk op
donderdag 2 april 2026aan de rechtbank schriftelijk verslag te doen van zijn bevindingen. Aan de hand van de uitkomsten van dit verslag wordt aan de GI verzocht om een standpunt in te nemen over een eventueel verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing.
5.25.
De kinderrechter wijst de ouders er op dat zij de verplichting hebben aan de door de bijzondere curator te geven instructies gevolg te geven.
5.26.
Voorts verzoekt de kinderrechter de bijzondere curator de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 van Pro het Burgerlijk Wetboek in acht te nemen.
Kindbrief
5.27.
Aan [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zal een brief worden gestuurd met daarin uitleg over de genomen beslissing. In de brief staat het volgende.
Beste [minderjarige 1] ,
Op 24 december 2025 hebben wij met elkaar gepraat. Op 31 december 2025 was de zitting, waar ik met je moeder, haar advocaat en met [persoon 1] en [persoon 2] heb gepraat.
Jij hebt mij heel goed uitgelegd wat jij belangrijk vond voor jezelf en je zusje en broertje. Ook heb jij mij heel goed uitgelegd dat jij bij je moeder wilde blijven. Toch is mijn beslissing dat ik jou uit huisplaats; je gaat nu weg bij je moeder en je gaat bij je vader wonen. Dat is in ieder geval tot 19 april 2026.
Het is niet zo dat ik je niet geloof, of niet serieus neem. Ik maak me alleen te veel zorgen over de situatie bij je moeder thuis. Ik heb nu zelf meegemaakt dat je moeder boos werd. Daar ben ik van geschrokken. Ik maak het vaker mee dat een vader of moeder boos wordt. Ouders kunnen namelijk heel veel spanning voelen als ze bij mij op de rechtbank zijn. Toch vond ik het anders toen jouw moeder boos werd. Ik maak me er te veel zorgen over dat dit ook gebeurt waar jij, je zusje of broertje bij zijn, ook al wordt je moeder misschien niet boos op jullie. Ook maak ik me zorgen over hoe het op school gaat met jou en over hoe weinig het lukt om samen te werken voor je moeder, [persoon 1] en [persoon 2] .
Het lukt daardoor al lange tijd niet om goede hulp voor jullie te regelen. Ik weet dat je moeder en de GI van mening verschillen over hoe dat precies komt, maar het belangrijkste is dat die hulp er tot nu toe niet is gekomen. En dat is jammer, want hulp kan jullie juist helpen, en jullie hebben aangegeven hier ook behoefte aan te hebben. Om te praten over wat jullie hebben meegemaakt, en om alles een plek te geven.
[minderjarige 2] en [minderjarige 3] gaan nu niet bij je vader wonen. Dat betekent dat jullie niet samen op dezelfde plek zullen wonen een tijdje. Ik hoop dat dat snel wel weer zo zal zijn.
Ik weet dat dit een heel moeilijke beslissing is. Ik begrijp goed dat dit niet is wat je had gehoopt. Ik kan me dan ook voorstellen dat je nu boos bent, of denkt dat ik niet goed heb geluisterd. Ik heb echt mijn best gedaan om naar iedereen goed te luisteren, maar iedereen denkt er anders over. Daarom heb ik ook een extra beslissing genomen. Dat was een heel goed idee van je moeder en haar advocaat. Ik heb iemand gevraagd om de tijd te nemen om met jullie allemaal te gaan praten en dan te kijken wat volgens hem het beste is. Hij is een bijzondere curator. Ik heb hem vragen gesteld, die hij gaat beantwoorden als hij met jullie allemaal gepraat heeft. Hij is niet van jeugdzorg, niet van de rechtbank, maar hij is er speciaal voor jou, je zusje en broertje. Zijn naam is [persoon 3] . Hij schrijft een verslag voor mij en ik kan dan met dat verslag er extra bij beslissen hoe het verder moet.
Het wordt denk ik een hele spannende tijd voor jou. Ik hoop dat het goed gaat met je gezondheid en dat het ook verder goed zal gaan met je.
Met vriendelijke groet,
Tempel
Kinderrechter
Beste [minderjarige 2] ,
Op 24 december 2025 hebben wij met elkaar gepraat. Op 31 december 2025 was de zitting, waar ik met je moeder, haar advocaat en met [persoon 1] en [persoon 2] heb gepraat.
Jij hebt mij heel goed uitgelegd wat jij belangrijk vond. Ook heb jij mij heel goed uitgelegd dat jij bij je moeder wilde blijven en verteld over je plannen om goed naar school te gaan. Toch is mijn beslissing dat ik jou uit huisplaats; je gaat nu weg bij je moeder en je gaat bij een groep wonen. Dat is in ieder geval tot 19 april 2026.
Ik weet dat dit niet is wat jij mij verteld hebt; wat je wilt. Ik maak me alleen te veel zorgen over de situatie bij je moeder thuis. Ik heb nu zelf meegemaakt dat je moeder boos werd. Daar ben ik van geschrokken. Ik maak het vaker mee dat een vader of moeder boos wordt. Ouders kunnen namelijk heel veel spanning voelen als ze bij mij op de rechtbank zijn. Toch vond ik het anders toen jouw moeder boos werd. Ik maak me er te veel zorgen over dat dit ook gebeurt waar jij, je broer of broertje bij zijn, ook al wordt je moeder misschien niet boos op jullie. Ook maak ik me zorgen over hoe weinig je op school bent en over hoe weinig het lukt om samen te werken voor je moeder, [persoon 1] en [persoon 2] .
Het lukt daardoor al lange tijd niet om goede hulp voor jullie te regelen. Ik weet dat je moeder en de GI van mening verschillen over hoe dat precies komt, maar het belangrijkste is dat die hulp er tot nu toe niet is gekomen. En dat is jammer, want hulp kan jullie juist helpen, en jullie hebben aangegeven hier ook behoefte aan te hebben. Om te praten over wat jullie hebben meegemaakt, en om alles een plek te geven.
[minderjarige 1] gaat nu bij je vader wonen. Jij en [minderjarige 3] gaan naar een groep. Dat betekent dat jullie niet samen op dezelfde plek zullen wonen een tijdje. Ik hoop dat dat snel wel weer zo zal zijn.
Ik weet dat dit een heel moeilijke beslissing is. Ik begrijp goed dat dit niet is wat je had gehoopt. Ik kan me dan ook voorstellen dat je nu boos bent, of denkt dat ik niet goed heb geluisterd. Ik heb echt mijn best gedaan om naar iedereen goed te luisteren, maar iedereen denkt er anders over. Daarom heb ik ook een extra beslissing genomen. Dat was een heel goed idee van je moeder en haar advocaat. Ik heb iemand gevraagd om de tijd te nemen om met jullie allemaal te gaan praten en dan te kijken wat volgens hem het beste is. Hij is een bijzondere curator. Ik heb hem vragen gesteld, die hij gaat beantwoorden als hij met jullie allemaal gepraat heeft. Hij is niet van jeugdzorg, niet van de rechtbank, maar hij is er speciaal voor jou, je broer en broertje. Zijn naam is [persoon 3] . Hij schrijft een verslag voor mij en ik kan dan met dat verslag er extra bij beslissen hoe het verder moet.
Het wordt denk ik een hele spannende tijd voor jou. Ik hoop dat het goed gaat met je.
Met vriendelijke groet,
Tempel
Kinderrechter
Beste [minderjarige 3] ,
Op 24 december 2025 hebben wij met elkaar gepraat. Op 31 december 2025 was de zitting, waar ik met je moeder, haar advocaat en met [persoon 1] en [persoon 2] heb gepraat.
Jij hebt mij heel goed uitgelegd dat jij bij je moeder wilde blijven. Toch is mijn beslissing dat ik jou uit huisplaats; je gaat nu weg bij je moeder en je gaat bij een groep wonen. Dat is in ieder geval tot 19 april 2026.
Ik weet dat dit niet is wat jij mij verteld heb en dus niet wat je wilt. Ik maak me alleen te veel zorgen over de situatie bij je moeder thuis. Ik heb nu zelf meegemaakt dat je moeder boos werd. Daar ben ik van geschrokken. Ik maak het vaker mee dat een vader of moeder boos wordt. Ouders kunnen namelijk heel veel spanning voelen als ze bij mij op de rechtbank zijn. Toch vond ik het anders toen jouw moeder boos werd. Ik maak me er te veel zorgen over dat dit ook gebeurt waar jij, je broer of zus bij zijn, ook al wordt je moeder misschien niet boos op jullie. Ook maak ik me zorgen over hoe weinig je op school bent en over hoe weinig het lukt om samen te werken voor je moeder, [persoon 1] en [persoon 2] .
Het lukt daardoor al lange tijd niet om goede hulp voor jullie te regelen. Ik weet dat je moeder en de GI het niet met elkaar eens zijn over hoe het nou komt dat het niet lukt. Maar het belangrijkste is dat die hulp er tot nu toe niet is gekomen. En dat is jammer, want hulp kan jullie juist helpen. Om te praten over wat jullie hebben meegemaakt, en om alles een plek te geven.
[minderjarige 1] gaat nu bij je vader wonen. Jij en [minderjarige 2] gaan naar een groep. Dat betekent dat jullie niet samen op dezelfde plek zullen wonen een tijdje. Ik hoop dat dat snel wel weer zo zal zijn.
Ik weet dat dit een heel moeilijke beslissing is. Ik begrijp goed dat dit niet is wat je had gehoopt. Ik kan me dan ook voorstellen dat je nu boos bent, of denkt dat ik niet goed heb geluisterd. Ik heb echt mijn best gedaan om naar iedereen goed te luisteren, maar niet iedereen denkt er het zelfde over. Daarom heb ik ook een extra beslissing genomen. Dat was een heel goed idee van je moeder en haar advocaat. Ik heb iemand gevraagd om de tijd te nemen om met jullie allemaal te gaan praten en dan te kijken wat volgens hem het beste is. Hij is een bijzondere curator. Ik heb hem vragen gesteld, die hij gaat beantwoorden als hij met jullie allemaal gepraat heeft. Hij is niet van jeugdzorg, niet van de rechtbank, maar hij is er speciaal voor jou, je broer en zus. Zijn naam is [persoon 3] . Hij schrijft een verslag voor mij en ik kan dan met dat verslag er extra bij beslissen hoe het verder moet.
Het wordt denk ik een hele spannende tijd voor jou. Ik hoop dat het goed gaat met je.
Met vriendelijke groet,
Tempel
Kinderrechter
5.28.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
Inzake C/02/443118 / JE RK 25-2260
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 14 januari 2026 tot 19 april 2026;
Inzake C/02/443115 / JE RK 25-2258
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 14 januari 2026 tot 19 april 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
benoemt – met inachtneming van het hiervoor overwogene – over de minderjarigen
  • [minderjarige 1](roepnaam: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats] ,
  • [minderjarige 2] ,(roepnaam: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats] ,
  • [minderjarige 3](roepnaam: [minderjarige 3] ), geboren op [geboortedag 3] 2015 in [geboorteplaats] ,
tot bijzondere curator:
- mr. J. Nederlof, kantoorhoudende te [woonplaats] ;
6.5.
verzoekt de bijzondere curator om uiterlijk op
donderdag 2 april 2026aan de rechtbank en aan de GI schriftelijk verslag te doen van zijn bevindingen.
Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026 door mr. Tempel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.