ECLI:NL:RBZWB:2026:4785

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/02/441473 / FA RK 25-5625
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:251 BWArt. 1:251a lid 1 BWArt. 1:253n BWVerordening (EU) nr. 2019/1111
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag wegens afwezigheid moeder

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 30 april 2026 het verzoek van de vader om het gezamenlijk gezag over zijn minderjarige kind te wijzigen in eenhoofdig gezag. De moeder, die vermoedelijk in Egypte woont met een nieuw gezin, is niet verschenen en onderhoudt geen contact met het kind of de vader.

De rechtbank stelde vast dat de moeder sinds april 2025 afwezig is in het leven van het kind en geen bijdrage levert aan de verzorging en opvoeding. Hierdoor is een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening niet mogelijk. De vader voert feitelijk het gezag alleen uit en ervaart problemen bij het nemen van beslissingen waarvoor toestemming van de moeder nodig is.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde het verzoek toe te wijzen, mede vanwege het belang van het kind en de noodzaak dat de vader zelfstandig beslissingen kan nemen. De rechtbank oordeelde dat het in het belang van het kind is het gezag aan de vader toe te wijzen en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De kosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt het gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag voor de vader wegens afwezigheid en het ontbreken van contact van de moeder met het kind.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/441473 / FA RK 25-5625
Datum uitspraak: 30 april 2026
Beschikking over wijziging ouderlijk gezag
in de zaak van
[de man],
hierna: de man,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. I. Lamou in Breda,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) op een adres in [plaats] ,
feitelijk verblijvende op een onbekende woon- of verblijfplaats in of buiten Nederland,
over het minderjarig kind van partijen:
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] (Syrië),
op [geboortedag] 2018, hierna: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1.
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 29 oktober 2025 ontvangen verzoek, met bijlagen;
- het F9D-formulier van mr. Lamou van 18 november 2026, met bijlagen;
- de aangetekende oproepbrief van de griffier van 20 januari 2026 aan de vrouw;
- de oproepbrief per gewone post van de griffier van 20 januari 2026 aan de vrouw;
- de oproep van de vrouw door de griffier van deze rechtbank in de Staatscourant van 29 januari 2026.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 30 april 2026. Bij die behandeling zijn verschenen de man, met zijn advocaat. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.
De vrouw is niet verschenen. Voormelde oproepbrief per gewone post aan de vrouw is op 26 januari 2026 bij de rechtbank retour ontvangen onder vermelding van “Geen brievenbus. Slot op brievenbus door verhuurder!”. Voormelde aangetekende oproepbrief aan de vrouw is op 9 februari 2026 bij de rechtbank retour ontvangen onder vermelding van “Niet afgehaald”. De vrouw is ten behoeve van de zitting van heden eveneens opgeroepen in de Staatscourant van 29 januari 2026. De rechtbank stelt gelet op het voorgaande vast dat de vrouw juist is opgeroepen, maar niet ter zitting verschenen is.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van
4 juni 2024 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 21 juni 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.
2.2.
Tijdens het huwelijk van partijen is [minderjarige] geboren.
2.3.
Bij voormelde beschikking van 4 juni 2024 is bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de man heeft.
2.4.
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .
2.5.
Beide partijen en [minderjarige] hebben de Syrische nationaliteit.

3.Het verzoek en het standpunt van de man

3.1.
De man verzoekt dat de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bepaalt dat hij voortaan alleen belast zal zijn met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
3.2.
Ter toelichting op zijn verzoek stelt de man dat partijen nadat de vrouw en [minderjarige] in het kader van gezinshereniging naar Nederland zijn gekomen, uiteen zijn gegaan. Alle betrokken personen hebben formeel hun woonplaats in het rechtsgebied van deze rechtbank. Nu zij in Nederland verblijven is de Nederlandse rechter en deze rechtbank bevoegd om van het verzoek kennis te nemen. In het kader van de echtscheidingsprocedure is bepaald dat partijen afspraken dienen te maken over het herstel en de invulling van de zorg- en contactregeling tussen de vrouw en [minderjarige] . Dit is niet naar behoren verlopen. De vrouw is omstreeks april 2025 vertrokken naar het buitenland. Voor zover de man weet verblijft zij in Egypte met haar nieuwe echtgenoot en hun beider kind. Sinds haar vertrek naar het buitenland weigert de vrouw ieder contact met de man en heeft zij ook geen contact met [minderjarige] gezocht. [minderjarige] vraagt niet naar de vrouw. De man praat ook niet met [minderjarige] over de vrouw. Hiertoe is geen aanleiding en het heeft ook invloed op de gemoedstoestand van [minderjarige] . Wanneer de vrouw aangeeft dat zij contact met [minderjarige] wil, zal hij dat zeker toestaan.
3.3.
De man meent dat hij belast dient te worden met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . Er is geen sprake van een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. De vrouw is feitelijk afwezig in het leven van [minderjarige] en zij is niet bereikbaar, ook niet via haar familie. Hierdoor kunnen gezagsbeslissingen niet samen worden genomen. De man heeft de dagelijkse verzorging en opvoeding over [minderjarige] . De vrouw heeft daaraan nooit bijgedragen. In Syrië liet zij dit over aan oma, moederszijde. De man voert feitelijk alleen het gezag over [minderjarige] uit, waarbij hij alle beslissingen ten aanzien van [minderjarige] alleen neemt. Door de afwezige houding van de vrouw ervaart de man problemen in het uitoefenen van het ouderlijk gezag. Tijdens het verblijf van de vrouw in Nederland was Care Forward bij het gezin betrokken. Deze organisatie heeft verklaard dat de vrouw niet capabel is om met [minderjarige] om te gaan en haar op te voeden. Tot op heden is de toestemming van de vrouw voor het regelen voor zaken voor [minderjarige] niet nodig geweest. De man wil echter met [minderjarige] op vakantie, zij moet worden ingeschreven op een school en haar paspoort gaat verlopen, waardoor zij binnenkort een nieuwe nodig heeft.

4.Het standpunt en advies van de Raad

4.1.
Van de zijde van de Raad is naar voren gebracht dat het jammer is dat de man de door hem genoemde verklaring van Care Forward niet heeft overgelegd. [minderjarige] vraagt volgens de man niet naar de vrouw, maar dat wil niet zeggen dat [minderjarige] hier niet mee bezig is. Dergelijke vragen gaan er zeker komen. De vrouw is ineens uit het leven van [minderjarige] verdwenen, dat is een traumatische ervaring. De man moet beseffen dat er ruimte moet zijn voor [minderjarige] om haar vragen over de vrouw te kunnen stellen, ook als de vrouw niets van zich laat horen. Wanneer de vrouw echter toch contact met [minderjarige] zou zoeken is het belangrijk dat de man dit contact toestaat. Verder is het van belang dat de man zelf beslissingen kan nemen, bijvoorbeeld voor een vakantie met [minderjarige] in het buitenland of als er een medische situatie ten aanzien van haar voordoet. De man moet dan de nodige regelingen kunnen treffen. Het advies is dan ook om het verzoek toe te wijzen.

5.De beoordeling

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1.
Gelet op de nationaliteit van partijen en [minderjarige] heeft deze zaak een internationaal karakter, zodat eerst de vraag beantwoord dient te worden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en, zo ja, welk recht daarop van toepassing is.
5.2.
De internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter ten aanzien van de in deze zaak verzochte wijziging van het ouderlijk gezag dient te worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in Verordening (EU) nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid en betreffende internationale kinderontvoering (hierna: Brussel II-ter).
5.3.
Op grond van artikel 7 lid 1 Brussel Pro II-ter zijn in zaken zoals deze, die de ouderlijke verantwoordelijkheid betreffen, bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Uit de stukken blijkt dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] ten tijde van het indienen van het verzoek in Nederland was gelegen. Op grond van artikel 7 lid 1 Brussel Pro II-ter is de Nederlandse rechter daarom bevoegd kennis te nemen van het verzoek.
5.4.
Op grond van artikel 15 van Pro het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijk recht, de erkenning de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996), oefenen de autoriteiten de hun gegeven bevoegdheid uit onder toepassing van hun interne recht. Dat betekent dat de Nederlandse rechter het verzoek met toepassing van Nederlands recht beoordeelt.
5.5.
Op grond van artikel 16 lid 1 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het recht van de gewone verblijfplaats van het kind van toepassing op de vraag of partijen van rechtswege met het ouderlijk gezag zijn belast. Aangezien [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, is het Nederlandse recht van toepassing.
5.6.
Op grond van artikel 1:251 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) zijn partijen belast met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] .
Inhoudelijke beoordeling
5.7.
In artikel 1:253n BW staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dan kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen hij het gezamenlijk gezag heeft vastgesteld. In dat geval beslist de rechtbank wie van de ouders voortaan alleen het gezag over [minderjarige] krijgt.
5.8.
Op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden.
Ten tijde van de echtscheiding van partijen is bepaald dat zij in onderling overleg afspraken moeten maken die betrekking hebben op het herstel en de invulling van de zorg- en contactregeling tussen de vrouw en [minderjarige] . Nadien is echter gebleken dat dit proces niet of onvoldoende van de grond is gekomen. De vrouw is naar het buitenland vertrokken, zij is niet betrokken bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] , zij geeft geen invulling aan een gezamenlijke gezagsuitoefening en zij heeft/zoekt geen enkel contact met [minderjarige] .
De man kan dan ook worden ontvangen in zijn verzoek.
5.9.
Nu naar het oordeel van de rechtbank sprake is van gewijzigde omstandigheden zal vervolgens dienen te worden beoordeeld of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk gezag. Van toepassing is dan artikel 1:251a lid 1 BW. Hierin staat dat de rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind erg klem komt te zitten tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert of als een verandering van het gezag op een andere manier in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.10.
Uitgangspunt van de wet is dat ouders ook na hun echtscheiding belast blijven met het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind(eren). Voor een gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind(eren) in gezamenlijk overleg kunnen nemen.
5.11.
Van deze situatie is naar het oordeel van de rechtbank echter geen sprake. Nu de vrouw zich niet heeft verweerd volgt de rechtbank hierin het relaas zoals dit door de man is aangegeven. Nadat de vrouw en [minderjarige] in het kader van gezinshereniging naar Nederland zijn gekomen, heeft de vrouw slechts korte tijd op het adres van de man ingeschreven gestaan. [minderjarige] zelf staat sinds haar komst in Nederland op het adres van de man ingeschreven. Na het uiteengaan van partijen is de invulling van de zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] niet goed verlopen. In april 2025 is de vrouw uit Nederland vertrokken, vermoedelijk naar Egypte. Zij heeft sindsdien ieder contact met de man geweigerd. Ook zoekt zij geen contact met [minderjarige] . De vrouw vraagt niet aan de man en [minderjarige] hoe het met [minderjarige] gaat, zij draagt niet bij aan de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en zij geeft geen uitvoering aan haar ouderlijk gezag over [minderjarige] . De man weet niet waar de vrouw feitelijk verblijft, hij heeft geen gegevens van haar en de vrouw is voor hem niet bereikbaar. Ook via haar familie is de vrouw voor de man niet te bereiken. Als vaststaand wordt aangenomen dat de vrouw niet woonachtig is op haar BRP-adres. Zij is, hoewel daartoe juist opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Evenmin heeft zij zich laten vertegenwoordigen en/of haar standpunt schriftelijk ingediend.
5.12.
De man heeft de dagelijkse zorg voor [minderjarige] en hij neemt alle beslissingen ten aanzien van haar alleen. Hij voert feitelijk alleen het gezag over [minderjarige] uit. Door de afwezigheid van de vrouw ervaart de man problemen in de uitvoering van zijn gezag. Hij loopt er nu tegenaan dat hij regelingen ten aanzien van [minderjarige] moet treffen waarvoor de toestemming van de vrouw nodig is. Zo wil hij met [minderjarige] op vakantie naar het buitenland, moet [minderjarige] worden ingeschreven op een school en verloopt binnenkort haar paspoort. De man kan de vrouw op geen enkele wijze bereiken om de vereiste toestemming te verlenen. Buiten het feit dat de vrouw niet bereikbaar is, is de vrouw al geruime tijd uit het leven van [minderjarige] verdwenen. De vrouw is niet op de hoogte van hoe het met [minderjarige] gaat, hoe zij zich ontwikkelt en wat haar bezighoudt. Zij is dan ook niet in staat om op een wijze die in het belang van [minderjarige] is uitvoering te geven aan haar ouderlijk gezag. Daarnaast zijn er ook de nodige risico’s aan het ontbreken van de gezagsuitoefening door de vrouw. Zo kan er een (acute) medische situatie bij [minderjarige] ontstaan, waarbij (direct) ingrijpen vereist is. In de huidige situatie van gezamenlijk gezag kan de man daarvoor zelfstandig geen regelingen treffen. Dit belemmert het welzijn van [minderjarige] en dat is niet in haar belang.
5.13.
Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat in deze, mede gezien het advies van de Raad, van het wettelijk uitgangspunt moet worden afgeweken. Het in stand houden van het gezamenlijk gezag van partijen vormt en onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren zou raken tussen partijen en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, dan wel is wijziging van het gezag anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk. Het belang van [minderjarige] brengt mee dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. Het verzoek van de man zal dan ook worden toegewezen als na te melden.
5.14.
De rechtbank geeft nog aan de man mee dat het voor de (identiteits)ontwikkeling van [minderjarige] belangrijk is dat zij weet wie haar moeder is. Het is aan de man om het onderwerp ‘moeder’ levend te houden, zodat [minderjarige] de vrijheid kan voelen om over haar moeder te praten en vragen over haar te stellen. Het spreekt voor zich dat de man deze vragen beantwoordt. Wanneer de vrouw contact met [minderjarige] zoekt of [minderjarige] naar contact met de vrouw vraagt, is het van belang dat de man dat toestaat. Dit heeft hij tijdens de zitting ook toegezegd.
5.15.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.16.
Omdat partijen ex-echtgenoten van elkaar zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij haar eigen kosten moet dragen.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
bepaalt dat de man voortaan alleen het gezag heeft over [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] (Syrië) op [geboortedag] 2018;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 15 mei 2026.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.