ECLI:NL:RBZWB:2026:4784

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/02/446835 / JE RK 26-593
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Verschoor-Bergsma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in jeugdhulpaccommodatie toegewezen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2010, die onder toezicht staat sinds 2016. De minderjarige verblijft tijdelijk bij opa en oma vanwege verbouwingen, maar de thuissituatie bij de moeder biedt onvoldoende structuur en sturing. Diverse eerdere machtigingen tot uithuisplaatsing zijn verleend en verlengd, waarbij de laatste machtiging verviel omdat deze niet binnen drie maanden werd uitgevoerd.

Tijdens de mondelinge behandeling gaf de minderjarige aan liever zelfstandig te willen wonen en niet in de huidige behandelgroep te willen verblijven vanwege drugsgebruik en negativiteit. De GI benadrukte het belang van een kamertrainingstraject en het aanleren van zelfstandigheidsvaardigheden binnen de regio Zeeland, met een plek beschikbaar bij een behandelgroep die ook diagnostisch onderzoek kan uitvoeren.

De moeder is tegen de machtiging en stelt dat de thuissituatie veilig is en dat de minderjarige geen drugs meer gebruikt thuis. Zij wil systeemtherapie vanuit huis en vreest dat een groepsplaatsing het drugsgebruik en het niet naleven van regels zal bevorderen.

De kinderrechter oordeelt dat de machtiging noodzakelijk is vanwege de zorgen over de opvoedomgeving, het zelfbepalend gedrag van de minderjarige en het ontbreken van voldoende sturing thuis. Een professionele opvoeder in een veilige woonomgeving is vereist. De machtiging wordt verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 25 oktober 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tevens wordt een e-mail aan de minderjarige gestuurd met de overwegingen van de beschikking.

Uitkomst: De kinderrechter verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 25 oktober 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446835 / JE RK 26-593
Datum uitspraak: 30 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M. Kalle uit Middelburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van 30 maart 2026, ontvangen op 1 april 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.
Daarnaast heeft de kinderrechter aan mw. [persoon] , een collega van de griffie, bijzondere toestemming verleend om de mondelinge behandeling bij te wonen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover 28 april 2026 een gesprek gevoerd met de kinderrechter.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 25 oktober 2016 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 25 oktober 2016 en tot 25 oktober 2017. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 22 oktober 2025 met ingang van 25 oktober 2025 en tot 25 oktober 2026.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 25 januari 2021 is ten behoeve van [minderjarige] een machtiging tot uithuisplaatsing verleend bij een persoon uit het netwerk voor de duur van negen maanden, met ingang van 25 januari 2021 en tot 25 oktober 2021. Het resterende deel van het verzoek van de GI is afgewezen.
2.5.
De beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 13 oktober 2021 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 25 oktober 2021 en tot 25 oktober 2022.
2.6.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 21 oktober 2022 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin verlengd tot 25 oktober 2023.
2.7.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 19 oktober 2023 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd voor de duur van één maand, te weten met ingang van 25 oktober 2023 en tot 25 november 2023. Het resterende deel van de verzoeken is aangehouden.
2.8.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 9 november 2023 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 25 november 2023 en tot 25 oktober 2024.
2.9.
Bij beschikking van 23 oktober 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verlengd dan wel een machtiging verleend voor een instelling voor jeugdhulp (gezinshuis) met ingang van 25 oktober 2024 en tot 25 oktober 2025.
2.10.
Bij beschikking van 22 oktober 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 25 oktober 2025 en tot 25 oktober 2026. Deze machtiging tot uithuisplaatsing is, gelet op het feit dat deze gedurende drie maanden niet ten uitvoer is gelegd, vervallen.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige] vertelt, samengevat, tijdens het gesprek met de kinderrechter dat zij nu tijdelijk bij haar opa en oma verblijft in verband met verbouwingen in de woning van de moeder. Ze wil hier graag weg, want dit is geen goede plek voor haar. Wonen bij de moeder is ook geen optie. [minderjarige] wil het liefst zelfstandig wonen, zodat ze een rustige ruimte voor zichzelf heeft en zich daar kan ontwikkelen. [minderjarige] heeft een kennismaking gehad met de groep van [hulpverlening] . Ze kent er veel mensen en er is daar veel drugsgebruik en negativiteit. Ze wil daarom niet op de groep blijven. [minderjarige] zou het fijn vinden als ze op de groep kan oefenen met zelfstandigheidsvaardigheden, want haar doel is zelfstandig wonen. Tot slot zou ze graag een diagnostisch onderzoek willen, zodat duidelijk wordt welke hulp [minderjarige] nodig heeft, maar ze wil niet dat dit haar doel vertraagt.
4.2.
De GI handhaaft het verzoek en licht, aanvullend op de overgelegde stukken, toe dat [minderjarige] een kamertrainingstraject wil, hetgeen bij [hulpverlening] mogelijk is. [minderjarige] wisselt veel in haar wens over waar ze wil verblijven. Een plaatsing buiten de regio Zeeland is geen optie, aangezien ze ook buiten Zeeland vermoedelijk sociale problemen met andere jongeren zal krijgen. Ook kan de GI het moeilijk verantwoorden bij een andere gemeente als er bij [hulpverlening] een plek voor [minderjarige] wordt vrijgehouden. De groep van [hulpverlening] betreft een behandelgroep, wat maakt dat tevens een diagnostisch onderzoek kan worden gedaan. [minderjarige] moet de kans krijgen om te laten zien dat zij zich aan afspraken kan houden. Daarnaast licht de GI toe dat er al veel hulpverlening in de thuissituatie van de moeder is ingezet, maar dat het niet is gelukt om het patroon te doorbreken. [minderjarige] wil graag werken naar zelfstandigheid en staat niet meer open voor hulp in de thuissituatie. Het is van belang dat [minderjarige] eerst basisvaardigheden leert bij [hulpverlening] , voordat zij kan doorstromen naar een studio.
4.3.
Door en namens de moeder wordt ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat het op het ene moment goed ging met [minderjarige] bij de moeder thuis, maar op een ander moment ging [minderjarige] naar vrienden van [hulpverlening] om drugs te gebruiken. Daarom is de moeder het niet eens met de machtiging tot uithuisplaatsing en stelt ze zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Bij de moeder thuis gebruikt [minderjarige] al een tijdje geen drugs meer. [minderjarige] moet zo min mogelijk in aanraking komen met vrienden die drugs gebruiken. Ook moet worden voorkomen dat [minderjarige] steeds weer moet verhuizen. De moeder wil graag vanuit huis systeemtherapie volgen. [minderjarige] werkt nu en gaat naar school. Met de leerplichtambtenaar is afgesproken dat [minderjarige] voor de basisvakken een certificaat moet halen, zodat ze hier op het mbo profijt van kan hebben. De thuissituatie van de moeder is veilig genoeg voor [minderjarige] . Tot slot verwacht de moeder dat [minderjarige] op een groep meer zelfstandigheid zal zoeken, zich niet zal houden aan de regels en meer drugs zal gebruiken.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op basis van het bepaalde in artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op diens verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
Op basis van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is. Dit licht de kinderrechter als volgt toe.
5.3.
De kinderrechter stelt allereerst vast dat [minderjarige] momenteel tijdelijk bij haar opa en oma verblijft, omdat de woning van de moeder verbouwd wordt. Het is de kinderrechter gebleken dat er zorgen zijn over de opvoedomgeving van de moeder. Het lukt de moeder onvoldoende om de nodige structuur aan te brengen, het huishouden te plannen, de woning schoon te houden en [minderjarige] in haar gedrag aan te sturen en te begrenzen. [minderjarige] vertoont thuis zelfbepalend gedrag en is zeer beïnvloedbaar, hetgeen maakt dat er zorgen zijn dat [minderjarige] uiteindelijk niet meer naar school gaat, middelen blijft gebruiken en in aanraking komt met mensen met verkeerde bedoelingen. In de thuissituatie van de moeder ontvangt [minderjarige] onvoldoende sturing en kaders. Er zijn al veel hulpverleningstrajecten ingezet, maar het is niet gelukt om voornoemde patronen te doorbreken. [minderjarige] behoeft sturing en begrenzing van een professionele opvoeder met voldoende opvoedvaardigheden. Ook is het van belang dat [minderjarige] ondersteuning krijgt bij het maken van keuzes, het nakomen van afspraken en het vasthouden van structuur. Een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder kan aan de opvoedbehoeften van [minderjarige] voldoen, nu dit een langdurig veilige woonomgeving betreft.
5.4.
Het is de kinderrechter gebleken dat er per direct een plek beschikbaar is voor [minderjarige] bij een behandelgroep van [hulpverlening] . Een plaatsing bij [hulpverlening] is nodig, zodat [minderjarige] kan laten zien dat ze de noodzakelijke zelfstandigheidsvaardigheden heeft of leert, om stappen te zetten richting zelfstandigheid. Haar grote wens is immers om zelfstandig te gaan wonen. Dit vindt de kinderrechter een goed doel om aan te werken. Tijdens de mondelinge behandeling is door de GI toegelicht dat [hulpverlening] begeleiding aanbiedt bij het aanleren van basisvaardigheden, het nakomen van afspraken en het vasthouden van structuur. Ook is het mogelijk om bij [hulpverlening] toe te werken naar zelfstandig wonen, aangezien [hulpverlening] ook beschikt over studio’s. Tevens vindt de kinderrechter het belangrijk dat er een psychologisch onderzoek wordt gedaan, zodat duidelijk wordt welke hulpverlening [minderjarige] nodig heeft om haar te helpen bij het werken naar zelfstandigheid. Op de groep van [hulpverlening] kan een psychologisch onderzoek en een mogelijke behandeling plaatsvinden. Ook kan bekeken worden hoe het contact tussen [minderjarige] en haar moeder op een voor [minderjarige] fijne manier kan worden vormgegeven.
5.5.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 25 oktober 2026.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Bericht aan [minderjarige]
5.7.
De kinderrechter vindt het tot slot belangrijk om [minderjarige] een e-mailbericht te sturen met daarin de overwegingen uit deze beschikking, zodat [minderjarige] weet waarom deze beslissing is genomen en wat het doel is van de komende periode.
6.
De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 30 april 2026 en tot 25 oktober 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, in het openbaar uitgesproken en op schrift gesteld op 30 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.