ECLI:NL:RBZWB:2026:4779

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/02/439645 / JE RK 25-1637
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van Gessel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in pleegzorg voor minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een pleegzorgvoorziening. De minderjarige verblijft sinds november 2025 bij pleegouders, nadat hij onder toezicht werd gesteld vanwege zorgen over zijn veiligheid en welzijn.

De GI benadrukt dat ondanks een negatief screeningsadvies de plaatsing bij de pleegouders momenteel het beste is voor de minderjarige, die zich daar positief ontwikkelt. Er is sprake van onrust door wisselende beschuldigingen van seksueel misbruik door de moeder richting de pleegvader, wat het contact tussen de kinderen bemoeilijkt. De moeder en pleegouders zijn het eens met verlenging van de uithuisplaatsing.

De kinderrechter overweegt dat de machtiging noodzakelijk blijft in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De GI wordt opgedragen het perspectief van de minderjarige te onderzoeken en helderheid te scheppen over de situatie. De minderjarige wordt voorlopig niet opnieuw uitgenodigd voor een kindgesprek vanwege spanningen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de machtiging verlengd tot 4 november 2026.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 4 november 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/439645 / JE RK 25-1637
Datum uitspraak: 30 april 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M. Hofland uit Breda,
DE HEER EN MEVROUW [de pleegouders],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de in deze zaak gegeven beschikking van 23 oktober 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • het bericht met bijlagen van de GI van 21 maart 2026, ontvangen op 24 maart 2026.
1.2.
Op 30 april 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI;
- de pleegouders.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De vader is vanaf de geboorte van [minderjarige] uit beeld.
2.2.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 4 november 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Laatstelijk, bij beschikking van 23 oktober 2025, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd, met ingang van 4 november 2025 tot 4 november 2026.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 oktober 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 4 november 2025 tot 4 mei 2026. [minderjarige] verblijft op grond van deze machtiging bij de grootouders (mz).

3.Het (resterende) verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. Hoewel er een negatief screeningsadvies is afgegeven is de GI van mening dat de uithuisplaatsing bij de pleegouders op dit moment het beste voor [minderjarige] is. [minderjarige] doet het goed bij de pleegouders en ontwikkelt zich positief. [minderjarige] heeft veel last van de gebeurtenissen uit het verleden en de uithuisplaatsing in april 2025 toen hij weg werd gehaald bij de pleegouders. [minderjarige] is nog niet klaar voor een EMDR-traject. In afwachting van dit traject is hij daarom op de wachtlijst gezet voor paardentherapie.
4.2.
De moeder heeft de pleegvader beschuldigd van seksueel misbruik in het verleden. Deze beschuldiging heeft zij op de zitting van 23 oktober 2025 ingetrokken. Vervolgens heeft de moeder in een later gesprek met de GI wederom aangegeven dat in het verleden sprake is geweest van seksueel misbruik. De moeder geeft in dat gesprek echter ook aan dat zij met geen mogelijkheid kan bedenken dat haar kinderen onveilig zijn bij de pleegouders. Dit in combinatie met de verdenking van seksueel misbruik bij het broertje ( [naam 1] ) en zusje ( [naam 2] ) van [minderjarige] maakt het lastig om het contact tussen de kinderen op te starten. De pleegouders ontkennen dat sprake is geweest van seksueel misbruik. De GI is door dit alles wederom in een spagaat terecht gekomen. Als er één duidelijk verhaal zou zijn, zou de GI met de moeder en de pleegouders afspraken kunnen maken, maar dit kan niet omdat de moeder continu van verhaal wisselt. De GI zou graag het perspectief van [minderjarige] willen bepalen, maar dat kan niet zo lang de moeder van standpunt blijft wisselen. Het zou veel onrust bij [minderjarige] wegnemen als hij duidelijkheid krijgt over zijn toekomst.

5.De standpunten van belanghebbenden

5.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in het verzoek. Het perspectief van [minderjarige] ligt volgens de moeder bij de pleegouders. De moeder zou graag zien dat [minderjarige] doordeweeks bij de pleegouders verblijft en in het weekend naar haar toe komt. [minderjarige] wil zelf ook graag bij de pleegouders blijven. Hij heeft veel meegemaakt, maar het gaat naar omstandigheden goed met hem sinds hij weer bij de pleegouders verblijft. Hij heeft veel structuur nodig en de pleegouders bieden hem dit.
5.2.
Door en namens de pleegouders is, samengevat, naar voren gebracht dat zij het eens zijn met het verzoek. [minderjarige] kan bij de pleegouders blijven. [minderjarige] heeft veel meegemaakt en is toe aan duidelijkheid. De pleegouders hopen dat er snel duidelijkheid komt over het perspectief van [minderjarige] . [minderjarige] geeft aan dat hij zijn broertje, zusje en moeder veel mist. Voorheen kwam [naam 1] eens in de vier weken ook een weekend bij de pleegouders, maar dat mag niet meer van de GI omdat [naam 1] gedrag zou hebben getoond dat niet bij zijn leeftijd past. [minderjarige] is niet naar het kindgesprek met de kinderrechter gekomen omdat hij dicht klapte toen de pleegouders ernaar vroegen. Het doet veel met [minderjarige] omdat de kinderrechter hem in 2025 uit huis heeft geplaatst, weg van de pleegouders. [minderjarige] was de afgelopen dagen heel gespannen.

6.De (nadere) beoordeling

Wettelijk kader
6.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
6.3.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt.
[minderjarige] heeft veel last van de gebeurtenissen uit het verleden en de uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Er bestaat veel onrust in het systeem rondom de beschuldiging van de moeder dat de pleegvader haar seksueel misbruikt heeft in het verleden. Dit in combinatie met de zorgen over het seksuele misbruik van [naam 1] en [naam 2] én daar bovenop het negatieve screeningsadvies maken dat de zorgen over het veiligheid en welzijn van [minderjarige] nog niet volledig zijn weggenomen. [minderjarige] is het afgelopen jaar uitgevallen op school maar is in januari 2026 gestart bij [school] . Bij de pleegouders gaat het goed met [minderjarige] . Hij ontwikkelt zich op een positieve manier. De pleegouders bieden [minderjarige] de structuur die hij nodig heeft.
Hoewel er stappen in de goede richting zijn gezet kan [minderjarige] op dit moment nog niet teruggeplaatst worden bij de moeder. De machtiging tot uithuisplaatsing is daarom noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige]
6.4.
De kinderrechter merkt op dat het aan de GI is om een manier te bedenken hoe “het verhaal” rondom de eerder gedane beschuldiging van de moeder richting de pleegvader zo helder mogelijk wordt. De GI zal hierover het gesprek met de moeder en de pleegouders aan moeten gaan. [minderjarige] merkt dat er onrust is in het systeem, terwijl hij juist heel hard toe is aan rust en stabiliteit. Het is voor [minderjarige] belangrijk dat zo snel mogelijk duidelijk wordt wat het perspectief van [minderjarige] is, ook als ondanks alle pogingen om daarover duidelijkheid te krijgen, niet helemaal helder wordt wat er nu wel of niet in het verleden is gebeurd rond seksueel misbruik. De moeder en de pleegouders hebben op zitting aangegeven wat hun standpunt is met betrekking tot het perspectief van [minderjarige] . Het is aan de GI om in de periode tot 4 november 2026 te onderzoeken wat het perspectief is zodat daarover een weloverwogen beslissing kan worden genomen. Deze beslissing is eigenlijk al over tijd. Daarnaast is het van belang dat de GI de komende tijd onderzoekt wat er nodig is voor de uitbreiding van de omgang van de moeder met [minderjarige] .
6.5.
Nu de pleegouders hebben aangegeven dat [minderjarige] te gespannen was om naar het kindgeprek te komen zal de kinderrechter [minderjarige] voor een volgende zitting niet uitnodigen voor een kindgesprek. Het is belangrijk om zijn mening te horen, maar het is niet de bedoeling dat het kindgesprek [minderjarige] juist meer spanningen oplevert. Uiteraard mag [minderjarige] wel een brief sturen naar de rechtbank. Als [minderjarige] tegen die tijd alsnog een gesprek wil met de kinderrechter zal dat alsnog worden geregeld.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.6.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.7.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 4 mei 2026 tot 4 november 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
7.3.
de kinderrechter zal [minderjarige] voor de volgende zitting niet opnieuw uitnodigen om zijn mening kenbaar te maken tijdens een kindgesprek, tenzij hij zelf aangeeft dat wel te willen.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 26 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.