ECLI:NL:RBZWB:2026:4775

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 mei 2026
Zaaknummer
C/02/446664 / JE RK 26-562
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Duinhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c, tweede lid, BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing met hoorrecht pleegouders

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 29 april 2026 een beschikking gegeven over de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarigen. De GI verzocht om verlenging van beide maatregelen voor een jaar. De kinderrechter constateerde dat de moeder niet structureel de benodigde stabiliteit kan bieden en dat de minderjarigen daardoor in hun ontwikkeling worden bedreigd.

De machtiging tot uithuisplaatsing van de twee minderjarigen die in pleeggezinnen verblijven werd verlengd tot 11 augustus 2026. Voor de derde minderjarige, die sinds maart 2026 bij de vader verblijft, werd de verlenging van de machtiging afgewezen omdat het perspectiefonderzoek bij de vader positief verloopt. De kinderrechter besloot de duur van de maatregelen te beperken en stelde vast dat de pleegouders ten onrechte niet als belanghebbenden waren aangemerkt, waardoor zij alsnog in de gelegenheid worden gesteld om te worden gehoord.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en aangehouden tot een mondelinge behandeling waarbij ook de wensen van de kinderen over contact met ouders en elkaar worden besproken. De GI moet vooraf een briefrapport overleggen. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing worden verlengd voor twee minderjarigen, de machtiging voor de derde wordt afgewezen, en pleegouders worden als belanghebbenden aangewezen voor hoorrecht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446664 / JE RK 26-562
Datum uitspraak: 29 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING,
gevestigd te Eindhoven,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2010 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3],
geboren op [geboortedag 3] 2009 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het gewijzigde verzoekschrift met bijlagen van de GI van 2 april 2026, ontvangen op 2 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- twee vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 2] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. [minderjarige 3] en [minderjarige 1] hebben een e-mailbericht gestuurd naar de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 3] hebben geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 3] . Bij
beschikking van 7 mei 2024 zijn de ouders eveneens gezamenlijk belast met het ouderlijk
gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .
2.2.
Bij beschikking van 15 februari 2023 zijn [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , voorlopig onder toezicht gesteld tot 1 maart 2023. Het verzoek van de Raad is voor het overige aangehouden
tot de mondelinge behandeling van 28 februari 2023. Bij beschikking van 28 februari 2023
heeft de kinderrechter de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1]
verlengd met ingang van 1 maart 2023 en tot 15 mei 2023.
2.3.
Bij beschikking van 11 mei 2023 zijn [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 11 mei 2023 en tot 11 mei 2024. Deze maatregel is nadien steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 8 mei 2025, tot 11 mei 2026.
2.4.
Bij beschikking van 17 augustus 2023 is er met spoed een brede machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verleend met ingang van 17 augustus 2023 en tot
31 augustus 2023, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden.
2.5.
Bij beschikking van 23 augustus 2023 is de machtiging tot uithuisplaatsing van
[minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening van pleegzorg verlengd met ingang van 31
augustus 2023 en tot 17 februari 2024. Deze maatregel is nadien steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 8 mei 2025, tot 11 mei 2026.
2.6.
[minderjarige 3] en [minderjarige 1] verblijven op basis van voornoemde beslissing in (verschillende) pleeggezinnen. [minderjarige 2] verblijft sinds maart 2026 bij de vader.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De beoordeling

4.1.
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat vooralsnog wordt voldaan aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg van [minderjarige 3] en [minderjarige 1] . [1] Het verzoek van de GI om de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] te verlengen wordt afgewezen. De kinderrechter legt deze beslissing hierna uit.
4.2.
De kinderrechter is van oordeel dat de minderjarigen nog steeds in hun ontwikkeling worden bedreigd. In de afgelopen periode heeft het perspectiefonderzoek vanuit De GezinsManager (DGM) bij de moeder plaatsgevonden. Hieruit is naar voren gekomen dat de minderjarigen door verschillende gebeurtenissen in het verleden en hun specifieke ontwikkelingsbehoefte meer voorspelbaarheid en stabiliteit nodig hebben dan hun leeftijdsgenoten. De moeder kan dit niet structureel bieden en hierdoor is de conclusie dat de minderjarigen niet volledig bij de moeder kunnen wonen. Het perspectiefonderzoek bij de vader loopt nog en zal naar verwachting in mei/juni 2026 afgerond zijn. Dit onderzoek verloopt positief en [minderjarige 2] verblijft inmiddels sinds maart 2026 bij de vader nadat het netwerkpleeggezin de pleegzorgplaatsing heeft beëindigd. Om die reden is een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] niet meer aan de orde en zal het verzoek worden afgewezen. Een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige 3] en [minderjarige 1] is echter wel nog noodzakelijk totdat in ieder geval de resultaten van het perspectiefonderzoek bij de vader bekend zijn.
4.3.
De kinderrechter zal echter wel de duur van de maatregelen beperken. De pleegouders van [minderjarige 3] en [minderjarige 1] zijn ten onrechte niet aangemerkt als belanghebbenden en dienen in de gelegenheid te worden gesteld om te worden gehoord. Daarnaast vindt de kinderrechter het ook belangrijk om de vader, de moeder en de kinderen nogmaals in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord. Eventueel telefonisch of via een teamsverbinding gelet op de reisafstand van de vader en [minderjarige 2] . Het resterende deel van het verzoek tot het verlengen van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] en [minderjarige 1] zal gelet op het voorgaande worden aangehouden tot de mondelinge behandeling op
[datum] 2026 om [uur] .Uiterlijk een week voorafgaand aan deze datum dient de GI een briefrapport aan de kinderrechter en de belanghebbenden te overleggen waarin de ontwikkelingen van de afgelopen tijd worden beschreven en waarbij de GI aangeeft of zij het restantverzoek nog handhaaft.
4.4.
Tijdens die behandeling zal ook aandacht worden besteed aan de wensen van de kinderen over hun contacten met de ouders en met elkaar. [minderjarige 1] heeft in het e-mailbericht aangegeven dat hij graag bij zijn vader wil wonen als dat kan, maar dat hij ook elke week zijn moeder wil zien. [minderjarige 3] vindt het belangrijk dat zij haar vader elke maand kan zien. Ook wil zij graag haar broertje en zusje blijven zien en wil zij dat hier duidelijke afspraken over worden gemaakt. De kinderrechter vindt het belangrijk dat dit door de GI snel wordt opgepakt, zodat de minderjarigen elkaar regelmatig en op een veilige manier kunnen zien.
4.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.6.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met ingang van 11 mei 2026 en tot 11 augustus 2026;
5.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 11 mei 2026 en tot 11 augustus 2026;
5.3.
wijst het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] te verlengen in een voorziening voor pleegzorg af;
5.4.
houdt de beslissing ten aanzien van het resterende deel van beide verzoeken aan tot de mondelinge behandeling op
[datum] 2026 om [uur]ten overstaan van mr. Duinhof, kinderrechter, voor de duur van 45 minuten;
5.5.
verzoekt de GI om uiterlijk een week voorafgaand aan voornoemde mondelinge behandeling een briefrapportage toe te zenden, zulks met inachtneming van hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.3 is overwogen;
5.6.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als een oproeping voor die mondelinge behandeling voor de GI, de vader en de moeder;
5.7.
bepaalt dat de pleegouders van [minderjarige 3] en [minderjarige 1] als belanghebbenden per aparte brief worden opgeroepen voor de mondelinge behandeling;
5.8.
bepaalt dat [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] per aparte brief worden opgeroepen voor een kindgesprek;
5.9.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verplanke als griffier, en op schrift gesteld op 8 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro en Artikel 1:265c, tweede lid, BW