ECLI:NL:RBZWB:2026:4773

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 mei 2026
Zaaknummer
C/02/445723 / JE RK 26-375
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • van de Merbel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing wegens contactverlies en ontwikkelingsbedreiging minderjarigen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, geboren in 2015 en 2019, die sinds 2024 onder toezicht staan en in een pleeggezin verblijven. De ouders behouden het gezag, maar er is al geruime tijd geen contact tussen hen en de kinderen.

De GI benadrukt dat de verlenging noodzakelijk is vanwege de ernstige ontwikkelingsbedreiging die voortkomt uit het langdurig ontbreken van contact, wat een negatieve impact heeft op de identiteits- en loyaliteitsontwikkeling en hechting van de kinderen. De GI wil inzetten op herstel van het contact onder begeleiding en verdere monitoring van therapieën.

De ouders zijn het eens met het opgroeien bij de pleegouders, maar verzetten zich tegen verlenging van de maatregelen en begeleiding bij contact, omdat zij zich hierdoor gestigmatiseerd voelen. De kinderrechter constateert een impasse en benadrukt het belang van contactherstel, waarbij de aanwezigheid van een vertrouwenspersoon voor de kinderen wordt aanbevolen om hen te ondersteunen.

De kinderrechter wijst op de noodzaak van een gezamenlijke inspanning van alle betrokken volwassenen om teleurstellingen bij de kinderen te voorkomen en benadrukt dat het contactherstel en therapiebegeleiding prioriteit hebben. De ondertoezichtstelling en machtigingen tot uithuisplaatsing worden verlengd voor de duur van bijna een jaar, met onmiddellijke werking ondanks eventueel hoger beroep.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen worden verlengd met onmiddellijke ingang tot 14 april 2027.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445723 / JE RK 26-375
Datum uitspraak: 29 april 2026
(nadere) beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
hierna te noemen: de GI
gevestigd te Eindhoven,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
gezamenlijk te noemen: de ouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de pleegvader],
hierna te noemen: de pleegvader,
en
[de pleegmoeder],
hierna te noemen: de pleegmoeder,
gezamenlijk te noemen: de pleegouders,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 2 april 2026 met alle daarin vermelde stukken;
  • het op 17 april 2026 aan de rechtbank door de GI toegestuurde verzoekschrift met bijlagen;
  • de brief van de pleegouders van 22 april 2026;
  • het bericht (met bijlage) van de GI van 28 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder, via een online verbinding;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.
De pleegouders zijn – met bericht van verhindering – niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
Bij beschikking van 18 oktober 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht
gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is vervolgens steeds verlengd, voor het laatst tot 14 mei 2026. Bij beschikking van 18 oktober 2024 is ook een machtiging verleend om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. De machtiging tot uithuisplaatsing is voor het laatst verlengd tot 14 mei 2026.
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op grond van de laatstgenoemde beschikking in een gezinshuis/ pleeggezin.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Voor [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg en voor [minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter beoordeling ligt nog voor het verzoek om de maatregelen te verlengen voor de duur van elf maanden, te weten met ingang van 14 mei 2026 en tot 14 april 2027.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft de verzoeken. Er is een perspectiefbesluit genomen en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn ervan op de hoogte gebracht dat zij mogen opgroeien bij hun pleegouders. [minderjarige 1] wist niet zo goed wat hij over het perspectiefbesluit moest zeggen. [minderjarige 2] gaf aan dat hij het wonen bij de pleegouders fijn vindt, maar dat hij zijn ouders mist. De verlenging van de maatregelen is nodig omdat er op dit moment geen contact tussen de ouders en de kinderen is. De GI zou graag zien dat dit onder begeleiding tot stand wordt gebracht en wordt opgebouwd. Ook zal de therapie van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gemonitord moeten worden en wil de GI de mogelijkheden voor een constructieve samenwerking tussen de ouders en de pleegouders verder onderzoeken. Daarnaast wil de GI laten onderzoeken waar het gezag over de kinderen het beste kan komen te liggen.
4.2.
De ouders stemmen er mee in dat de kinderen opgroeien bij de pleegouders, maar zijn het niet eens met een verlenging van de maatregelen. De plaatsing van de kinderen kan op vrijwillige basis worden voortgezet. De ouders willen graag, na twee jaar geen contact te hebben gehad, weer contact met de kinderen maar staan niet open voor begeleide contacten. De ouders zijn van mening dat er onvoldoende aan waarheidsvinding wordt gedaan en uiten op de zitting grote bezwaren tegen de handelswijze van, onder andere, de GI. .

5.De (verdere) beoordeling

De gang van zaken
5.1.
De kinderrechter stelt vast dat er in de interne processen bij de GI bij het verzenden van de stukken (wederom) het één en ander mis is gegaan, waardoor de ouders de stukken pas een dag voor de zitting hebben ontvangen. Dat is niet alleen heel spijtig, het benadeelt de ouders ook in een goede voorbereiding van de zaak en het komt de toch al moeizame verstandhouding tussen de GI en de ouders allesbehalve ten goede. De kinderrechter wijst er de GI op om dit soort zaken beter te controleren, zodat het niet meer voor komt.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
De kinderrechter stelt op grond van de stukken en hetgeen op de zitting is besproken vast dat de kinderen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De kinderen groeien met toestemming van de ouders vanwege ernstige gezondheidsproblemen van de ouders al vanaf hele jonge leeftijd op bij de pleeg/gezinshuisouders. Iedereen is het er over eens dat ze daar op hun plek zijn. Genoemde ontwikkelingsbedreiging heeft niets te maken met de opvoedvaardigheden van de ouders (de vraag of de ouders goede ouders zijn of niet), maar is met name gelegen in het langdurig ontbreken van contact met de ouders. Dat ontbreken van contact is een ingrijpende verlieservaring voor de kinderen en is zeer zorgelijk gelet op de identiteits- en loyaliteitsontwikkeling van de kinderen en de hechting.
5.3.
De kinderen hebben geen boodschap aan de reden waarom het contact is komen te ontbreken en waarom het nog niet gelukt is dit opnieuw tot stand te brengen. De kinderen hebben wel behoefte aan en belang bij contact en [minderjarige 2] uit die behoefte ook. De eerdere zorgen (zoals bijvoorbeeld vermeld in de beschikking van 7 april 2025) over het contact tussen de kinderen en de ouders hadden met name te maken met het contactverlies en de instabiliteit in de eerdere contacten. Voor kinderen is het belangrijk dat zij erop kunnen vertrouwen dat er contacten zijn en dat geplande contacten door kunnen gaan. Dat laatste is niet steeds het geval geweest en het structureel doorgaan van contacten is in een setting als deze, waarbij bij de ouders vanwege gezondheidsredenen sprake is van onmacht, geen vanzelfsprekendheid.
5.4.
Tijdens de zitting hebben de ouders hun bezwaren tegen het ontbreken van contact en tegen het standpunt van de GI dat de contacten begeleid moeten gaan plaatsvinden uitgebreid naar voren gebracht. Het is de kinderrechter gebleken dat de ouders absoluut niet wensen mee te werken aan begeleide contacten met de kinderen omdat zij zich daarmee “als een crimineel” behandeld voelen. De GI vindt begeleiding wél van belang omdat de kinderen eerder spanning hebben ervaren toen met hen gesproken werd over het tot stand brengen van contacten en omdat al geruime tijd geen contacten hebben plaatsgehad. Daarmee lijkt een impasse te zijn ontstaan. Die impasse moet in het belang van de kinderen worden doorbroken. Alle volwassenen om [minderjarige 2] en ook om [minderjarige 1] heen hebben de plicht om contact tussen de ouders en de kinderen te stimuleren. Dat betekent ook dat iedereen zich in moet spannen om te bekijken op welke manier contact toch mogelijk is.
5.5.
Ter zitting is gesproken over de mogelijkheid van de aanwezigheid van de vertrouwenspersoon van de kinderen bij de eerste contacten. Gelet op de huidige slechte verstandhouding tussen de pleegouders en de ouders, kunnen de pleegouders deze rol niet op zich nemen. Desgevraagd zal de GI gaan bekijken of de vertrouwenspersoon van de kinderen in eerste instantie bij een contactmoment van de kinderen met de ouders aanwezig kan zijn. De kinderrechter wijst er op dat dit niet bedoeld is als begeleide omgang (niet zozeer bedoeld om de ouders te begeleiden bij de contacten), maar als ondersteuning voor de kinderen. De GI heeft namelijk niet onderbouwd dat de ouders begeleiding behoeven in de contacten met de kinderen. Nu de kinderen al twee jaar geen fysiek contact met de ouders hebben gehad, zal een eerste contact voor hen om die reden zeker spannend zijn. Het is van belang dat de kinderen zowel voorafgaand aan het contactmoment als ook direct daarna met hun eigen vertrouwenspersoon het contact kunnen bespreken. . Indien de vertrouwenspersoon om welke reden dan ook niet kan aansluiten, dient te worden overwogen of een andere voor de kinderen vertrouwde hulpverlener aanwezig kan zijn ter ondersteuning van de kinderen. Daarbij is de verwachting van de ouders dat de drempel bij [minderjarige 2] lager is dan de drempel die [minderjarige 1] mogelijk ervaart. Om die reden geven de ouders aan dat het beste gestart kan worden met contacten tussen de ouders en [minderjarige 2] , zodat [minderjarige 1] op zijn eigen tempo hierbij aan kan sluiten. De kinderrechter ziet, gelet op de duidelijke door [minderjarige 2] geuite behoefte, geen redenen waarom de door de ouders voorgestelde aanpak niet mogelijk is. De kinderrechter drukt de ouders op het hart om de aanwezigheid van de vertrouwenspersoon of een ander voor de kinderen vertrouwde hulpverlener te accepteren. Alleen op die manier kan de genoemde impasse worden doorbroken en kunnen contacten op een wijze die in het belang van de kinderen is, tot stand worden gebracht.
5.6.
De kinderrechter wijst er de GI daarbij nogmaals op dat de eerdere zorgen over het contact te maken hadden met het contactverlies van de kinderen met de ouders én de instabiliteit in de contacten. De volwassenen om de kinderen heen zullen gezamenlijk moeten bekijken op welke manier voorkomen kan worden dat de kinderen (opnieuw) teleurgesteld raken in de contacten. Daarbij is wat, gezien hun ernstige gezondheids-problemen, haalbaar is voor de ouders een belangrijk aspect. De kinderrechter geeft de GI daarbij ook in overweging om de hulpverlening van de kinderen te betrekken bij de vraag hoe de contacten precies vormgegeven dienen te worden in duur en frequentie. Ook moet goed worden nagedacht over het moment waarop de kinderen van een contact op de hoogte worden gesteld. Dit laatste om te voorkomen dat zij, ingeval de ouders vanwege gezondheid niet in staat zijn om een contactmoment door te laten gaan, niet onnodig teleurgesteld raken. Tenslotte dient er met enige spoed ingezet te worden op contactherstel nu de ouders en de kinderen elkaar ruim twee jaar niet fysiek gezien hebben.
5.7.
De komende periode heeft naar het oordeel van de kinderrechter het contact-herstel, naast de monitoring van de therapieën van de kinderen, de hoogste prioriteit. Daarnaast moet de GI met de ouders en de pleegouders gaan bekijken op welke manier zij op een zakelijke manier met elkaar verder kunnen blijven communiceren. Een mediation-traject ziet de kinderrechter daarbij, mede ook gelet op de bezwaren van de moeder daar tegen, op dit moment niet als haalbaar. Zowel de ouders als de pleegouders zijn in staat om op een zakelijke manier met elkaar te communiceren over de kinderen. Dat blijkt ook uit de eerdere e-mailuitwisselingen tussen de ouders en de pleegouders. De ouders hebben hun intentie hierover ook meerdere keren duidelijk uitgesproken.
5.8.
Voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is het van groot belang dat alle volwassenen om hen heen een streep zetten tussen het verleden en nu. Niet om het bestaan van het verleden te ontkennen, juist om een nieuwe toekomst in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in te gaan. Een toekomst waarin hun belang voorop staat. Een toekomst waarin zij opgroeien bij de pleegouders én tegelijk in contact staan met hun ouders en zo hun eigen identiteit verder kunnen ontwikkelen. Een toekomst waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een kans krijgen om zich verder te ontwikkelen tot gezonde volwassenen en waarbij zij zich gesteund en geliefd voelen door alle volwassenen om hen heen.
5.9.
De kinderrechter zal zowel de ondertoezichtstelling als de verschillende machtigingen tot uithuisplaatsing verlengen voor de resterende duur.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.10.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 14 mei 2026 en tot 14 april 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 14 mei 2026 en tot 14 april 2027;
6.3.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 14 mei 2026 en tot 14 april 2027;
6.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026 door mr. van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van de Bont, griffier, en op schrift gesteld op 1 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.