ECLI:NL:RBZWB:2026:4769

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 mei 2026
Zaaknummer
C/02/446685 / JE RK 26-569
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Duinhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarigen wegens onstabiele opvoedsituatie

De zaak betreft een verzoek van de Stichting Jeugdbescherming Brabant tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarigen, geboren in 2009, 2012 en 2017. De kinderen zijn sinds november 2025 onder toezicht gesteld en geplaatst in pleegzorg vanwege zorgen over de opvoedsituatie bij de ouders.

Tijdens de zitting op 29 april 2026, waarbij de ouders en een vertegenwoordiger van de GI aanwezig waren, is vastgesteld dat de situatie bij de ouders onvoldoende stabiel en veilig is voor terugkeer van de kinderen. De moeder is in behandeling bij de GGZ en emotioneel niet beschikbaar, terwijl de vader recent emotioneel belastend gedrag vertoonde, wat de emotionele veiligheid van de kinderen schaadt.

De kinderrechter benadrukt dat de belangen van de minderjarigen centraal staan en dat de ouders hun verantwoordelijkheid moeten nemen om de kinderen te ontlasten. De jongste minderjarige krijgt een brede machtiging tot uithuisplaatsing vanwege de onduidelijkheid over een passende vervolgplek. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de kinderen krijgen passende begeleiding en therapie toegewezen.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarigen wordt verlengd tot 12 november 2026 vanwege onveilige en onstabiele opvoedsituatie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446685 / JE RK 26-569
Datum uitspraak: 29 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3],
geboren op [geboortedag 3] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 30 maart 2026, ontvangen op 1 april 2026;
  • de brief van de GI over de recente ontwikkelingen, met bijlage van 23 april 2026, ontvangen op 23 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder (
via een teamsverbinding);
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Met [minderjarige 3] is
afgesproken om de inhoud van het gesprek niet te delen. Hetgeen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in het
gesprek met de kinderrechter hebben verteld, is (deels) door de kinderrechter tijdens de zitting samengevat. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. Met [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is afgesproken dat de op dit moment bij hen betrokken hulpverleners de beslissing van de kinderrechter mondeling aan hen zullen meedelen.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn met elkaar gehuwd.
2.2.
Uit het Raadsrapport volgt dat de ouders belast zijn met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] .
2.3.
Bij beschikking van 12 november 2025 zijn [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 12 november 2025 en tot 12 november 2026. Tevens is er een brede machtiging tot uithuisplaatsing verleend van [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een netwerkpleeggezin én een bestandspleeggezin, met ingang van 12 november 2025 en tot 12 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
Tijdens de zitting heeft de GI toegelicht dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor alle drie de kinderen voor de duur van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Deze verlenging is noodzakelijk omdat de situatie van de kinderen en de opvoedcondities bij de ouders nog onvoldoende stabiel zijn om een terugplaatsing te kunnen overwegen. De hulpverlening is recent gestart en bevindt zich nog in een prille fase. In het weekend van 10 april jl. hebben zich meerdere gebeurtenissen voorgedaan die hebben geleid tot verhoogde zorgen over de emotionele veiligheid en stabiliteit van de minderjarigen bij de vader. De situatie bij de vader is op dit moment onvoldoende stabiel om verder te gaan met het perspectiefonderzoek.
4.2.
De vader voert geen verweer tegen het verzoek van de GI. De vader erkent dat hij in het weekend van 10 april jl. erg emotioneel was en dat hij hier de kinderen mee heeft belast. De vader heeft hier moeite mee en ziet in dat hij aan zijn emotieregulatie moet werken. Hij voelt dat er afstand is ontstaan tussen hem en de minderjarigen en dat maakt hem verdrietig. Hij zou graag zien dat het perspectiefonderzoek weer zo snel mogelijk wordt opgepakt.
4.3.
De moeder stemt in met het verzoek van de GI. De moeder is onlangs gestart met DGT-behandeling. Zij is gemotiveerd om te werken aan haar eigen ontwikkeling, maar de behandeling vergt veel energie. De moeder is op dit moment niet in staat om de volledige zorg en opvoeding voor alle drie de kinderen te dragen.
4.4.
In het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige 2] aangegeven dat zij erg de behoefte heeft aan duidelijkheid. Zij vindt het vervelend dat telkens een nieuwe termijn wordt genoemd voor terugkeer naar huis of herstel van contact. Zij begrijpt wel dat de situatie eerst veilig moet zijn.
4.5.
[minderjarige 1] heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat zij, net als [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , iemand wil hebben waarmee zij kan praten. Zij heeft behoefte aan begeleiding en therapie. [minderjarige 1] verblijft bij haar opa en oma en heeft het hier naar haar zin. Er wordt niet meer zoveel gescholden bij opa en oma thuis. [minderjarige 1] zou wel graag meer omgang hebben met haar moeder. Zij wil van woensdag uit school tot donderdag voor school bij de moeder zijn en daarnaast zou zij ook graag nog een dag in de week na school bij de moeder op bezoek komen. [minderjarige 1] weet niet goed wanneer zij haar vader wil zien omdat de situatie een beetje raar is geworden.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter zal ten aanzien van [minderjarige 3] een brede machtiging tot uithuisplaatsing verlenen. De kinderrechter legt dit hierna uit.
5.2.
De kinderrechter maakt zich zorgen over de opvoedsituatie van [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . De zorgen zoals die staan beschreven in de beschikking van 12 november 2025 zijn nog onverminderd aanwezig. De (opvoedsituatie)situatie bij beide ouders is op dit moment onvoldoende veilig en stabiel, wat een terugkeer van de minderjarigen naar huis op dit moment niet mogelijk maakt. Vanwege de persoonlijke problematiek van de ouders lukt het hen niet om voor de minderjarigen te zorgen en hen voldoende te kunnen begeleiden. De verwachting is dat een plaatsing bij de moeder de draagkracht en draaglast van de moeder op dit moment te boven gaat. De moeder bevindt zich in een kwetsbare fase van herstel na een recente psychiatrische opname en staat onder (intensieve) behandeling bij de GGZ. De kinderrechter is het met de moeder eens dat zij op dit moment onvoldoende emotioneel beschikbaar is om de volledige zorg en verantwoordelijkheid voor de minderjarigen te dragen. Naar aanleiding van meerdere gebeurtenissen in het weekend van 10 april jl. heeft de kinderrechter toenemende zorgen over de emotionele veiligheid van de minderjarigen bij de vader. De vader was in dat weekend erg emotioneel geworden en heeft hier de minderjarigen op verschillende manieren mee belast. De kinderen hebben dit als belastend ervaren. De minderjarigen maken zich zorgen over het welzijn van de vader en nemen hierbij een beschermende en zorgende rol op zich die niet passend is bij hun leeftijd en emotionele ontwikkeling. Dit baart de kinderrechter zorgen. De kinderrechter wil benadrukken dat de focus op de belangen van de minderjarigen dient te liggen en dat beide ouders een verantwoordelijkheid hebben om de minderjarigen te ontlasten. De kinderrechter heeft daarbij tijdens de mondelinge behandeling aan de vader voorgehouden dat het van belang is dat hij onderscheid gaat maken tussen de belangen en noden van de kinderen en die van hemzelf. Dat hij zijn best doet is weliswaar zichtbaar, maar de vader lijkt zich daarbij vooral te richten op de vraag hoe zijn eigen gedrag mag worden begrepen. Dat is niet de juiste invalshoek. De nadruk moet liggen op de ervaren (on)veiligheid van de kinderen en de rust en stabiliteit in de opvoedomgeving.
5.3.
De kinderrechter overweegt dat in de komende periode voortvarend verder gewerkt moet worden aan de bij de ondertoezichtstelling gestelde doelen. Voor de komende periode ligt de focus op het herstellen van de stabiliteit bij de ouders, het waarborgen van de emotionele veiligheid van de minderjarigen en het onderzoeken van passende en haalbare verblijf- en contactmogelijkheden Daarbij vindt de kinderrechter het van belang dat er voor de minderjarigen zo snel mogelijk duidelijkheid komt omtrent het toekomstperspectief. [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] lijken namelijk last te hebben van deze onzekerheid. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verblijven sinds augustus 2025 bij hun grootouders. Tijdens de vorige mondelinge behandeling werd al benoemd dat er sprake is van een zorgwekkende situatie bij de grootouders thuis en de kinderrechter heeft geen nieuwe informatie ontvangen waaruit blijkt dat de situatie is verbeterd. De kinderrechter vindt het dan ook van belang dat de netwerkscreening zo snel mogelijk gaat starten. [minderjarige 3] verblijft binnen een informeel netwerkpleeggezin, het gezin van een vriendin. Omdat de huidige pleegzorgplaatsing in juni 2026 wordt stopgezet en het op dit moment nog onduidelijk is waar [minderjarige 3] nadien kan verblijven, verleent de kinderrechter ten aanzien van [minderjarige 3] een brede machtiging tot uithuisplaatsing. In dit kader merkt de kinderrechter op dat er snel een passende vervolgplek voor [minderjarige 3] gevonden moet worden.
5.4.
Tot slot vindt de kinderrechter het belangrijk dat [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 1] passende begeleiding en ondersteuning ontvangen. In het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige 1] aangegeven dat zij behoefte heeft aan begeleiding en therapie. Zij heeft behoefte aan iemand waarmee zij kan praten en die haar leert hoe zij met haar gevoelens om moet gaan. De kinderrechter gunt dit [minderjarige 1] en vindt het dan ook positief dat hulpverlening vanuit [hulpverlening] binnenkort gaat starten.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.6.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 12 mei 2026 en tot 12 november 2026;
6.2.
verleent een brede machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] , met ingang van 12 mei 2026 en tot 12 november 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verplanke als griffier, en op schrift gesteld op 8 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.