ECLI:NL:RBZWB:2026:4766

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 mei 2026
Zaaknummer
C/02/446595 / JE RK 26-544
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onder toezichtstelling van minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging en complexe thuissituatie

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2021, vanwege zorgen over haar ontwikkeling en de complexe thuissituatie. De minderjarige woont bij haar vader, die onder bewind staat en een Wajonguitkering ontvangt, terwijl de moeder kampt met depressieve klachten en verslavingsproblematiek. De ouders communiceren slecht en kunnen onvoldoende een stabiele opvoedomgeving bieden.

De minderjarige vertoont zorgelijk gedrag zoals bedplassen, brutaal gedrag en concentratieproblemen, en heeft moeite met aansluiting bij leeftijdsgenoten. De Raad acht vrijwillige hulpverlening onvoldoende en pleit voor regie door een gecertificeerde instelling om de situatie te monitoren en hulp te bieden.

Zowel de moeder als de vader stemmen in met het verzoek tot ondertoezichtstelling. De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke voorwaarden is voldaan en stelt de minderjarige onder toezicht van de William Schrikker Stichting voor de periode van 6 mei 2026 tot 6 mei 2027. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Uitkomst: De minderjarige wordt onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar vanwege ernstige bedreiging van haar ontwikkeling door problematiek bij de ouders.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446595 / JE RK 26-544
Datum uitspraak: 29 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. F.J. Koningsveld uit Breda,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat mr. B.P.A. van Beers uit Roosendaal.
De kinderrechter merkt als informant aan:
William Schrikker Stichting J
eugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling ( de GI),
gevestigd te Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- mr. Koningsveld, namens de moeder;
- mr. Van Beers, namens de vader;
- een vertegenwoordigster van de Raad.
Hoewel correct opgeroepen, zijn de vader, de moeder en de GI niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar vader.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] ervaart in haar opvoedomgeving onzekerheid, onduidelijkheid en een gebrek aan continuïteit. Zij is in het verleden en heden getuige geweest van ruzies tussen de ouders. Het lukt de ouders niet om met elkaar op een rustige manier te communiceren, afspraken te maken en deze na te komen. [minderjarige] heeft in haar eerste levensjaren bij haar moeder gewoond. Vanwege persoonlijke problematiek van haar moeder is zij in november 2025 ineens naar haar vader verhuisd, waarna zij haar moeder een aantal weken niet heeft gezien. Inmiddels is er weer contact met haar moeder, maar dit is minimaal. De moeder kampt met depressieve klachten en tot voor kort is er sprake geweest van middelengebruik. De vader reageert vaak vanuit emotie en impulsiviteit. Het lukt hem niet om [minderjarige] de voorspelbaarheid te geven die zij nodig heeft. De Raad maakt zich zorgen dat [minderjarige] de (negatieve) emoties die de ouders over elkaar hebben, voelt en dat zij belast wordt met de strijd die de ouders onderling voeren. De school van [minderjarige] heeft zorgen geuit over haar gedrag. Zij is vaak brutaal, plast soms in haar broek, is erg druk en heeft weinig concentratie. Zij zoekt regelmatig grenzen op en gaat hier overheen. Daarnaast vindt [minderjarige] het moeilijk om aansluiting te vinden bij leeftijdgenootjes. Verder heeft de Raad zijn zorgen geuit over het schoolverzuim van [minderjarige] . De vader heeft een Wajonguitkering en staat onder bewind. Hij heeft aangegeven dat hij de benzinekosten niet meer kan dragen om [minderjarige] iedere dag vanuit [plaats 1] naar haar school in [plaats 2] te brengen. De ouders van [minderjarige] zijn op dit moment voldoende bereid, maar onvoldoende in staat onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren, omdat vanwege de persoonlijke complexe situatie van de ouders nog onduidelijk is in hoeverre de ouders belast kunnen worden met de volledige opvoeding en verzorging van [minderjarige] . De moeder staat open voor hulpverlening en werkt mee, echter bestaan er ook spanningen in de samenwerkingsrelatie tussen de ouders waarvoor (nog) geen hulpverlening betrokken is. De Raad vindt het belangrijk dat ook de vader hulp gaat ontvangen om meer zicht te krijgen op de opvoedvaardigheden/mogelijkheden van de vader, waarbij specifieke aandacht is voor hoe er met [minderjarige] wordt gesproken over (het contact met) de moeder. Met behulp van hulpverlening zal moeten blijken of en hoe de ouders in staat zijn om het gezamenlijk ouderschap vorm te geven en wat zij nodig hebben om hiertoe te komen.
4.2.
De advocaat van de moeder heeft tijdens de zitting aangegeven dat de moeder instemt met een ondertoezichtstelling. Zij is op dit moment bezig met een intensief afkicktraject. Zij heeft twee keer per week gedurende twee uur contact met [minderjarige] , onder begeleiding van een buurvrouw. Zij hoopt dit in de toekomst weer uit te kunnen breiden, maar zij realiseert zich dat zij eerst aan zichzelf moet werken. De advocaat van de moeder heeft tot slot aangegeven dat de moeder in deze fase van haar hulpverleningstraject beperkt bereikbaar is. Wanneer het de GI niet lukt om contact met haar te krijgen is de advocaat van harte bereid om als intermediair te fungeren.
4.3.
De advocaat van de vader heeft tijdens de zitting aangegeven dat de vader zich eveneens kan vinden in het verzoek van de Raad. [minderjarige] gaat sinds eind maart/begin april iedere dag naar school in [plaats 1] . De vader herkent de zorgen die door de Raad in het rapport zijn benoemd. Hij denkt dat de inzet van een jeugdzorgwerker helpend kan zijn.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. Zij heeft in haar jonge leven al veel meegemaakt en laat zorgelijk gedrag zien. Zo plast zij soms in haar broek, scheldt zij (ook naar volwassenen) en heeft zij geen focus. Zij vindt moeilijk aansluiting bij leeftijdgenootjes. [minderjarige] heeft de eerste vier jaar van haar leven bij haar moeder gewoond. Zij is vrij abrupt bij haar vader gaan wonen en heeft sindsdien minimaal contact met haar moeder. Het is begrijpelijk dat dit veel impact heeft op een kind van haar leeftijd. De moeder kampt met verslavingsproblematiek. Het is positief dat zij hiervoor een hulpverleningstraject is aangegaan. Op dit moment is nog niet duidelijk hoe lang dit nog gaat duren. De vader van [minderjarige] staat onder bewind. Het lukt de ouders niet om op een normale manier met elkaar te communiceren en afspraken te maken. Het is dan ook noodzakelijk dat er regie zal worden gevoerd door de GI. Er moet een beter zicht komen op de situatie bij de vader. Daarnaast moet er zicht komen op de mogelijkheden van contact met de moeder en de mogelijkheden om dit contact uit te breiden. Voor dit alles is hulpverlening nodig.
5.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De situatie is daarvoor te complex. Het is belangrijk dat er regie gaat worden gevoerd. Door de persoonlijke problematiek van de ouders is het van belang dat de draagkracht/draaglast van de ouders onder regie van een jeugdbeschermer onderwerp van gesprek blijft en dat de ontwikkeling van [minderjarige] nauwlettend in de gaten wordt gehouden.
5.4.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.5.
Binnen de ondertoezichtstelling dient te worden gewerkt aan de volgende hulpverleningsdoelen, zoals opgenomen in het raadsrapport:
- [minderjarige] groeit op in een stabiele, veilige en voorspelbare opvoedomgeving waarmee de RvdK bedoelt dat [minderjarige] weet wat zij kan verwachten in het contact met haar beide ouders.
- [minderjarige] is geen getuige van ruzies en conflicten tussen ouders.
- [minderjarige] hoort geen negatieve verhalen van de ene ouder over de andere ouder en kan onbelast met haar beide ouders contact hebben.
- [minderjarige] kan zich cognitief en sociaal voldoende ontwikkelen op school; dit betekent dat zij naar school gaat, zich kan concentreren op schoolse taken en het contact met leeftijdsgenoten positief kan aangaan en onderhouden;
- [minderjarige] voelt zich veilig bij haar ouders en andere volwassenen om haar heen en kan troost/steun zoeken op gepaste wijze wanneer zij stress, verdriet of angst ervaart.
- Ouders kunnen afspraken en beslissingen over [minderjarige] maken en deze nakomen.
- [minderjarige] heeft twee ouders die voorspelbaar zijn in hun gedrag en haar op een rustige, sensitieve manier kunnen begrenzen.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht door de Raad. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming
en Jeugdreclassering met ingang van 6 mei 2026 tot 6 mei 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Beijsterveldt als griffier, en op schrift gesteld op 8 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.