ECLI:NL:RBZWB:2026:4763

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 mei 2026
Zaaknummer
C/02/446283 / JE RK 26-483
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarige tot meerderjarigheid

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige tot haar achttiende verjaardag. De minderjarige verblijft sinds november 2025 in een jeugdhulpaccommodatie en vertoont problematisch gedrag, zoals het niet volgen van onderwijs, verkeerde sociale contacten en het verbreken van contact met haar ouders.

De ouders en de minderjarige zelf waren niet aanwezig bij de zitting en maakten geen gebruik van de mogelijkheid hun mening te geven. De kinderrechter baseerde zich op de overgelegde stukken en de toelichting van de gecertificeerde instelling. Er is sprake van ernstige en aanhoudende zorgen over de ontwikkeling en veiligheid van de minderjarige.

De kinderrechter oordeelde dat de verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De maatregelen worden verlengd tot de meerderjarigheid van de minderjarige, waarbij de hulpverlening binnen het gedwongen kader wordt voortgezet om haar te ondersteunen bij het maken van betere keuzes.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep. Het hoger beroep kan binnen drie maanden na uitspraak worden ingesteld door de verzoeker of belanghebbenden.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot haar meerderjarigheid.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446283 / JE RK 26-483
Datum uitspraak: 29 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Brabant,
locatie Tilburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende te [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 april 2026. Daarbij was een vertegenwoordigster van de GI aanwezig,
Hoewel correct opgeroepen zijn de vader en de moeder niet verschenen.
1.3.
[minderjarige] is in de gelegenheid gesteld haar mening te geven in een brief of in een gesprek met de kinderrechter. Zij heeft hier geen gebruik van gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 november 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 12 mei 2025. Bij beschikking van 1 mei 2025 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 12 mei 2026.
2.3.
Bij beschikking van 3 november 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank een (spoed)machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van twee weken, onder aanhouding van het resterende deel.
2.4.
Bij beschikking van 13 november 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 17 november 2025 tot 12 mei 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen tot haar meerderjarigheid. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder te verlengen tot haar meerderjarigheid. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. Er zijn nog steeds ernstige zorgen over [minderjarige] . [minderjarige] verblijft sinds 5 november 2025 bij het [accommodatie] . Zij is hier erg enthousiast begonnen en leek gemotiveerd om haar leven te verbeteren. Echter, zij is niet in staat gebleken om daadwerkelijk dingen te veranderen. Zij gaat niet naar school en heeft verkeerde sociale contacten. Daarbij is zij niet open over haar contacten en activiteiten. En andere zorg is dat [minderjarige] veel geld heeft. Niet duidelijk is waar dit geld vandaan komt. Haar vader heeft sinds de uithuisplaatsing het contact met haar verbroken. Tot een paar weken geleden had [minderjarige] nog contact met haar moeder. Ook zij heeft het contact met [minderjarige] inmiddels verbroken nadat [minderjarige] met een paar nichtjes haar moeder heeft mishandeld. [minderjarige] heeft dubieuze contacten met volwassen mannen. Zij spreekt uit dat zij naar Marokko zal gaan zodra zij achttien jaar is. De hulpverlening van het [accommodatie] geeft aan dat zij niet opgeven. [minderjarige] kan ook na haar achttiende verjaardag nog bij hen blijven wonen. De GI wil samen met [accommodatie] de tijd die er resteert tot haar achttiende verjaardag, dit is op [geboortedag] 2026, proberen om [minderjarige] een beter dagritme aan te leren en haar te leren verantwoordelijkheden te nemen. Daarbij wil men [minderjarige] ook beschermen in sommige keuzes die zij maakt.
4.1.
De ouders van [minderjarige] en [minderjarige] zelf zijn niet verschenen om hun mening kenbaar te maken.

5.De beoordeling

Wat zegt de wet?
5.1.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:260 BW Pro kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.3.
Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.4.
Artikel 1:265c lid 2 BW bepaalt dat de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens kan verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.5.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Er zijn al lange tijd zorgen over [minderjarige] . Deze zorgen nemen eerder toe dan af. [minderjarige] heeft al op veel verschillende plekken verbleven en verblijft sinds november 2025 bij het [accommodatie] . Zij zegt het hier naar haar zin te hebben. Zij gedraagt zich goed op de groep en is vriendelijk aanwezig. Tegelijkertijd wordt gezien dat [minderjarige] volledig haar eigen gang gaat. Zij gaat niet naar school, is moeilijk uit bed te krijgen en heeft contacten met volwassen mannen. Zij heeft geen contact meer met haar ouders en gaat om met de verkeerde mensen. Met de GI maakt de kinderrechter zich ernstig zorgen over [minderjarige] , temeer nu zij aangeeft dat zij op haar achttiende naar Marokko zal vertrekken. De kinderrechter is van oordeel dat het belangrijk is dat de GI, in samenspraak met het [accommodatie] , de tijd die nog rest tot [minderjarige] achttien jaar wordt, gaat gebruiken om te proberen haar te leren andere keuzes te maken. De betrokkenheid van de GI en de hulpverlening binnen het gedwongen kader is daarom nog steeds noodzakelijk.
5.6.
Nu [minderjarige] bij het [accommodatie] verblijft en het niet mogelijk en niet in haar belang is om haar terug te plaatsen bij de ouders, is een uithuisplaatsing nog steeds in het belang van haar verzorging en opvoeding noodzakelijk.
5.7.
Gelet op het voorgaande wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een verlenging van zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . De kinderrechter zal het verzoek, dat niet is weersproken, daarom toewijzen in die zin dat zij beide maatregelen zal verlengen totdat [minderjarige] de meerderjarige leeftijd zal bereiken, dus tot 6 augustus 2026.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht door de GI. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 12 mei 2026 tot
[geboortedag] 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 12 mei 2026 tot [geboortedag] 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026 door mr Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Beijsterveldt als griffier, en op schrift gesteld op 8 mei 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.