ECLI:NL:RBZWB:2026:4759

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 mei 2026
Zaaknummer
C/02/447098 / JE RK 26-648
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging door verstoorde ouderrelatie

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om een minderjarige onder toezicht te stellen vanwege een ernstige ontwikkelingsbedreiging. De minderjarige zit klem tussen de ouders door een ernstig verstoorde verstandhouding en wantrouwen, wat leidt tot een loyaliteitsconflict. Ondanks vrijwillige hulpverlening lukt het niet om de situatie te verbeteren.

De ouders zijn het eens met het verzoek, waarbij de moeder benadrukt dat het belangrijk is dat zij en de minderjarige een eigen plek krijgen en dat er een voorstel voor een omgangsregeling is gedaan. De vader betreurt de situatie maar wil het beste voor de minderjarige en hoopt op betere communicatie met de moeder. De gecertificeerde instelling werkt met een instroomteam dat direct start met veiligheidsmonitoring en hulpverlening.

De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan. De bedreiging voor de ontwikkeling van de minderjarige kan niet met vrijwillige hulp worden weggenomen. De ondertoezichtstelling is noodzakelijk om regie te voeren op omgangsregeling, huisvesting van de moeder en het voorkomen van terugval in middelengebruik bij de ouders.

De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht voor de duur van een jaar en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De gecertificeerde instelling krijgt opdracht om doelen te realiseren zoals onbelast contact met beide ouders, gezamenlijke invulling van het ouderschap, emotionele beschikbaarheid, veilige opvoedingssituatie en verwerking van huiselijk geweld. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht voor de duur van een jaar en verklaart de beschikking direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447098 / JE RK 26-648
Datum uitspraak: 29 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Regio Zeeland-West-Brabant
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. H. Mink uit Oost-Souburg,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 10 april 2026, ontvangen op 13 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft haar mening niet gegeven.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij haar moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing van het verzoek naar het raadsrapport van 10 april 2026. De Raad constateert een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] . De grootste zorg is dat [minderjarige] klem zit tussen de ouders en een loyaliteitsconflict ervaart. Tussen de ouders is er een ernstig verstoorde verstandhouding en wantrouwen, waardoor het niet altijd lukt om het belang van [minderjarige] voorop te zetten. Het lukt niet om dit met vrijwillige hulp te doorbreken. Op het moment dat de spanningen tussen de ouders verder oplopen ziet de Raad vanwege het belaste verleden van de ouders een risico op terugval in middelengebruik. De Raad verwijst naar de doelen uit het raadsrapport.
4.2.
Door en namens de moeder wordt aangevoerd dat de moeder het eens is met verzoek van de Raad. De huidige situatie is niet goed voor [minderjarige] . De ouders zijn niet in staat het tij te keren. Het is belangrijk dat de moeder en [minderjarige] een eigen plek krijgen. Verder is er een voorstel gedaan voor een omgangsregeling vanaf augustus. Dit voorstel is mogelijk de eerste stap in de goede richting. Een zorg is wel dat de GI vanwege het instroomteam te weinig kan bewerkstelligen tijdens een jaar ondertoezichtstelling.
4.3.
De vader is het eens met het verzoek van de Raad, maar betreurt dat het zover heeft moeten komen. De vader wil dat [minderjarige] gelukkig is en heeft daarom de knoop doorgehakt om uit elkaar te gaan met de moeder en zo de ruzies weg te houden bij [minderjarige] . De vader heeft geprobeerd mediation te betrekken, maar hier is de moeder destijds niet mee akkoord gegaan. De vader spreekt de hoop uit dat hij en de moeder op een goede manier kunnen communiceren en heeft er vertrouwen in dat dit mogelijk is.
4.4.
De GI licht toe dater momenteel nog steeds wordt gewerkt met een instroomteam, wat betekent dat er geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar is. Het instroomteam zal wel direct starten met een kennismaking, het maken van een veiligheidsplan, het monitoren van de actuele veiligheid en het in kaart brengen van de betrokken en nodige hulpverlening voor [minderjarige] en de ouders.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.3.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd, omdat [minderjarige] steeds meer klem komt te zitten in haar loyaliteit tussen de ouders. De verstandhouding tussen de ouders is ernstig verstoord. Er is tussen de ouders veel wantrouwen, spanningen en strijd. Ondanks de goede intenties van de ouders, krijgt [minderjarige] veel mee van de onderlinge strijd. Deze situatie duurt inmiddels al twee jaar en ondanks de betrokkenheid van hulpverlening lukt het niet om de situatie te verbeteren. [minderjarige] gaat ernstig gebukt onder de last van de spanningen tussen de ouders.
5.4.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat het ouders vanwege de onderlinge strijd niet lukt om afspraken te maken in het belang van [minderjarige] . De ouders komen in het vrijwillig kader niet tot afspraken over de omgangsregeling en de invulling van het gezamenlijk ouderschap. Het is belangrijk dat hier in de komende periode regie op wordt gevoerd.
5.5.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar. De kinderrechter oordeelt dat er zo snel mogelijk stappen moeten worden gezet. Het is belangrijk dat de ouders hun eigen verantwoordelijkheid nemen en hun eigen hulpverlening goed benutten. Dit moet hen helpen om stabieler te worden. Stabiliteit van de ouders zorgt ervoor dat zij ook onder spanning het belang van [minderjarige] voorop kunnen blijven stellen. De ouders moeten daarnaast een manier vinden om weer met elkaar in gesprek te komen en beslissingen in het belang van [minderjarige] te nemen. Belangrijke stappen die gemaakt moeten worden is het vaststellen van de omgangsregeling en het realiseren van huisvesting voor de moeder. De jeugdbeschermer kan hier in mee denken. Het is belangrijk om te noemen dat er geen contra-indicaties voor omgang zijn geconstateerd. Daarom moet omgang met beide ouders het uitgangspunt zijn. Ook is het belangrijk dat een kindbehartiger wordt ingezet voor [minderjarige] . Er is op dit moment te weinig zicht op wat zij nodig heeft. Tot slot geeft de kinderrechter aan de ouders mee dat het risico op terugval in middelengebruik erg zorgelijk is. Dit moet te allen tijde worden voorkomen. Het is daarom temeer van belang dat de ouders aan zichzelf werken en zorgen voor een stabiele gemoedstoestand.
5.6.
De kinderrechter geeft aan de GI de opdracht mee om aan de volgende doelen uitvoering te geven:
  • [minderjarige] heeft goed en onbelast contact met beide ouders en ervaart toestemming van beide ouders om dit te hebben;
  • [minderjarige] heeft ouders die gezamenlijk invulling kunnen geven aan het ouderschap en afspraken kunnen maken in het belang van [minderjarige] en komen deze na;
  • [minderjarige] heeft ouders die fysiek en emotioneel beschikbaar voor haar zijn;
  • [minderjarige] groeit op in een fysiek en emotioneel veilige opvoedingssituatie;
  • [minderjarige] heeft de mogelijkheid om de meegemaakte gebeurtenissen waaronder het huiselijk geweld te delen en verwerken.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 29 april 2026 tot 29 april 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 15 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.