ECLI:NL:RBZWB:2026:4716

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
C/02/446673 / JE RK 26-564
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige voor beperkte duur

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2018. De minderjarige verblijft sinds mei 2024 in een netwerkpleeggezin vanwege ernstige bedreigingen in haar ontwikkeling, waaronder getuige zijn van huiselijk geweld en instabiliteit in het gezin.

De kinderrechter heeft op 28 april 2026 de mondelinge behandeling gehouden, waarbij de ouders en een vertegenwoordiger van de GI aanwezig waren. De pleegmoeder was niet aanwezig, en de minderjarige heeft aangegeven geen gebruik te willen maken van het recht haar mening te geven. De GI heeft toegelicht dat de ouders nog niet aan de voorwaarden voldoen om de minderjarige weer thuis te laten wonen, met name op het gebied van emotieregulatie, impulsbeheersing, financiële stabiliteit en het nakomen van afspraken met hulpverlening.

De ouders erkennen de noodzaak van hulpverlening maar ervaren de hoeveelheid afspraken als belastend en maken bezwaar tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderrechter oordeelt dat de ondertoezichtstelling verlengd moet worden omdat de ontwikkeling van de minderjarige nog steeds ernstig wordt bedreigd en de ouders onvoldoende vooruitgang hebben geboekt. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd voor drie maanden, waarna een nieuw perspectiefbesluit zal worden genomen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en er is een nadere zitting gepland om de voortgang te bespreken.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling voor een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing voor drie maanden vanwege voortdurende bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige en onvoldoende voldane voorwaarden door de ouders.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446673 / JE RK 26-564
Datum uitspraak: 28 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder], hierna te noemen: de moeder, en
[de vader], hierna te noemen: de vader, gezamenlijk te noemen: de ouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de pleegouder/oma moederszijde],
hierna te noemen: de pleegouder/oma moederszijde,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend en gehoord:
- de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 maart 2026;
  • het bericht van de pleegmoeder van 13 april 2026;
  • het bericht van de GI met bijlagen, ontvangen op 17 april 2026;
  • de brief van de Raad, ontvangen op 23 april 2026;
  • het bericht van de pleegmoeder van 23 april 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders;
- een vertegenwoordigster van de GI.
Met voorafgaande kennisgeving is de pleegmoeder niet naar de zitting gekomen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. Bij bericht van 13 april 2026 heeft de pleegmoeder gemeld dat [minderjarige] hier geen gebruik van wil maken.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 14 mei 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht
gesteld van de GI met ingang van 14 mei 2024 en tot 14 mei 2025. Ook is een machtiging
tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin verleend met ingang van 14 mei
2024 en tot 14 november 2024.
2.3.
Bij beschikking van 13 mei 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 14 mei 2025 en tot 14 mei 2026. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin is laatstelijk bij beschikking van 2 februari 2026 verlengd tot 14 mei 2026.
2.4.
[minderjarige] verblijft op basis van deze machtiging in een netwerkpleeggezin, te weten bij stiefopa en oma moederszijde.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van zes maanden. De GI verzoekt bovendien de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek en licht, aanvullend op de overgelegde stukken, toe dat de GI voorwaarden heeft opgesteld waaraan de ouders moeten voldoen voordat [minderjarige] weer bij hen kan komen wonen. Er zijn vier punten waar door de ouders nog niet aan is voldaan. Zo dienen de ouders verder te werken aan hun emotieregulatie en impulsbeheersing. De moeder heeft een signaleringsplan opgesteld en kan de fases steeds beter bij zichzelf herkennen. Bij de vader ontbreekt dit plan, waardoor nog niet kan worden gekeken naar een verbindend plan voor beide ouders. Ook moet er nog middels hulpverlening worden gewerkt aan een verklarende analyse van factoren die bijdragen aan het (risico) op huiselijk geweld. Verder moet de financiële situatie van de ouders stabiliseren en dienen de ouders de afspraken met de betrokken hulpverlening na te komen. De vader heeft aangegeven dat alle afspraken bij elkaar veel van de ouders vragen. De GI heeft daarom een aantal veranderingen doorgevoerd, zoals afspraken in de avonden plannen. Het lukt de ouders echter nog steeds niet om de afspraken structureel na te komen. Zo geeft [hulpverlening] aan dat zij twaalf contactmomenten hebben ingepland, waarvan er slechts drie doorgang hebben gevonden. Ook zijn de hulpverleners vooral bezig geweest met praktische zaken, zoals het maken van een weekplanning. Gelet hierop kon de afgelopen periode onvoldoende aan de eerder genoemde vier punten worden gewerkt. [minderjarige] woont al anderhalf jaar in het netwerkpleeggezin en de aanvaardbare termijn verstrijkt. De GI zal over zes maanden perspectief bepalen. Het is van belang dat de ouders binnen deze periode de nodige stappen gaan zetten. Beide ouders moeten een duidelijk signaleringsplan hebben opgesteld en de communicatie tussen de ouders onderling en met de hulpverlening moet zijn verbeterd. Ook moeten de ouders de afspraken nakomen. Verder licht de GI toe dat [minderjarige] een enorme groei heeft doorgemaakt op school, zowel cognitief als sociaal. Sinds [minderjarige] bij de ouders overnacht, gaat het minder goed. Ze is op vrijdag erg moe en is moeilijker te begrenzen. Ook is het drie keer voorgekomen dat de ouders [minderjarige] te vroeg van school hebben opgehaald. De afgelopen weken ontbrak de stabiliteit voor [minderjarige] . De komende periode zal de omgangsregeling worden geëvalueerd, zodat daarna kan worden gekeken naar een eventuele uitbreiding.
4.2.
De ouders voeren geen verweer tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling. Zij voeren wel verweer tegen de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing. De ouders hebben gemiddeld 5 à 10 afspraken met de hulpverlening per week. Op donderdag en vrijdag hebben de ouders omgang met [minderjarige] . Alles bij elkaar is dat erg veel, zeker in combinatie met het werk. Extra werken, zoals de schuldhulpverlening van hen vraagt, is hierdoor niet mogelijk. Het komt ook regelmatig voor dat de ouders vrij moeten vragen van werk voor een afspraak met de hulpverlening. Het klopt dat de ouders een aantal afspraken hebben afgezegd, maar dit kwam omdat deze afspraken buiten de ouders om en dus niet in overleg met hen zijn gepland. Het zou beter zijn als er afspraken worden gepland op vaste momenten. De ouders begrijpen dat de hulpverlening noodzakelijk is en willen graag de doelen behalen, maar het lijkt alsof er steeds nieuwe doelen bij komen. De ouders hebben de doelen grotendeels bereikt en ze kunnen ook aan het resterende deel werken als [minderjarige] weer thuis woont. Het zou fijn zijn om wat dat betreft een stip aan de horizon te hebben. Tevens maken de ouders zich zorgen over het loyaliteitsconflict waar [minderjarige] mee kampt. Het is belangrijk dat zij hiervoor speltherapie kan volgen. Tot slot zou het goed zijn als de verschillende hulpverleners met elkaar communiceren en afstemmen, omdat er soms miscommunicaties ontstaan.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de
kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van
de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits
aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging
uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De kinderrechter stelt allereerst vast dat [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Ze heeft in haar jonge leven al veel meegemaakt, zoals het zijn van getuige van huiselijk geweld tussen de ouders. Daarnaast heeft ze veel gewisseld van verblijfplaats en is [minderjarige] als gevolg van instabiliteit, geweld en emotionele afwezigheid van de ouders beschadigd in haar gevoel van basisveiligheid. Voorts zijn er zorgen omtrent de persoonlijke problematiek van de ouders, zoals de emotieregulatie, impulscontrole, traumaklachten, beperkte belastbaarheid en forse schulden. Het lukt de ouders hierdoor niet (altijd) om [minderjarige] de nodige structuur te bieden en emotioneel beschikbaar voor haar te zijn. Er is tevens, doordat de ouders veel afspraken met de betrokken hulpverlening afzeggen, nog onvoldoende zicht verkregen op de patronen van huiselijk geweld tussen de ouders. Tevens is het de kinderrechter gebleken dat [minderjarige] last heeft van loyaliteitsproblematiek, hetgeen is toegenomen sinds [minderjarige] bij de ouders overnacht. Doordat de ouders meermaals afspraken hebben afgezegd, is het nog niet gelukt om de juiste hulp voor [minderjarige] in te zetten. Hoewel de ouders aangeven open te staan voor de hulpverlening, blijkt ook dat er veel afspraken worden afgezegd. Het lukt hen hierdoor niet om daadwerkelijk en duurzaam te profiteren van de geboden hulpverlening. Dit maakt dat de betrokkenheid van de GI als regievoerder de komende periode nog noodzakelijk is. Het is van belang dat de GI de komende periode de huidige omgangsregeling evalueert, de voortgang van de ouderbegeleiding, het ouder-kindtraject en de speltherapie van [minderjarige] monitort en zorg draagt voor de voortzetting daarvan. Ook is het van belang dat de GI stevige regie voert op de grote hoeveelheid aan betrokken hulpverleners en dient de GI er voor te zorgen dat er tussen de verschillende hulpverleners over en weer en met de GI informatie wordt uitgewisseld, zodat er geen miscommunicaties kunnen ontstaan en een lijn wordt gevormd. Tot slot is het van belang dat de GI met de betrokken hulpverleners bespreekt dat zij de ouders, naast complimenteren, ook moeten confronteren, zodat de ouders hiervan op de hoogte zijn en de feedback daadwerkelijk kunnen toepassen. Op de zitting is immers gebleken dat de ouders ervaren alleen maar complimenten te ontvangen en niet worden meegenomen in de zorgen die er nog zijn. De ouders moeten weten waar zij nog aan moeten werken.
5.5.
De ondertoezichtstelling is, gelet op het voorgaande, nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt daarom – onweersproken – de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de verzochte duur van een jaar.
5.6.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk. De kinderrechter stelt vast dat de ouders, ondanks dat zij stappen hebben gezet, nog niet voldoen aan de door de GI gestelde voorwaarden voor een thuisplaatsing van [minderjarige] . Dit maakt dat een thuisplaatsing nog niet aan de orde is. Er is, doordat de ouders meerdere afspraken met de hulpverlening hebben afgezegd, nog te weinig zicht verkregen op de interactiepatronen tussen de ouders die geleid hebben tot huiselijk geweld, alsmede op hun emotieregulatie en impulsbeheersing. Ook moet de financiële situatie van de ouders nog stabiliseren en komen de ouders veel afspraken met de hulpverlening niet na. Het is de kinderrechter voorts gebleken dat het goed gaat met [minderjarige] in het huidige pleeggezin. Zij ervaart hier voldoende veiligheid en stabiliteit. Dit maakt dat de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin moet worden gecontinueerd. De GI is voornemens om over zes maanden een perspectiefbesluit te nemen, hetgeen maakt dat van de ouders wordt verwacht dat zij zich de komende periode in (blijven) zetten voor het behalen van de doelen en stappen gaan zetten. Het is van belang dat zij, met de hulpverlening, werken aan het opstellen van een (gezamenlijk) signaleringsplan en de afspraken met de hulpverlening nakomen, zodat zicht kan worden verkregen op de patronen van huiselijk geweld. De kinderrechter begrijpt dat de hoeveelheid aan afspraken veel van de ouders vraagt en een groot beroep op hen doet, maar wijst de ouders erop dat het nakomen van de afspraken essentieel is voor het behalen van de doelen en daarmee het bewerkstelligen van een veilige thuisplaatsing van [minderjarige] .
5.7.
Gelet op het voorgaande verlengt de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin voor de duur van drie maanden, waarbij het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden. Door een nader toetsmoment te creëren, kan een vinger aan de pols worden gehouden met betrekking tot de voortgang van het werken aan de doelen door de ouders en wordt de ouders perspectief geboden. De nadere mondelinge behandeling zal plaatsvinden op
[datum] 2026 om [uur].
De GI wordt verzocht om uiterlijk een week voorafgaand aan de nadere zitting de rechtbank schriftelijk te informeren over de recente ontwikkelingen, waaronder de voortgang van de hulpverleningstrajecten van de ouders, en of zij het resterende deel van het verzoek handhaaft dan wel intrekt, onder gelijktijdige verstrekking daarvan aan de ouders.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 14 mei 2026 en tot 14 mei 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 14 mei 2026 en tot 14 augustus 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt de beslissing ten aanzien van het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing aan tot de mondelinge behandeling van
[datum] 2026 om [uur]ten overstaan van mr. S.E. van de Merbel voor de duur van 45 minuten;
6.5.
verzoekt de GI om
uiterlijk een weekvoorafgaand aan voornoemde mondelinge behandeling een briefrapportage toe te zenden, zulks met inachtneming van hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5.7. is overwogen;
6.6.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproep voor die mondelinge behandeling voor de GI, de ouders en de pleegouders;
6.7.
bepaalt dat [minderjarige] per aparte brief zal worden uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter;
6.8.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026 door mr. van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 18 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.