ECLI:NL:RBZWB:2026:4707

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
C/02/446776 / FA RK 26-1723
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • de Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:7 WvggzArt. 10:11 WvggzArt. 3:1 WvggzArt. 3:3 WvggzArt. 8:7 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Klacht ongegrond verklaard over dwangmedicatie bij verplichte zorg in psychiatrisch ziekenhuis

Verzoekster, opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis, klaagde over de toediening van dwangmedicatie die zij als bedreigend en vernederend ervaart, mede door onvoldoende uitleg en onduidelijkheid over de medicatie. Zij ervaart ernstige bijwerkingen en twijfelt aan de afstemming met haar cardioloog.

De zorgverantwoordelijke verweerder stelt dat de medicatie noodzakelijk is ter afwending van ernstig nadeel en stabilisatie van verzoekster, met positieve effecten en zorgvuldige monitoring, inclusief overleg met cardioloog.

De rechtbank oordeelt dat de klacht ongegrond is omdat het ernstig nadeel nog steeds aanwezig is, de dwangmedicatie proportioneel, subsidiar en effectief wordt toegepast, en de medische zorg zorgvuldig is. De behandeling draagt bij aan vermindering van wanen en verbetering van contact met de omgeving.

De zorgen van verzoekster over bijwerkingen en veiligheid zijn begrijpelijk maar vormen geen reden om de behandeling onrechtmatig te achten. De rechtbank bevestigt dat de verplichte zorg binnen de wettelijke kaders is verleend en verklaart de klacht ongegrond.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de klacht over dwangmedicatie ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de verplichte zorg.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446776 / FA RK 26-1723
Datum uitspraak: 28 april 2026
Beslissing over klacht ex artikel 10:7 lid 1 en Pro op het verzoek tot schadevergoeding ex artikel 10:11 lid 2 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)
Beschikking van 28 april 2026 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg op het ingediende verzoekschrift van
[verzoekster],
geboren op [geboortedag] 1958 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen verzoekster,
wonend in [plaats 1] ,
thans verblijvende in [psychiatrisch ziekenhuis] te [plaats 2] ,
advocaat mr. C.E.J.E. Kouijzer uit Middelburg.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
- de zorgverantwoordelijke psychiater van [psychiatrisch ziekenhuis] te [plaats 2] ,
- de geneesheer-directeur van [psychiatrisch ziekenhuis] te [plaats 2] .
De zorgaanbieder en de zorgverantwoordelijke worden hierna gezamenlijk aangeduid als de verweerder.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 3 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 april 2026. Daarbij zijn gehoord:
- verzoekster, bijgestaan door haar advocaat, mr. Kouijzer;
  • mevrouw [persoon 1] , behandelaar, verweerder;
  • mevrouw [persoon 2] , mede-behandelaar, verweerder.

2.Wat vaststaat

2.1.
Bij beschikking van 16 januari 2026 is een zorgmachtiging verleend voor verzoekster tot en met 16 juli 2026. De volgende vormen van verplichte zorg zijn daarin opgenomen:
- het toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles en het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- het opnemen in een accommodatie,
voor de duur van maximaal zes maanden.
2.2.
Op 20 januari 2026 is verzoekster opgenomen in de instelling [psychiatrisch ziekenhuis] . Op 26 februari 2026 heeft de zorgverantwoordelijke besloten om aan verzoekster verplichte zorg te verlenen in de vorm van toediening van dwangmedicatie. Deze beslissing is op dezelfde dag aan verzoekster uitgereikt.
2.3.
Op 2 maart 2026 heeft verzoekster bij de klachtencommissie een klachtschrift ingediend. Haar klacht ziet op het besluit van de zorgverantwoordelijken tot het verlenen van verplichte zorg in de vorm van toediening van dwangmedicatie.
2.4.
Bij beslissing van 12 maart 2026 heeft de klachtencommissie deze klacht ongegrond verklaard.
2.5.
Op 3 april 2026 is onderhavig verzoek bij de rechtbank ingediend.

3.Het verzoek en verweer

3.1.
Verzoekster verzoekt de beslissing van de klachtencommissie te vernietigen aangaande de klacht betreffende de toegepaste dwangmedicatie en het beklag gegrond te verklaren.
3.2.
Verweerder voert gemotiveerd verweer strekkende tot ongegrondverklaring van de klacht.

4.De beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat verzoekster ontvankelijk is in haar verzoek, aangezien het verzoek binnen de in artikel 10:7 lid 2 Wvggz Pro gestelde termijn van zes weken na de dag waarop de beslissing van de klachtencommissie aan verzoekster is meegedeeld bij de rechtbank is ingediend.
4.2.
Bij beschikking van 16 januari 2026 heeft de rechtbank een verzoekster een zorgmachtiging verleend tot en met 16 juli 2026. Voor het afwenden van het ernstig nadeel van verzoekster is onder andere de mogelijkheid tot het toedienen van medicatie als vorm van verplichte zorg opgenomen in de verleende zorgmachtiging. Tegen deze beschikking is geen cassatie ingesteld.
4.3.
Op grond van de artikelen 3:1 en 3:3 Wvggz kan, indien het gedrag van verzoeker als gevolg van zijn psychische stoornissen leidt tot ernstig nadeel, als uiterste middel de in een zorgmachtiging opgenomen verplichte zorg worden verleend als er geen mogelijkheden voor zorg op basis van vrijwilligheid zijn en er voor verzoeker geen minder bezwarende alternatieven met het beoogde effect zijn. Daarnaast dient het verlenen van verplichte zorg, gelet op het beoogde doel van verplichte zorg, evenredig te zijn en dient redelijkerwijs te verwachten te zijn dat het verlenen van verplichte zorg effectief is. De zorgaanbieder is daarbij op grond van artikel 8:7 Wvggz Pro verplicht deze zorg te verlenen als de noodzaak daartoe bestaat.
Standpunt van verzoekster
4.4.
Verzoekster kan zich niet verenigen met de beslissing van de klachtencommissie van 12 maart 2026, strekkende tot ongegrondverklaring van de klacht die namens verzoekster is ingediend. Verzoekster voert het volgende aan.
4.5.
Door en namens verzoekster wordt tijdens de zitting aangegeven dat verzoekster zich op het standpunt stelt dat de huidige medicatie en de wijze waarop deze wordt toegepast een ernstige inbreuk vormen op haar lichamelijke en geestelijke integriteit. Zij ervaart de gedwongen toediening van medicatie als bedreigend en vernederend, mede omdat zij naar eigen zeggen zonder voldoende uitleg of beantwoording van haar vragen onder dwang een injectie toegediend heeft gekregen. Daarbij is volgens haar onduidelijkheid ontstaan over de aard en duur van de medicatie, hetgeen haar wantrouwen heeft versterkt. Verzoekster geeft aan dat zij onvoldoende wordt geïnformeerd over de medicatie die zij ontvangt en dat zij zich niet serieus genomen voelt wanneer zij vragen stelt over werking en bijwerkingen.
4.6.
Daarnaast voert verzoekster aan dat zij ernstige en aanhoudende bijwerkingen ervaart, waaronder hartkloppingen, darmklachten en spontane hematomen. Gezien haar cardiale problematiek maakt zij zich grote zorgen over de veiligheid van de medicatie. Zij betwijfelt of daadwerkelijk voldoende afstemming heeft plaatsgevonden tussen de behandelaren en haar cardioloog en longarts, nu onderzoeken volgens haar nog liepen en een schriftelijke bevestiging van instemming door de cardioloog ontbreekt. Dit gebrek aan transparantie en duidelijkheid versterkt haar gevoelens van angst en onzekerheid. Volgens verzoekster wegen de belastende bijwerkingen en de ervaren dwang niet op tegen het vermeende positieve effect van de medicatie. Zij stelt dat geen sprake meer is van zodanig ernstig nadeel dat voortzetting van dwangmedicatie noodzakelijk maakt. Daarbij benadrukt zij dat zij zichzelf geestelijk stabieler ervaart en meer baat denkt te hebben bij therapeutische gesprekken en passende begeleiding dan bij verdere ophoging of voortzetting van de medicatie. Onder deze omstandigheden acht zij de toepassing van dwangmedicatie disproportioneel en onvoldoende zorgvuldig.
Standpunt van verweerder
4.7.
Verweerder voert het volgende aan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de inzet van medicatie waaronder zo nodig dwangmedicatie noodzakelijk is ter afwending van het ernstig nadeel en om betrokkene te stabiliseren. Bij de opname stonden volgens verweerder de somatische wanen sterk op de voorgrond en leidde dit tot ernstige spanningen en conflicten in het contact met haar omgeving, waaronder haar kinderen. Stabilisatie op de afdeling alleen bleek onvoldoende waardoor behandeling met anti-psychotische medicatie noodzakelijk werd geacht. Daarbij is bewust gekozen voor Haldol omdat dit naar verwachting het minst belastende middel voor verzoekster zou zijn. Volgens verweerder laat betrokkene inmiddels positieve veranderingen zien sinds de start van de medicatie. De somatische wanen staan minder op de voorgrond, er is meer rust ontstaan en het contact met verzoekster is verbeterd. Waar eerder veel strijd en wantrouwen bestonden, is er nu meer ruimte voor gesprek en samenwerking. Verweerder geeft aan dat verzoekster hierdoor weer meer in contact komt met haar omgeving en dat wordt toegewerkt naar herstel en een veilige terugkeer naar huis. Tegelijkertijd benadrukt verweerder dat er nog sprake is van een instelfase waarin zorgvuldig wordt onderzocht welke dosering en welke medicatie het meest passend zijn. Ten aanzien van de lichamelijke zorgen van verweerder voert verweerder aan dat juist extra zorgvuldig is gehandeld. Er is herhaaldelijk overleg geweest met de cardioloog en er zijn meerdere hartfilmpjes gemaakt. Dit vaker dan volgens de richtlijnen gebruikelijk is. Verweerder heeft er juist voor gezorgd dat de veiligheid van de medicatie wordt bewaakt en heeft hiermee steeds geprobeerd verzoekster gerust te stellen. Volgens verweerder zijn er vanuit cardiologisch oogpunt geen bezwaren tegen de huidige medicatie naar voren gekomen. Daarnaast wordt voortdurend gemonitord of er sprake is van bijwerkingen en of aanpassing van de medicatie nodig is. Verweerder benadrukt verder dat een depotbehandeling nog niet aan de orde is omdat eerst via orale medicatie wordt onderzocht welke dosering effectief en verdraagbaar is. Indien verzoekster bereid is orale medicatie te gebruiken, zou dit het behandeltraject juist minder belastend maken. Volgens verweerder voldoet de toegepaste dwangmedicatie aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en effectiviteit nu deze noodzakelijk wordt geacht om verdere psychische ontregeling en escalatie te voorkomen en verzoekster perspectief op herstel te bieden.
4.8.
De rechtbank overweegt als volgt.
4.9.
Vooropgesteld wordt dat de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid.
4.10.
Uit de stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat de klacht ongegrond dient te worden verklaard. Hoewel verzoekster stelt dat er geen sprake meer is van ernstig nadeel vindt de rechtbank voldoende aannemelijk dat dit ernstig nadeel nog steeds aanwezig is indien de medicatie zou worden gestaakt. Uit de toelichting van verweerder blijkt dat er bij verzoekster sprake is geweest van wanen en ernstig wantrouwen, wat heeft geleid tot conflicten met haar omgeving waaronder met haar eigen kinderen. De huidige opname staat mede in het teken van diagnostiek, stabilisatie, het zoeken naar passende medicatie en terugwerken naar huis.
4.11.
De rechtbank acht voldoende onderbouwd dat de inzet van dwangmedicatie noodzakelijk is geworden doordat verzoekster de voorgeschreven orale medicatie weigerde. De toegediende injecties betroffen daarbij volgens verweerder een dosering die overeenkomt met de orale medicatie. Van een depotbehandeling is vooralsnog geen sprake nu eerst moet worden vastgesteld welke dosering en welk middel voor verzoekster passend en verdraagbaar zijn. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de toepassing van de dwangmedicatie aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en effectiviteit. Voldoende aannemelijk is geworden dat de medicatie bijdraagt aan vermindering van het wantrouwen en de wanen van verzoekster waardoor zij beter in staat lijkt contact te maken met haar omgeving en meer openstaat voor behandeling en begeleiding. De rechtbank acht het daarom aannemelijk dat met de behandeling wordt beoogd verdere psychische ontregeling en escalatie te voorkomen.
4.12.
Ten aanzien van de door verzoekster geuite zorgen over haar hartklachten en de mogelijke invloed van de medicatie daarop overweegt de rechtbank dat verweerder onweersproken heeft toegelicht dat herhaaldelijk afstemming heeft plaatsgevonden met de cardioloog en dat aanvullende controles waaronder hartfilmpjes zijn verricht. Dat verzoekster desondanks twijfels houdt over de veiligheid van de medicatie en onvoldoende vertrouwen heeft in deze afstemming maakt niet dat de rechtbank de medische noodzaak en zorgvuldigheid van de behandeling onvoldoende acht. De rechtbank begrijpt dat deze zorgen voor verzoekster belastend zijn maar ziet hierin onvoldoende aanleiding om te oordelen dat de toepassing van de medicatie onrechtmatig of disproportioneel is.
4.13.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft besloten tot het verlenen van verplichte zorg in de vorm het toedienen van depotmedicatie aan verzoekster en dat bij die beslissing is voldaan aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. De klacht wordt daarom ongegrond verklaard.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verklaart de klacht ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mr. de Beer, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026, in aanwezigheid van van Dijke, griffier.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.