ECLI:NL:RBZWB:2026:4698

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
C/02/428587 FA RK 24-5241
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
  • Haerkens-Wouters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 1 EU-Verordening nr. 2019/1111Art. 265 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 5 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 336 Turks Burgerlijk Wetboek
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling zorgregeling na echtscheiding met gezamenlijke gezagsuitoefening

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de vrouw tot vaststelling van een zorgregeling voor haar drie minderjarige kinderen, geboren in Turkije en met de Nederlandse nationaliteit. Partijen waren gehuwd geweest en oefenden gezamenlijk het ouderlijk gezag uit. De Turkse beschikking over het gezag werd in Nederland niet erkend vanwege het verblijf van de kinderen in Nederland.

De vrouw stelde dat de vader zijn zorgverplichtingen niet nakomt en dat het contact tussen vader en kinderen in 2025 vrijwel ontbrak. In 2026 werd een regeling getroffen waarbij de kinderen om de week bij de vader waren, maar de vader was vaak afwezig en de zorg werd vooral gedragen door de grootmoeder van vaderszijde. De Raad voor de Kinderbescherming benadrukte het belang van structureel contact tussen vader en kinderen.

De rechtbank oordeelde dat het gezamenlijk gezag ook de plicht tot verzorging en opvoeding omvat en dat het contact met de vader in het belang van de kinderen is. Ondanks de afwezigheid van de vader in de procedure en bij contactmomenten, werd het verzoek van de vrouw toegewezen en een zorgregeling vastgesteld. Het verzoek tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage werd ingetrokken en afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank stelt een zorgregeling vast waarbij de kinderen om de twee weken bij de vader zijn, ondanks diens afwezigheid en niet-nakoming van eerdere afspraken.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/428587 FA RK 24-5241
datum uitspraak: 28 april 2026
beschikking betreffende de zorgregeling en levensonderhoud
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. S. Kandemir,
advocaat voorheen mr. S. Atceken-Ata,
en
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
zonder advocaat.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 11 november 2024 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 28 november 2024 ontvangen aangepaste verzoekschrift met bijlagen;
- het F9-formulier van mr. Atceken-Ata van 2 december 2024 met bijlagen;
- het F9-formulier van mr. Atceken-Ata van 28 december 2024 met bijlage;
- het F9-formulier van mr. Kandemir van 28 juni 2025 met bijlagen;
- het F9-formulier van mr. Kandemir van 18 augustus 2025 met bijlagen;
- het F9-formulier van mr. Kandemir van 27 oktober 2025 met bijlagen;
- de brief van de griffier van deze rechtbank van 13 januari 2026 aan de man;
- de beschikking van de rechtbank van de Republiek Turkije, Kamer voor Familiezaken te Kuşadasi van 21 december 2022.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 24 maart 2026. Bij die gelegenheid is de vrouw verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad.
1.3 Na de zitting is, op verzoek en met instemming van de rechtbank, ontvangen het F9-formulier van mr. Kandemir van 24 maart 2026 met bijlage.
1.4 Bij voormelde brief is de man opgeroepen voor de zitting. De man is niet op de zitting verschenen. Hij heeft ook geen verweerschrift ingediend.
1.5 Na te noemen minderjarige [minderjarige 1] is, gelet op haar leeftijd, in staat gesteld haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Zij heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt en op 23 maart 2026 met de kinderrechter gesproken. Met haar toestemming heeft de kinderrechter de inhoud van dat gesprek tijdens de zitting aan de vrouw medegedeeld.

2.De feiten

2.1
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van 1 juli 2013 tot 10 januari 2023;
- uit hun huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren te Turkije op [geboortedag 1] 2014 (hierna: [minderjarige 1] ),
2. [minderjarige 2] , geboren te Turkije op [geboortedag 2] 2019 (hierna: [minderjarige 2] ),
3. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2022 (hierna: [minderjarige 3] );
- partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over hun minderjarige kinderen (zie hierna onder rechtsoverweging 4.4.);
- er is geen rechterlijke uitspraak van kracht ter zake de zorgregeling;
- de vrouw en de man hebben (in elk geval) de Turkse nationaliteit;
- de minderjarigen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3.Het verzoek

3.1
De vrouw verzoekt nu, samengevat, vaststelling van een zorgregeling.
3.2
Ten tijde van de indiening van het verzoekschrift was krachtens een beschikking van de kantonrechter in deze rechtbank bewind ingesteld ten behoeve van de vrouw. Tijdens de zitting heeft de vrouw verklaard dat het bewind inmiddels op 27 oktober 2025 is opgeheven. Zoals besproken tijdens de zitting heeft de vrouw na de zitting de beschikking van de kantonrechter overgelegd waaruit dit blijkt (bij F9-formulier van 24 maart 2026). De vrouw heeft verder verklaard dat zij, om haar moverende redenen, het verzoek tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage voor de kinderen intrekt. Dit verzoek is daarom niet besproken tijdens de zitting.

4.De beoordeling

Rechtsmacht, toepasselijk recht en erkenning
4.1
De kinderen zijn in Turkije geboren en beide partijen hebben (in ieder geval) de Turkse nationaliteit hebben. Deze zaak heeft daarom een internationaal karakter. Gelet op deze internationale aspecten, moet de rechtbank eerst vaststellen of zij internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek van de vrouw.
4.2
Op grond van artikel 7 lid 1 van Pro de EU-Verordening nr. 2019/1111 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid en betreffende internationale kinderontvoering (Brussel II-ter) is de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van het verzoek van de vrouw, omdat de kinderen op het moment dat het verzoek werd ingediend hun gewone verblijfplaats hadden (en nog steeds hebben) in Nederland. Op basis van artikel 265 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, relatief bevoegd, omdat het verzoek betrekking heeft op kinderen die hun woonplaats hebben in het arrondissement van deze rechtbank.
4.3
Het toepasselijk recht moet worden vastgesteld aan de hand van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKBV 1996). Op basis van artikel 15 lid 1 van Pro dit Verdrag, is Nederlands recht van toepassing op het verzoek.
4.4
Voordat de rechtbank ingaat op het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een contactregeling, acht zij het van belang om de geldende gezagsverhouding tussen partijen en hun kinderen duidelijk te hebben. In het verzoekschrift heeft de vrouw gesteld dat partijen gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over hun kinderen. In de echtscheidingsbeschikking van 21 december 2022 van de Turkse rechter is, naast het uitspreken van onder meer de echtscheiding, beslist dat de vrouw na de echtscheiding alleen wordt belast met het gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De vraag die de rechtbank daarom eerst moet beantwoorden, is of deze beschikking ten aanzien van die beslissing omtrent het ouderlijk gezag in Nederland voor erkenning in aanmerking komt. De rechtbank heeft in dit verband ambtshalve kennis genomen van het vonnis in kort geding van deze rechtbank van 24 juli 2024 (zaaknummer: C/02/437173 / KG ZA 25-341) en verwijst naar de rechtsoverwegingen 3.8. tot en met 3.11. In deze procedure vorderde de vrouw nakoming door de man van de contactregeling die was vastgelegd in de eerder genoemde beschikking van de Turkse rechtbank van 21 december 2022.
4.5
Het HKBV 1996, waarbij zowel Nederland als Turkije partij zijn, is van toepassing op de erkenning van de Turkse beschikking voor zover daarbij een beslissing is genomen over het gezag over de kinderen. De rechtbank is op grond van artikel 5 van Pro het HKBV 1996 van oordeel dat de Turkse rechter niet bevoegd was om een beslissing te nemen omtrent het ouderlijk gezag, omdat zij, net als de voorzieningenrechter van oordeel was, dat de gewone verblijfplaats van de kinderen ten tijde van de Turkse beschikking in Nederland was (zie ook rechtsoverweging 3.9. van het genoemde kort geding vonnis). Dit betekent dat de Turkse beschikking op dit onderdeel niet in Nederland voor erkenning vatbaar is.
4.6
Op basis van artikel 336 van Pro het Turks Burgerlijk Wetboek oefenen de man en de vrouw gedurende het huwelijk gezamenlijk het ouderlijk gezag uit. Het gegeven dat de rechtbank de beslissing van de Turkse rechtbank ten aanzien van het gezag niet kan erkennen, betekent dus dat partijen nog steeds samen het gezag over hun kinderen hebben. De rechtbank zal hiervan uitgaan bij de beoordeling van het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling.
Zorgregeling
4.7
De vrouw legt het volgende aan haar verzoek ten grondslag. In 2025 is er nagenoeg geen contact geweest tussen de man en de kinderen. Begin 2026 hebben partijen weer overleg met elkaar kunnen voeren en hebben zij afgesproken dat de kinderen om de week van vrijdag na school tot zondag 17.00 uur bij de man zijn. Deze regeling wordt ook uitgevoerd, maar het is meestal zo dat de man daarbij niet aanwezig is. In plaats van de man, draagt vooral oma (vaders zijde) de zorg voor de kinderen. Oma haalt de kinderen gewoonlijk vrijdag op uit school en neemt ze dan mee naar haar huis. In sommige weekenden neemt oma de kinderen mee naar het kantoor van de man, zodat de kinderen hun vader wel even kunnen zien. Verder is [minderjarige 1] tijdens het contactweekend ook vaak bij haar nichtje, die naast oma woont, en soms slaapt zij daar ook. Hoewel de vrouw het betreurt dat de man zo vaak afwezig is bij de contactmomenten, vindt zij wel dat de wijze waarop de zorgregeling nu verloopt in het belang is van de kinderen. Het gaat goed met de kinderen als ze bij hun oma zijn, zij genieten van het bezoek en op deze manier kunnen de kinderen hun vader toch af en toe zien. De vrouw wil dan ook dat de verzochte regeling wordt vastgelegd.
4.8
De vertegenwoordigster van de Raad heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat het kwalijk is dat de man zijn verplichting om voor de kinderen te zorgen niet nakomt en zijn verantwoordelijkheid niet neemt. Voor de kinderen is het belangrijk dat zij structureel op regelmatige basis contact hebben met hun vader en dat zij hem goed leren kennen. De Raad vraagt zich wel af of het vastleggen van een zorgregeling ervoor zal gaan zorgen dat de man wel met regelmaat de zorg voor de kinderen op zich zal nemen. Los daarvan vindt de Raad het wel van belang voor, en daarmee in het belang van de kinderen dat een regeling wordt vastgelegd.
4.9
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals hiervoor is overwogen hebben zowel de vrouw als de man het ouderlijk gezag over hun kinderen. Uit de wet volgt dat het gezag het recht, maar ook de plicht omvat van beide ouders om hun kinderen zelf te verzorgen en opvoeden. En de vrouw heeft de plicht de band met de andere ouder te bevorderen
4.1
Uit hetgeen tijdens de zitting onweersproken door de vrouw is verklaard leidt de rechtbank af dat de sporadische contactmomenten die er zijn tussen de man en de kinderen goed verlopen en dat de kinderen er plezier aan beleven. Verder is naar voren gekomen dat de kinderen het contact met hun oma en familie fijn vinden. Het voorgaande volgt ook uit het gesprek dat de kinderrechter met [minderjarige 1] heeft gehad. Zij geeft aan dat ze het fijn vindt dat er nu in 2026 weer contact met hem is. In 2025 heeft zij hem namelijk niet tot nauwelijks gezien. Daarbij heeft [minderjarige 1] ook verteld dat ze het heel jammer vindt dat ze haar vader zo weinig ziet. Zij mist hem. Uit de stukken en de zitting volgt tenslotte dat [minderjarige 3] en [minderjarige 2] hun vader graag vaker willen zien.
4.11
De rechtbank vindt het betreurenswaardig, en daarbij zorgelijk, dat de man niet in de procedure is verschenen en het ook tijdens de zitting laat afweten. Zij vraagt zich af of de man zich voldoende realiseert welke gevolgen/impact zijn houding en opstelling voor een kind heeft c.q. kan hebben. Een grotere rol van de man in het leven van de kinderen, door het hebben van positief en structureel contact met elkaar, zal een positieve invloed hebben op de ontwikkeling van de kinderen, en vooral op hun vaderbeeld, en is alleen daarom al in hun belang. De rechtbank spreekt dan ook de hoop uit dat de man zijn prioriteiten bij de kinderen gaat leggen in de weekenden dat contact met hem gepland staat zodat in de toekomst bestendig uitvoering gegeven gaat/kan worden aan de twee wekelijkse zorgregeling, zodat hij de kinderen meer en op regelmatigere basis ziet dan in de afgelopen tijd het geval is geweest. Op die manier is het contact van de kinderen ook meer voorspelbaar en worden zij niet steeds opnieuw teleurgesteld als de man toch niet tijdens een weekend aanwezig is/verschijnt. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen, aangezien er geen rechtens relevante gronden zijn voor het niet vastleggen van een zorgregeling. Daarbij sluit het verzoek van de vrouw aan bij voormeld wettelijk uitgangspunt dat de ouder met gezag niet alleen het recht, maar ook de verplichting heeft kinderen te verzorgen en op te voeden.
4.12
Het verzoek tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage is ingetrokken, zodat dit verzoek niet meer kan worden onderzocht. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank
bepaalt dat de man en de minderjarigen
1. [minderjarige 1] , geboren te Turkije op [geboortedag 1] 2014 (hierna: [minderjarige 1] ),
2. [minderjarige 2] , geboren te Turkije op [geboortedag 2] 2019 (hierna: [minderjarige 2] ),
3. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2022 (hierna: [minderjarige 3] );
in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar éénmaal per twee weken van vrijdag uit school/opvang tot zondag 18.00 uur en tijdens de helft van de vakanties en feestdagen, waarover de man en de vrouw samen verdere afspraken moeten maken;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Haerkens-Wouters, en in tegenwoordigheid van mr. Maas-Klink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.