Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4693

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
25/3894
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 WooArt. 2.1 WooArt. 4.1 WooArt. 4.4 WooArt. 4.5 Woo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Openbaarmaking bedrijfsnaam en adresgegevens in Woo-verzoek over dierenwelzijnsinspecties toegestaan

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een beroep van eiseres tegen het besluit van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur om documenten openbaar te maken op grond van de Wet open overheid (Woo). Het geschil spitst zich toe op de openbaarmaking van de bedrijfsnaam en adresgegevens van eiseres in inspectierapporten en bevindingen van de NVWA over welzijnsschendingen bij roodvleesslachterijen en aanvoer van dieren.

Eiseres betoogt dat deze persoonsgegevens niet openbaar mogen worden gemaakt vanwege privacybescherming en het risico op dierenrechtenactivisme en sabotage. De rechtbank stelt vast dat de bedrijfsnaam en adresgegevens binnen de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen en dat de minister deze gegevens in redelijkheid openbaar mocht maken. De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin het publieke belang van openbaarheid zwaarder weegt dan privacybelangen bij bedrijfsnamen die ook familienaamen bevatten.

De rechtbank oordeelt dat de vrees voor dierenrechtenactivisme onvoldoende concreet is om openbaarmaking te weigeren en dat de mogelijke reputatieschade en stigmatisering niet leiden tot een onevenredige benadeling. Het belang van transparantie over toezicht op dierenwelzijn en het maatschappelijk debat weegt zwaarder. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de minister de bedrijfsnaam en adresgegevens van eiseres in redelijkheid openbaar mocht maken.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3894 WOO

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de minister

(gemachtigde: mr. J.J. Ton).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beslissing op het bezwaar van 14 juli 2025 (hierna: bestreden besluit) waarin de minister het bezwaar van eiseres ongegrond heeft verklaard. Het bezwaar was gericht tegen het besluit van de minister van 31 oktober 2024 waarin hij heeft besloten om documenten openbaar te maken op grond van de Wet open overheid (hierna: Woo). Een aantal van deze documenten bevat de bedrijfsnaam en adresgegevens van eiseres. Zij is het niet eens met openbaarmaking van deze gegevens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de openbaarmaking van de bedrijfsnaam en adresgegevens.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de bedrijfsnaam en adresgegevens van eiseres in redelijkheid openbaar mocht maken
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 10 juli 2024 heeft de [stichting] (hierna: de Stichting) een verzoek ingediend op grond van de Woo (hierna: Woo-verzoek) bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA). De minister heeft bij besluit van 31 oktober 2024 de beslissing genomen om in totaal 291 documenten en 145 video’s (gedeeltelijk) openbaar te maken (hierna: Woo-besluit). Met het bestreden besluit van 14 juli 2025 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard en de beslissing op het Woo-verzoek in stand gelaten.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
Een zitting is met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) achterwege gebleven. De Stichting heeft in haar brief van 5 december 2025 aan de rechtbank bericht dat zij niet als partij aan de procedure zal deelnemen. Eiseres heeft op 10 april 2026 schriftelijk aan de rechtbank gemeld dat zij geen gebruik wil maken van het recht om op zitting te worden gehoord en de minister heeft dit gedaan op 28 april 2026. De rechtbank heeft het onderzoek in de zaak vervolgens gesloten op 28 april 2026.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. Met het Woo-verzoek heeft de Stichting gevraagd om de volgende informatie openbaar te maken:
  • Alle inspectierapporten en rapporten van bevindingen die de NVWA heeft opgemaakt in de periode 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024 naar aanleiding van welzijnsschendingen bij de Nederlandse roodvleesslachterijen en bij de aanvoer van dieren, inclusief bijbehorende documenten, zoals veterinaire verklaringen, bevindingenbrieven, waarschuwingsbrieven en het bijbehorende beeld- en audiomateriaal.
  • De specifieke interventies die uit deze inspecties zijn voortgekomen, zoals corrigerende en bestraffende maatregelen, waaronder tenminste vallen – maar niet beperkt tot – schriftelijke waarschuwingen, bestuurlijke boetes en boeterapporten, alsmede opgemaakte processen-verbaal t.b.v. strafrechtelijke vervolging door het Openbaar Ministerie.
  • Alle (interne) werkinstructies van directie Keuren die zien op dierenwelzijnsinspecties bij Nederlandse roodvleesslachterijen.
De Stichting heeft verzocht om de documenten inclusief de bedrijfsnaam van ‘het betrokken slachthuis’ openbaar te maken in lijn met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) van 6 februari 2023. [1]
3.1.
Op 31 oktober 2024 heeft de minister het Woo-besluit genomen. Op 26 november 2024 heeft eiseres een bezwaarschrift ingediend tegen openbaarmaking van de documenten waarin haar persoonsgegevens staan. Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiseres een beroepschrift ingediend.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft het bezwaar ongegrond verklaard en het Woo-beluit in stand gelaten. In de eerste plaats vallen persoonsgegevens van eiseres wel binnen de reikwijdte van het Woo-verzoek, omdat expliciet wordt verzocht om openbaarmaking van documenten inclusief de bedrijfsnaam van de betrokken slachthuizen. Uit niets blijkt dat de Stichting bedrijfsgegevens zoals de naam- en adresgegevens buiten de reikwijdte van het verzoek heeft willen houden.
Ten tweede heeft eiseres geen omstandigheden aangevoerd die rechtvaardigen dat informatie moet worden geweigerd op grond van de uitzonderingsgronden van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e en h, van de Woo en de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo.
- In de documenten heeft de minister persoonsgegevens weggelakt op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo die (indirect) te herleiden zijn tot een persoon. Dit zijn namen, e-mailadressen, telefoonnummers en functienamen. De bedrijfsnaam en adresgegevens van het bedrijf zijn ook persoonsgegevens. [2] Deze gegevens heeft de minister echter niet weggelakt, omdat eiseres zelf ervoor heeft gekozen om met deze naam aan het handelsverkeer deel te nemen. Weglakken levert een ongerechtvaardigd onderscheid op. [3] Openbaarmaking is noodzakelijk omdat op grond van de Woo overheidsinformatie voor eenieder openbaar dient te zijn. De beperkingssystematiek van de Woo levert geen strijd op met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. [4]
- De enkele vrees voor dierenrechtenactivisme is onvoldoende om met succes een beroep te kunnen doen op de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder h, van de Woo. [5] Eiseres verwijst naar mediaberichten uit 2022 en 2023 waaruit blijkt dat sectorgenoten met (dierenrechten)activisme zijn geconfronteerd. Daaruit blijkt echter geen concrete en actuele dreiging richting eiseres.
- De documenten met persoonsgegevens van eiseres betreffen een rapport van bevindingen van de NVWA met bijlagen. Dit rapport gaat over inspectie en toezicht op het dierenwelzijn. Op 8 februari 2023 heeft de ABRvS een uitspraak gedaan over openbaarmaking van bedrijfsnamen van slachthuizen. [6] Hieruit volgt dat het publieke belang van openbaarmaking onvoldoende wordt gediend door een geanonimiseerde openbaarmaking van het inspectierapport. Openbaarmaking is het uitgangspunt en alleen in een bijzondere omstandigheid kan hiervan worden afgeweken. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich in haar geval bijzondere omstandigheden voordoen die een uitzondering rechtvaardigen op het uitgangspunt dat openbaarheid de regel is.
Ten slotte is de minister het niet met eiseres eens dat er belangrijke inhoudelijke verschillen bestaan tussen haar zaak en de zaken in de uitspraken van de ABRvS van 8 februari 2023 en 12 juli 2023. Eiseres stelt dat in die zaken slechts sprake was van openbaarmaking van de namen van slachthuizen en dat de namen van de slachthuizen geen persoons- of adresgegevens betreffen. De minister vindt dat deze uitspraken wel van toepassing zijn, omdat het bij slachthuizen ook geregeld voorkomt dat de eigenaren op het bedrijfsterrein wonen en dat er familienamen in de bedrijfsnaam zijn verwerkt.
Omvang van het geschil
5. Met het Woo-besluit heeft de minister de beslissing genomen om 291 documenten en 145 video’s (gedeeltelijk) openbaar te maken. Het beroep van eiseres gaat enkel over de documenten waarin haar persoonsgegevens staan. De minister heeft voor de behandeling van het beroep vijf documenten bij de rechtbank ingediend waarin persoonsgegevens van eiseres zouden staan. Alle andere documenten waartoe de minister heeft besloten om deze openbaar te maken met het Woo-besluit, vallen buiten de omvang van dit geschil. Alle andere documenten beoordeelt de rechtbank dus niet.
In de vijf documenten heeft de minister passages weggelakt. Tegen het weglakken heeft eiseres geen gronden aangevoerd. De minister heeft verder geen ongelakte versies van deze documenten ingediend met toepassing van artikel 8:29 van Pro de Awb. De reeds gelakte passages zal de rechtbank daarom ook niet beoordelen.
5.1.
Eiseres vindt dat in de vijf documenten teveel informatie openbaar wordt gemaakt. Persoonsgegevens vallen volgens haar namelijk buiten de reikwijdte van het verzoek en diverse uitzonderingsgronden van de Woo zijn aan de orde of moeten ruimer worden toegepast. Tussen partijen staat niet ter discussie dat in de vijf documenten de bedrijfsnaam en het bedrijfsadres vermeld staan en dat dit persoonsgegevens zijn. De rechtbank zal beoordelen of de minister in redelijkheid heeft kunnen besluiten om deze persoonsgegevens openbaar te (gaan) maken.
Toetsingskader
6. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Vallen persoonsgegevens buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek?
7. Eiseres stelt dat het verstrekken van persoonsgegevens buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek valt. In de tekst van het verzoek wordt namelijk alleen gevraagd om openbaarmaking van de (bedrijfs)namen en adresgegevens van slachthuizen. Eiseres voert echter een melkveebedrijf en van de aanleverende bedrijven wordt deze informatie niet gevraagd. De verantwoordelijkheid voor het specificeren van het Woo-verzoek ligt bij de verzoeker. Het is niet aan de minister om hier zelf een eigen invulling aan te geven, maar hij had hierover navraag moeten doen bij de Stichting.
7.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister op goede gronden heeft geconcludeerd dat de bedrijfsnaam en adresgegevens van eiseres binnen de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen. De minister hoefde de openbaarmaking van de gegevens dus niet om deze reden te weigeren. De rechtbank stelt voorop dat de tekst onder het eerste punt van het Woo-verzoek expliciet benoemt: “alle inspectierapporten en rapporten van bevindingen […] naar aanleiding van welzijnsschendingen bij de Nederlandse roodvleesslachterijen
en bij de aanvoer van dieren, inclusief bijbehorende documenten, zoals veterinaire verklaringen, bevindingenbrieven, waarschuwingsbrieven en het bijbehorende beeld- en audiomateriaal.” De minister heeft hieruit kunnen afleiden dat het Woo-verzoek niet alleen ziet op informatie over slachthuizen, maar ook op andere bedrijven in deze keten zoals het melkveebedrijf van eiseres. Het staat verder niet ter discussie dat de vijf documenten als zodanig gelet op de inhoud vallen onder de reikwijdte van punt één en twee van het Woo-verzoek. In deze documenten staan de bedrijfsnaam en het bedrijfsadres van eiseres vermeld, waardoor deze informatie ook om die reden in beginsel binnen de reikwijdte van het verzoek valt. Een andere interpretatie van het Woo-verzoek zou in dit geval te restrictief zijn. Zowel onderdeel één als twee van het Woo-verzoek rechtvaardigen dus de conclusie van de minister dat de bedrijfsnaam (en het bedrijfsadres) van eiseres binnen de reikwijdte van het Woo-verzoek valt.
Dat de Stichting op de tweede pagina heeft verzocht om openbaarmaking van specifiek de bedrijfsnaam van het betrokken slachthuis, doet niets aan af aan deze conclusie. Deze toevoeging kan ook worden geïnterpreteerd als specificatie dat de Stichting in ieder geval (maar niet uitsluitend) verzoekt om openbaarmaking van de namen van de betrokken slachthuizen. Uit de context van de overige tekst van het verzoek volgt ook niet dat deze specificatie is bedoeld als beperking van de reikwijdte tot alleen het verstrekken van namen van slachthuizen. Ten slotte heeft de Stichting geen bezwaar gemaakt tegen het Woo-besluit. Dat wijst erop dat zij zich kon vinden in de interpretatie van de minister van haar Woo-verzoek.
Vallen de persoonsgegevens onder de bescherming van de persoonlijke levenssfeer?
8. Eiseres vindt dat artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo van toepassing is. Openbaarmaking van de bedrijfs- en adresgegevens weegt namelijk niet op tegen de privacy inbreuk en het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van eiseres en de vennoten. Eiseres is het er niet mee eens dat de minister meeweegt dat eiseres zelf ervoor heeft gekozen om deel te nemen aan het handelsverkeer met een bedrijfsnaam waarin de familienaam is opgenomen. De keuze voor een bedrijfsnaam heeft namelijk niets te maken met de Woo, maar is gelegen in marketing, herkenbaarheid en reputatie. De minister had bovendien moeten meewegen dat openbaarmaking van de bedrijfsnaam en adresgegevens geen ander doel kan hebben dan het identificeren van de vennoten. Een maatschappelijk debat kan ook zonder deze gegevens worden gevoerd. [7]
8.1.
De rechtbank oordeelt dat openbaarmaking van de bedrijfsnaam en adresgegevens geen ongerechtvaardigde inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van eiseres. De minister hoefde openbaarmaking dus niet te weigeren op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo.
De ABRvS heeft op 12 juli 2023 een uitspraak gedaan over het openbaar maken van bedrijfsnamen en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob). [8] Het bestuursorgaan in die zaak had openbaarmaking van (een aantal) bedrijfsnamen geweigerd, omdat daarin de familienaam voorkwam waardoor het ook mogelijk was om de woonadressen van de families te achterhalen. In de uitspraak beaamt de ABRvS dat het openbaar maken van deze familienamen een inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van de bij die bedrijven betrokken personen, maar het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer weegt in dat geval echter niet zwaarder dan het belang van openbaarmaking van de bedrijfsnamen. Het uitgangspunt van de Wob is namelijk dat openbaarheid de regel is en dat uitgangspunt weegt zwaar in de belangenafweging. De vrees voor acties van activisten was niet concreet gemaakt. [9] De algemene verwijzing naar nieuwsberichten over acties bij bedrijven van activisten is onvoldoende om aannemelijk te maken dat er ook een concreet en actueel risico is dat de bedrijven worden geconfronteerd met dergelijke acties. Bovendien mag openbaarmaking van de bedrijfsnamen niet afhankelijk zijn van de omstandigheid of een bedrijf ervoor kiest zijn eigen familienaam daarvoor te gebruiken. Voor zover de families achter de bedrijven door openbaarmaking van de bedrijfsnamen vrezen voor stigmatisering, is van belang dat het een vrije keuze is om de familienaam als bedrijfsnaam te gebruiken.
De rechtbank heeft geen reden om van deze rechtspraak af te wijken. Hoewel de uitspraak van de ABRvS gaat over artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob, acht de rechtbank deze ook van toepassing op artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo. De omstandigheden in die zaak zijn ook vergelijkbaar met de onderhavige situatie, omdat het in beide zaken gaat om openbaarmaking van bedrijfsnamen waarin de familienaam voorkomt. Bovendien zag die andere zaak ook op het openbaar maken van informatie over de wijze waarop een toezichthouder toezicht houdt op (agrarische) bedrijven. Dat maakt dat soortgelijke belangen zijn gediend bij het openbaar maken.
De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 maart 2020, maakt deze conclusie niet anders. Daargelaten dat die uitspraak van eerder dateert dan de rechtspraak van de ABRvS, is de conclusie dat de toepassing van de uitzonderingsgrond onvoldoende is gemotiveerd, omdat het publieke belang om de bedrijfsnamen openbaar te maken niet kenbaar was meegewogen. Openbaarmaking van de bedrijfsnamen kan wel degelijk van belang zijn voor het publieke belang.
Moest de minister openbaar maken weigeren vanwege sabotage of onevenredig nadeel?
9. Eiseres beroept zich op de uitzonderingsgronden van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder h, van de Woo (sabotage) en artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo (onevenredig nadeel). Zij vindt allereerst dat de minister doet aan ‘naming en shaming’. Eiseres vreest dat zij daardoor het slachtoffer zal worden van dierenrechtenactivisme en dus vreest zij voor sabotage en onevenredige benadeling. Als de interpretatie van de minister van het Woo-verzoek namelijk juist zou blijken dat de Stichting heeft gevraagd om de concrete naam- en adresgegevens van eiseres openbaar te maken, dan blijkt daaruit dat het doel van het Woo-verzoek is om eiseres te kunnen identificeren. In het verlengde van dat doel ligt het voor de hand dat anderen eiseres willen confronteren met de openbaar gemaakte informatie en wellicht met repressieve acties.
Ten tweede vindt eiseres dat zij onevenredig wordt benadeeld door openbaarmaking omdat dit gevolgen heeft voor haar integriteit, reputatie en veiligheid. Dat informatie over voedselveiligheid in beginsel openbaar is gelet op het maatschappelijk debat, gaat eraan voorbij dat ‘victim blaming’ niet essentieel is en zorgt voor polarisatie. Bovendien had de minister moeten meewegen dat eerder sprake is van onevenredige benadeling wanneer de informatie minder relevant is voor het maatschappelijk debat. Deze afweging ontbreekt.
Ten slotte legt de minister de lat te hoog door te stellen dat het aan eiseres is om een concrete dreiging voor confrontaties aannemelijk te maken. In meerdere uitspraken heeft de ABRvS immers geoordeeld dat de vrees voor dierenrechtenactivisme gerechtvaardigd is. [10] De rechtbank Den Haag oordeelde op grond van deze lijn dat een concrete dreiging niet hoefde te worden aangetoond. [11] Eiseres verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 maart 2020. [12] In het verlengde hiervan stelt eiseres dat zij een concrete en actuele dreiging niet kan onderbouwen, want dat zijn taken van de NCTB en AIVD. Die taken voeren zij uit op aansturen van de minister. Eiseres kan dus niet voldoen aan deze bewijslast.
9.1.
Naar oordeel van de rechtbank is niet gebleken van concrete aanknopingspunten voor dreigende acties in de richting van eiseres en dus hoefde de minister openbaarmaking van de bedrijfsnaam en adresgegevens niet achterwege te laten voor de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage. Om dezelfde reden is eiseres er naar oordeel van de rechtbank ook niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat zij onevenredig wordt benadeeld door de openbaarmaking van haar bedrijfsnaam. Het beroep van eiseres op artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder h, van de Woo en artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo slaagt dus niet.
9.2.
De ABRvS heeft op 8 februari 2023 een uitspraak gedaan over het openbaar maken van informatie over de inspectie, controle en het toezicht van de NVWA op zogeheten roodvleesslachthuizen. [13] Eerder in deze uitspraak verwees de rechtbank in overweging 8.1 bovendien naar de uitspraak van de ABRvS van 12 juli 2023. [14] Uit deze uitspraken volgt dat het uitgangspunt van de Wob (en de Woo) is dat bij de overheid berustende informatie in beginsel openbaar is, tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten. [15] Het openbaar maken van informatie over de wijze waarop een toezichthouder toezicht houdt op bedrijven, dient het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering. Openbaarmaking van deze informatie draagt bij aan het maatschappelijk debat en vergroot de transparantie van het toezicht door de NVWA. Van een uitzondering op het uitgangspunt dat openbaarheid de regel is, is slechts sprake als zich bijzondere omstandigheden voordoen. Een bijzondere omstandigheid is bijvoorbeeld aan de orde wanneer aannemelijk wordt gemaakt dat in Nederland (nog altijd) sprake is van een actuele dreiging van extremistische acties vanuit dierenrechtenactivisme in de richting van slachthuizen. [16] De enkele vrees voor dierenrechtenactivisme is echter onvoldoende om met succes een beroep te kunnen doen op de uitzonderingsgrond van onevenredige benadeling.
De rechtbank leidt hieruit af dat het in de onderhavige zaak aan eiseres is om concrete aanknopingspunten naar voren brengen waaruit volgt dat sprake is van een actuele dreiging van extremistische acties vanuit dierenrechtenactivisme in de richting van haar bedrijf. Uit de uitspraak van de ABRvS van 12 juli 2023 volgt verder dat de enkele omstandigheid dat sprake is van benadeling onvoldoende is, maar dat aannemelijk moet worden gemaakt dat de benadeling onevenredig is.
9.3.
In de eerste plaats is de algemene verwijzing van eiseres naar mediaberichten uit 2022 en 2023 onvoldoende om aannemelijk te maken dat sprake is van een actuele dreiging van extremistische acties vanuit dierenrechtenactivisme in haar richting. De minister wijst in reactie op het betoog van eiseres over de kans op extremistische acties op een ‘Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland’ van 9 december 2025 van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (hierna: NCTV). [17] De NCTV stelt dat gewelddadige extremistische acties door dierenrechtenextremisten in Nederland vrijwel niet voorkomen. Enkele uitzonderingen daargelaten, is van geweldsintenties binnen de dierenrechtenbeweging geen sprake. De beweging uit zich geruime tijd hoofdzakelijk activistisch, bijvoorbeeld door geweldloos te demonstreren. De rechtbank volgt de minister dat ook uit deze publicatie geen concrete en actuele dreiging kan worden afgeleid. De rechtbank weegt voor het dreigingsbeeld ook mee dat één van de vennoten volgens het verslag van de hoorzitting bij de bezwaarschriftencommissie heeft verklaard dat er geen aanwijzingen zijn voor sabotage of andere risico’s voor het bedrijf. De rechtbank maakt hieruit op dat ook rond de datum van het bestreden besluit, geen concrete aanknopingspunten waren voor dreigende acties. De zorgen die de vennoot uitte over dat activisten zouden langskomen na openbaarmaking, zijn onvoldoende concreet. De rechtbank concludeert daarom dat het openbaar maken van de bedrijfsnaam niet achterwege moest worden gelaten vanwege de enkele vrees voor dierenrechtenactivisme en de daaruit voortvloeiende vrees voor sabotage en benadeling. Eiseres is er verder niet in geslaagd om een (andere) bijzondere omstandigheid aan te voeren waaruit volgt dat sprake is van onevenredige benadeling. Hiertoe is onvoldoende dat openbaarmaking van tot haar bedrijf herleidbare informatie tot reputatieschade, stigmatisering van betrokken ondernemers en eventueel financiële schade kan leiden. Dat betekent nog niet dat de benadeling onevenredig is.
9.4.
De rechtbank volgt de stelling van eiseres ook niet dat openbaarmaking van haar bedrijfsnaam het maatschappelijk debat niet zou dienen. De ABRvS overwoog in de uitspraak van 8 februari 2023 immers dat het publieke belang van openbaarmaking niet in voldoende mate wordt gediend door een geanonimiseerde openbaarmaking van de inspectierapporten. [18] Onderwerpen als voedselveiligheid en dierenwelzijn staan in de maatschappelijke belangstelling en het verstrekken van bij de overheid aanwezige informatie over welke onderneming welke bedrijfsactiviteiten op welke wijze in deze bedrijfssector uitoefent levert een bijdrage aan het voeren van het maatschappelijk debat hierover en het vergroten van de transparantie van het toezicht hierop door de NVWA. Het openbaar maken van de bedrijfsnaam heeft dus wel degelijk een toegevoegde waarde voor het maatschappelijk debat.
Het betoog van eiseres dat zij niet de bewijslast kan hebben en dat zij hieraan niet kan voldoen, maakt de conclusie van de rechtbank ook niet anders. Het is namelijk niet vereist dat eiseres de concrete en actuele dreiging onderbouwt met stukken van de NCTV en/of de AIVD. In de uitspraak van 8 februari 2023 overweegt de ABRvS immers dat de actuele dreiging van extremistische acties vanuit dierenrechtenactivisme in de richting van slachthuizen aannemelijk moest worden gemaakt aan de hand van nadere concrete gegevens,
bijvoorbeeldvan (voorheen) de NCTB en/of de AIVD. [19] Een actuele dreiging kan dus ook met andere concrete gegevens aannemelijk worden gemaakt.
De stelling van eiseres dat de minister geen afweging heeft gemaakt tussen de relevantie van de gegevens voor het maatschappelijk debat en het veronderstelde nadeel, maakt het oordeel van de rechtbank ook niet anders. De ABRvS heeft immers in de uitspraak van 12 juli 2023 overwogen dat pas aan een belangenafweging wordt toegekomen, nadat is vastgesteld dat er onevenredig nadeel is. [20] Omdat hiervan niet is gebleken, komt de rechtbank niet toe aan het uitvoeren van een belangenafweging.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 28 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet open overheid
Artikel 2.1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder […]
document:een door een orgaan, persoon of college als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, opgemaakt of ontvangen schriftelijk stuk of ander geheel van vastgelegde gegevens dat naar zijn aard verband houdt met de publieke taak van dat orgaan, die persoon of dat college.
Artikel 4.1
Eenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek.
Een verzoek kan mondeling of schriftelijk worden ingediend en kan elektronisch worden verzonden op de door het bestuursorgaan aangegeven wijze.
De verzoeker behoeft bij zijn verzoek geen belang te stellen.
De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.
Indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, verzoekt het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek de verzoeker om het verzoek te preciseren en is het de verzoeker daarbij behulpzaam.
Het bestuursorgaan kan besluiten een verzoek niet te behandelen, indien de verzoeker niet meewerkt aan een verzoek tot precisering als bedoeld het vijfde lid. In afwijking van artikel 4:5, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit om het verzoek niet te behandelen aan de verzoeker bekendgemaakt binnen twee weken nadat het verzoek is gepreciseerd of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
Een verzoek om informatie wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk 5.

Artikel 4.4

Het bestuursorgaan beslist op het verzoek om informatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen.
Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste twee weken verdagen, indien de omvang of de gecompliceerdheid van de informatie een verlenging rechtvaardigt. Van de verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de verzoeker.
Onverminderd artikel 4:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht wordt de termijn voor het geven van een beschikking opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop het bestuursorgaan de verzoeker meedeelt dat toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, tot en met de dag waarop door de belanghebbende of belanghebbenden een zienswijze naar voren is gebracht of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
Indien de opschorting, bedoeld in het derde lid, eindigt, doet het bestuursorgaan daarvan zo spoedig mogelijk mededeling aan de verzoeker, onder vermelding van de termijn binnen welke de beschikking alsnog moet worden gegeven.
Indien het bestuursorgaan heeft besloten informatie te verstrekken, wordt de informatie verstrekt tegelijk met de bekendmaking van het besluit, tenzij naar verwachting een belanghebbende bezwaar daartegen heeft, in welk geval de informatie wordt verstrekt twee weken nadat de beslissing is bekendgemaakt. Indien wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, wordt de openbaarmaking opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan of het verzoek is ingetrokken.
Indien het bestuursorgaan heeft besloten informatie te verstrekken die rechtstreeks betrekking heeft op een derde of die van een derde afkomstig is, deelt het bestuursorgaan dit besluit gelijktijdig mede aan deze derde.

Artikel 4.5

7. Het bestuursorgaan verstrekt de informatie in de door verzoeker verzochte vorm of, indien dit redelijkerwijs niet gevergd kan worden, met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.4, derde lid.
8. Indien de informatie reeds in een voor de verzoeker gemakkelijk toegankelijke vorm voor het publiek beschikbaar is, wijst het bestuursorgaan de verzoeker daarop.

Artikel 5.1, tweede, derde lid en vijfde lid

2. Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
3. de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties;
4. de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen, in geval van milieu-informatie slechts voor zover de informatie betrekking heeft op handelingen met een vertrouwelijk karakter;
5. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
6. de inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;
7. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
8. de bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens;
9. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft;
10. de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage;
11. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.
12. Indien een verzoek tot openbaarmaking op een van de in het tweede lid genoemde gronden wordt afgewezen, bevat het besluit hiervoor een uitdrukkelijke motivering.
13. […]
14. In uitzonderlijke gevallen kan openbaarmaking van andere informatie dan milieu-informatie voorts achterwege blijven indien openbaarmaking onevenredige benadeling toebrengt aan een ander belang dan genoemd in het eerste of tweede lid en het algemeen belang van openbaarheid niet tegen deze benadeling opweegt. Het bestuursorgaan baseert een beslissing tot achterwege laten van de openbaarmaking van enige informatie op deze grond ten aanzien van dezelfde informatie niet tevens op een van de in het eerste of tweede lid genoemde gronden.

Voetnoten

1.De rechtbank begrijpt: van 8 februari 2023.
2.De familienaam is verwerkt in de bedrijfsnaam. Het adres van het bedrijf is ook het woonadres van de vennoten.
3.ABRvS 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2679, r.o. 6.1.
4.ABRvS 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2883.
5.ABRvS 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:489, r.o. 11.
6.ABRvS 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:489, r.o. 8 en 9.
7.Verwijzing naar: Rechtbank Midden-Nederland 5 maart 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:879, r.o. 15.
8.ABRvS 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2679.
9.ABRvS 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2679, r.o. 6.1.
10.Verwijzing naar: ABRvS 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:492, ABRvS 18 april 2018,
11.Verwijzing naar: Rechtbank Den Haag 3 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:1956.
12.Rechtbank Midden-Nederland 5 maart 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:879.
13.ABRvS 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:489.
14.ABRvS 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2679.
15.ABRvS 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:489, r.o. 7 en ABRvS 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2679, r.o. 5.
16.ABRvS 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:489, r.o. 11.
17.https://www.nctv.nl/documenten/2025/12/09/dtn-december-2025.
18.ABRvS 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:489, r.o. 8, tweede alinea.
19.ABRvS 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:489, r.o. 11.
20.ABRvS 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2679, r.o. 7.8.