ECLI:NL:RBZWB:2026:4690
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken connexiteit met verzetprocedure
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 28 mei 2026 uitspraak gedaan over een verzoek om een voorlopige voorziening. Het verzoeker had een voorlopige voorziening gevraagd, maar de voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk was vanwege het ontbreken van connexiteit met een lopende bezwaar- of beroepsprocedure.
De rechtbank wees erop dat op grond van artikel 8:81 Awb Pro een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen als er een bestreden besluit is en er bezwaar of beroep tegen dat besluit is ingesteld. Dit wordt het connexiteitsvereiste genoemd. In deze zaak was eerder een uitspraak gedaan op het beroep van verzoeker, waarna verzoeker hoger beroep instelde bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit hoger beroep werd door de Afdeling doorgestuurd naar de rechtbank en aangemerkt als verzet. De rechtbank heeft het verzet op 27 mei 2026 ongegrond verklaard, waarna geen hoger beroep of verzet meer mogelijk was.
Omdat het verzet was afgewezen en er geen verdere rechtsmiddelen openstonden, was het verzoek om een voorlopige voorziening niet meer connex aan een lopende procedure. Hierdoor voldeed het verzoek niet aan het connexiteitsvereiste en werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek daarom niet inhoudelijk.
De uitspraak werd gedaan door rechter M. Breeman en griffier A.J.M. van Hees, en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van connexiteit met een lopende bezwaar- of beroepsprocedure.