ECLI:NL:RBZWB:2026:465

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
C/02/442927 / JE RK 25-2218
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Phillips
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling wegens gebrek aan samenwerking moeder met jeugdbescherming

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, die sinds januari 2024 onder toezicht staat vanwege ernstige bedreiging van haar ontwikkeling. De moeder, belast met het ouderlijk gezag, vertoont een weigerachtige, afwerende en vermijdende houding ten opzichte van de GI, waardoor samenwerking onmogelijk is en er geen zicht is op de minderjarige.

Ondanks eerdere schriftelijke aanwijzingen en pogingen tot hulpverlening, waaronder PMT en Sterk Huis, is de situatie onveranderd gebleven. De minderjarige kampt met sociaal-emotionele problemen en stagneert in haar ontwikkeling. De moeder weigert medewerking aan hulpverlening en heeft een negatieve houding ten opzichte van de huidige jeugdbeschermers, wat de uitvoering van de wettelijke taak van de GI belemmert.

De moeder voert aan dat zij zich niet gehoord voelt en problemen ondervindt zoals vervoersproblemen, en wenst zelf te bepalen welke hulpverlening wordt ingezet. De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling zijn vervuld, omdat de situatie van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en de moeder niet in staat is binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding te dragen.

De kinderrechter wijst de moeder op haar verantwoordelijkheid en verklaart de verlenging uitvoerbaar bij voorraad. De beslissing is genomen na een zitting met gesloten deuren waarbij de moeder digitaal aanwezig was. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige wegens het ontbreken van samenwerking van de moeder met de jeugdbescherming.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/442927 / JE RK 25-2218
Datum uitspraak: 9 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P. Doorakkers te Oosterhout.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 december 2025;
  • de stelbrief van mr. Doorakkers, ontvangen op 19 december 2025;
  • het e-mailbericht van de moeder van 7 januari 2026, betreffende de afmelding van [minderjarige] voor het kindgesprek;
  • het bericht van mr. Doorakkers van 8 januari 2026, betreffende het verzoek van de moeder om digitaal bij de zitting aanwezig te mogen zijn.
1.2
Op 9 januari 2026 heeft de kinderrechter de zaak behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
1.3
Volledigheidshalve merkt de kinderrechter op dat de moeder digitaal, via MS Teams, aan de zitting heeft deelgenomen.
1.4
[minderjarige] is in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’ of via het schrijven van een brief. Hiervan heeft zij geen gebruik gemaakt. De kinderrechter heeft van de moeder op 7 januari 2026 een e-mailbericht ontvangen waarin zij [minderjarige] afmeldt voor het kindgesprek in verband met de weersomstandigheden.

2.De feiten

2.1
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.3
Bij beschikking van 10 januari 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Laatstelijk, bij beschikking van 3 januari 2025, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 10 januari 2025 tot 10 januari 2026.
2.4
Voor zover hier van belang, heeft de kinderrechter bij beschikking van 19 september 2025 de schriftelijke aanwijzing van 1 augustus 2025 gedeeltelijk bekrachtigd,
voor zover in deze aanwijzing is bepaald dat:
- De moeder dient in contact te blijven met de GI, volgens de afspraken die de
jeugdbeschermers met de moeder hebben gemaakt, namelijk het nakomen van de geplande
huisbezoeken, afspraken via Teams en communicatie via alle gebruikelijke kanalen,
waaronder e-mail. Dit betekent in ieder geval dat de moeder het e-mail adres van de GI
deblokkeert en de moeder ook in de zomervakantie in contact blijft met de GI.
- De moeder verleent medewerking aan de inzet van ambulante hulpverlening van
Sterk Huis, zoals eerder met de moeder besproken. Dit betekent dat de moeder
hulpverlening binnenlaat in haar woning, de moeder actief het gesprek aangaat en aantoont
dat zij meewerkt aan de hulpverlening.

3.Het verzoek

3.1
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. In de afgelopen periode ondertoezichtstelling is het de GI, ondanks vele inspanningen en het bekrachtigen van de schriftelijke aanwijzing niet gelukt om aan de bij de ondertoezichtstelling gestelde doelen te werken. De GI komt nauwelijks met de moeder in contact. Zij gaat niet met de GI in gesprek, verschijnt niet op afspraken en wil niet met de huidige jeugdbeschermers samenwerken. Hierdoor kan de GI haar wettelijke taak niet uitvoeren en blijft de situatie van [minderjarige] onduidelijk. Er is simpelweg geen zicht op haar.
4.2
Over [minderjarige] bestaan er nog altijd zorgen. In het verleden is zij getuige geweest van escalaties en fysieke en psychische mishandeling van de moeder jegens haar broer. [minderjarige] heeft veel moeite met het uiten van emoties. Als het gaat om dingen die zij lastig vindt, klapt zij dicht. Volgens de PMT-behandelaar laat [minderjarige] vermijdend gedrag zien, waardoor zij stagneert in haar sociaal-emotionele ontwikkeling. De PMT-behandelaar komt hierdoor niet aan therapie toe. Als PMT stopt, is er niets achter de hand. Sterk Huis stond klaar om te beginnen, maar door een gebrek aan samenwerking met de moeder kwam dit niet van de grond. De bedoeling was om bij Sterk Huis de interactie tussen de moeder en [minderjarige] te observeren. Sterk Huis heeft inmiddels laten weten dat het dossier is gesloten. Wanneer de GI hulpverlening vanuit Sterk Huis wil inzetten, komen de moeder en [minderjarige] onder aan de wachtlijst. Dit is een gemiste kans. Gezien wordt dat [minderjarige] erg afhankelijk is van haar moeder en zij niet de kans krijgt om zelfstandiger te worden. [minderjarige] lijkt het wantrouwen wat de moeder ten aanzien van de hulpverlening heeft over te nemen, hetgeen zorgelijk is.
4.4
Van de moeder is bekend dat zij gesprekken heeft gevoerd bij GGZ. De moeder, bekend met eigen psychiatrische problematiek, zegt onderzoeksresultaten te hebben, maar deelt deze niet. Hierdoor blijft verdere afstemming op wat zij nodig heeft onmogelijk. Volgens de GI blijft er een duidelijke disbalans tussen de draagkracht en draaglast van de moeder.
4.5
De GI merkt nog op dat zij recent met de moeder een gesprekje heeft gehad op school. Dat gesprek verliep prettig. In een daaropvolgend telefonisch contact met de moeder heeft de moeder de jeugdbeschermer uitgescholden, waarna de verbinding is verbroken. Hoewel er vanuit het gesprek op school een positieve insteek was en de GI blij was de moeder te zien, is de samenwerking daarna snel weer gestagneerd. De GI wil de moeder duidelijk maken dat het de bedoeling is dat zij in contact komt met de GI en zij de samenwerking met de huidige jeugdbeschermers aangaat. Wanneer zij dit niet doet, dan heeft dit mogelijk onomkeerbare consequenties en zal de GI zich beraden om een verzoek in te dienen om [minderjarige] uit huis te plaatsen. De GI wil voorkomen dat het zo ver komt.

5.Het standpunt van de moeder

5.1
Door en namens de moeder wordt, samengevat, aangevoerd dat de moeder – nadat de schriftelijke aanwijzing bekrachtigd was – de insteek had om met de GI in gesprek te gaan. Hoewel er daarna wel contact is geweest met de jeugdbeschermers, is het niet tot een afspraak gekomen. De situatie is daarmee onveranderd.
5.2
Voor de moeder is de kern van het probleem dat zij zich niet gehoord voelt door de GI en door hulpverleningsinstanties. Een praktisch voorbeeld daarvan is dat de moeder vervoersproblemen heeft. De moeder kan er niet voor zorgen dat [minderjarige] bij hulpverlening komt. Door haar fysieke toestand kan de moeder geen auto rijden. Zij moet ervoor zorgen dat [minderjarige] met het OV of een andere vervoersdienst op de juiste plek komt. Dit brengt voor de moeder veel kosten met zich mee. De moeder blijft dit aangeven bij de GI en de gemeente. Tot een oplossing is het nog niet gekomen.
5.3
Daarnaast staat de moeder niet achter de hulpverlening die voor [minderjarige] nodig wordt geacht. De moeder heeft het gevoel dat zij het voor hulpverleningsinstanties nooit goed kan doen, terwijl zij er eerder zelf altijd voor heeft gezorgd dat [minderjarige] de juiste hulpverlening kreeg. De moeder vindt dan ook dat zij zelf de keuze kan maken welke hulpverlening er nodig is. De moeder betrekt daarin dat zij in de dossiers dingen leest die onjuist of onvolledig zijn, bijvoorbeeld over de (tijdelijke) inzet van PMT, de operatie van [minderjarige] en de reden van haar schoolverzuim.
5.4
Ook voor de moeder is het de vraag hoe het nu verder moet. Zij heeft daarover een heldere visie. Zij wil zelf kunnen bepalen welke hulpverlening er wordt ingezet. Daarnaast wil zij niet samenwerken met de huidige jeugdbeschermers. De moeder vraagt de kinderrechter dan ook om het verzoek af te wijzen. Een mogelijke oplossing om de impasse te doorbreken zou zijn om een andere jeugdbeschermer aan te stellen. Met de vorige jeugdbeschermer had de moeder een goed contact.

6.De beoordeling

Wat zegt de wet?
6.1
Op grond van artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
6.2
Op grond van artikel 1:260 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
6.3
De kinderrechter kan hier kort zijn. Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat de situatie onveranderd is gebleven. Hoewel er nu wel hulpverlening bij [minderjarige] betrokken is, zoals PMT, komt deze niet verder. Het lukt [minderjarige] niet om haar emoties te uiten en om zich open te stellen voor hulpverlening. Wanneer het moeilijk wordt, klapt zij dicht. [minderjarige] wordt hierdoor in haar sociaal-emotionele ontwikkeling bedreigd.
6.4
Daarnaast is door de weigerachtige, afwerende en vermijdende houding van de moeder enige vorm van samenwerking met de GI niet mogelijk geweest. Zelfs na een bekrachtiging van een schriftelijke aanwijzing werkt de moeder niet met de GI samen, houdt zij hulpverlening af en heeft zij hierover haar eigen gedachten. De GI heeft hierdoor ook in de afgelopen periode geen zicht op [minderjarige] kunnen krijgen. Dit is zorgelijk, nu bekend is dat [minderjarige] een kwetsbaar meisje is wat in haar leven veel heeft meegemaakt en ook de moeder haar eigen persoonlijke problematiek heeft. De weerstand van de moeder maakt dat hulpverlening in het vrijwillig kader te onzeker is. Het gedwongen kader is derhalve noodzakelijk om er voor te zorgen dat er vanuit de GI nog enigszins zicht is op [minderjarige] , bijvoorbeeld via school.
6.5
Gelet op het voorgaande is de GI niet toegekomen aan de uitvoering van haar taak en is er niet aan de gestelde doelen gewerkt. Er is tussen de moeder en de GI een impasse ontstaan die niet doorbroken lijkt te worden. De kinderrechter betrekt daarin dat de moeder tijdens de zitting te kennen heeft gegeven zich niet anders op te gaan stellen; met de huidige jeugdbeschermers wil zij niet samenwerken en ook blijft zij van mening dat zij zelf de juiste hulpverlening voor [minderjarige] kan organiseren. De praktijk heeft echter uitgewezen dat het de moeder al geruime tijd niet lukt om zelf de voor [minderjarige] noodzakelijke hulpverlening te realiseren. De kinderrechter wijst de moeder op haar verantwoordelijkheid als ouder en geeft haar mee dat de GI de mogelijkheid heeft om bij instandhouding van die impasse een verzoek te doen dat verstrekkende gevolgen heeft, zoals tijdens de zitting is besproken. De kinderrechter hoopt dat het niet zover hoeft te komen.
6.6
Het voorgaande brengt met zich dat de kinderrechter geen andere keuze heeft dan de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de verzochte duur. Aan de voorwaarden voor de verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter heeft er geen vertrouwen in dat het de moeder zelf lukt, binnen het vrijwillig kader, om de juiste hulpverlening te organiseren en met hulpverlening aan de slag te gaan.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.7
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand hiertegen in hoger beroep gaat.
6.8
Dit leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 10 januari 2026 tot 10 januari 2027.
7.2
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 21 januari 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.