4.3.2.De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Juridisch kader
Voor het bewijs in strafzaken geldt de regel dat dit niet enkel gebaseerd mag worden op één getuigenverklaring (de bewijsminimumregel). Het gaat in zedenzaken echter vaak om bepaalde seksuele handelingen, waar maar twee mensen bij aanwezig zijn geweest: de verdachte en degene bij wie de verdachte strafbare seksuele handelingen zou hebben gepleegd. Indien de verdachte ontkent, is er in dat geval maar één getuige die kan verklaren over de seksuele handelingen die hebben plaatsgevonden.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de hiervoor genoemde bewijsminimumregel geldt voor de
geheletenlastelegging/bewezenverklaring. Onderdelen daarvan mogen wel degelijk slechts op één enkele getuigenverklaring berusten. Dat geldt volgens de Hoge Raad ook voor de tenlastegelegde gedragingen. In een zedenzaak is dus in principe voor het bewijs van de seksuele handelingen één getuigenverklaring genoeg, mits deze op bepaalde punten bevestigd wordt door andere bewijsmiddelen. Die bewijsmiddelen moeten afkomstig zijn uit een andere bron dan die ene getuigenverklaring.
De betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster [aangeefster]Aangeefster [aangeefster] heeft verklaard dat zij op 6 mei 2024 naar de school van haar dochter is gegaan. Zij had samen met verdachte en haar nicht [getuige] een gesprek met de directeur van de school vanwege een luizenplaag op school. Op het schoolplein maakte verdachte een opmerking over haar borsten. Na het gesprek met de directeur liep aangeefster het schoolplein af. Verdachte liep achter haar aan. Dit terwijl zijn auto de andere richting als waar zij opliep geparkeerd stond. Het vorenstaande wordt door verdachte bevestigd.
Vanaf dat moment lopen de lezingen van aangeefster en verdachte uiteen. Aangeefster verklaart dat, toen zij over de [straat] langs een steegje liep, verdachte haar het steegje in trok. Daar duwde hij haar tegen de muur en probeerde hij haar te kussen. Zij gaf aan dat zij dit niet wilde. Zij deed haar arm voor haar gezicht en zei
‘niet doen’.Zij voelde dat verdachte zijn rechter hand op haar borst legde en met zijn linker hand via de voorkant in haar broek ging en haar lies aanraakte. Toen zij haar benen daarop kruiste, zei hij dat zij niet zo moeilijk moest doen en verplaatste hij zijn linker hand naar haar blote bil. Het stopte toen er een garagedeur openging. Hij schrok en liet haar gelijk los, waardoor zij weg kon lopen. Zij was erg in paniek en moest huilen. Aangeefster is meteen naar huis gelopen. Onderweg heeft zij haar partner gebeld en hem alles verteld. Toen zij thuis was, heeft zij haar moeder ingelicht. Daarna heeft zij haar nicht [getuige] gebeld en tegen haar verteld wat haar zojuist was overkomen.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangeefster, die erop neerkomt dat de ten laste gelegde handelingen hebben plaatsgevonden, betrouwbaar is en daarmee bruikbaar voor het bewijs. Zij heeft bij het informatief gesprek zeden op 15 mei 2024 en tijdens haar verhoor bij de politie op 31 mei 2024 op hoofdlijnen steeds consistent en gedetailleerd verklaard over wat haar is overkomen op 6 mei 2024. Zij heeft daarbij consistent verklaard over de plaats waar de handelingen plaatsvonden, de door verdachte bij haar verrichte handelingen alsmede de volgorde daarvan, hoe het is gestopt en wie zij daarna daarover heeft gebeld. Het feit dat aangeefster later, op 23 april 2025, bij de rechter-commissaris zich niet alles meer kan herinneren, maakt dat niet anders. De kleine discrepanties tussen de verklaringen van aangeefster bij de politie en bij de rechter-commissaris zijn, mede gezien het tijdsverloop, verklaarbaar en brengen niet met zich mee dat daardoor de gehele verklaring van aangeefster ongeloofwaardig wordt.
Steunbewijs
Het dossier bevat ook steunbewijs voor de verklaring van aangeefster. Zoals hierboven weergegeven is aangeefster direct na het gebeuren naar haar woning gelopen en heeft zij haar nicht [getuige] gebeld. [getuige] hoorde dat aangeefster overstuur was en huilde. Aangeefster vertelde haar direct dat verdachte haar achterna was gelopen, haar een steegje had ingetrokken, haar daar tegen de muur had geduwd en haar had geprobeerd te kussen. Verdachte was daarna met zijn hand via de voorkant in haar broek gegaan. Toen de garagedeur openging, stopte het. Deze verklaring komt in de kern overeen met wat aangeefster heeft verklaard. Ook heeft getuige [getuige] voorafgaand aan het voorval, op het schoolplein, gehoord dat verdachte een opmerking maakte over de borsten van aangeefster. Ook dat ondersteunt de verklaring van aangeefster.
De inhoud van de verklaring van aangeefster wordt verder ondersteund door de verklaring van [getuige] , één van de bewoonsters aan de [straat] . [getuige] heeft verklaard dat zij achter haar schutting een vrouw hoorde roepen:
‘niet doen, niet doen’.Zij dacht dat er een vrijpartij gaande was. Ook dit wijst erop dat er ontuchtige handelingen tegen de zin van aangeefster zijn verricht.
Verklaring van verdachteTegenover dit alles staat de ontkennende verklaring van verdachte. Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij achter aangeefster is aangelopen om een tas met vieze kleding aan haar te geven en om te zeggen dat hij een melding ging maken bij Veilig Thuis. Aangeefster zou als reactie daarop ‘
niet doen, niet doen’ hebben geroepen. Hij is daarna weggelopen.
De rechtbank acht de verklaring van verdachte, gelet op wat hiervoor is overwogen en alles in onderlinge samenhang bezien, niet geloofwaardig. [getuige] heeft geluiden gehoord die hier niet bij aansluiten. Verdachte is bovendien pas op zitting met deze verklaring gekomen.
ConclusieNaar het oordeel van de rechtbank vindt de betrouwbare verklaring van aangeefster voldoende steun in de verklaringen van getuigen [getuige] en [getuige] . Er is dan ook voldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte de ten laste gelegde ontuchtige handelingen bij aangeefster heeft gepleegd.
De rechtbank ziet geen noodzaak om, voor zover dat nog mogelijk is, nog nader DNA-onderzoek te laten verrichten aan de kleding van aangeefster. De resultaten van dit onderzoek maken het oordeel van de rechtbank niet anders. In het geval er geen DNA van verdachte op de kleding van aangeefster wordt gevonden, wil dit namelijk niet zeggen dat het tenlastegelegde niet is gebeurd.