ECLI:NL:RBZWB:2026:4491

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
23 mei 2026
Zaaknummer
C/02/432269 / HA ZA 25-114
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Benjaddi
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:169 BWArt. 3:89 BWArt. 3:98 BWArt. 3:300 BWArt. 3:301 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling en financiële afwikkeling gezamenlijke woning na beëindiging samenlevingsrelatie

Partijen hadden een samenlevingsrelatie tot medio 2022 en zijn gezamenlijk eigenaar van een woning. Na beëindiging van de relatie ontstond onenigheid over de verdeling en financiële afwikkeling van de woning. De vrouw vordert vaststelling van de verdeling, een gebruiksvergoeding en betaling van een bedrag gerelateerd aan een levensverzekering.

De man stelt dat met een betaling van €17.000 de vrouw is uitgekocht en dat de overwaarde is verdeeld, maar heeft dit onvoldoende onderbouwd. De rechtbank oordeelt dat de man niet aan zijn bewijslast heeft voldaan en dat de woning nog onverdeeld is. De vrouw hoeft geen gebruiksvergoeding te ontvangen omdat de man sinds december 2022 alle lasten draagt.

De rechtbank veroordeelt de man om binnen 7 dagen opdracht te geven tot taxatie van de woning en binnen een maand na taxatie de woning te leveren, onder voorwaarden waaronder de vrouw wordt ontslagen uit hoofdelijke aansprakelijkheid en een financiële afwikkeling plaatsvindt. Indien de man de woning niet kan financieren, dient verkoop aan een derde plaats te vinden. Tevens wordt de man veroordeeld tot betaling van €33.589,02 aan de vrouw, zijnde haar aandeel in de levensverzekering.

De proceskosten worden gecompenseerd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De man wordt veroordeeld tot taxatie en levering van de woning met financiële afwikkeling en betaling aan de vrouw van €33.589,02.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Team Familie-en Jeugdrecht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/432269 / HA ZA 25-114
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
[de vrouw],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.P.J. Brouwers,
tegen
[de man],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat voorheen mr. R.G.J. van Kerkhof, nu procederend zonder advocaat.

1.De procedure

1.1
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van 23 april 2025;
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 6 en 7;
- de brief van mr. Van Kerkhof van 1 juli 2025 met producties A en B;
- de rolbeslissing van 27 augustus 2025;
- de dagvaarding van 3 november 2025;
- de dagvaarding van 3 november 2025;
- de brief van de griffier aan de man van 17 november 2025.
1.2
De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 6 maart 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw en haar advocaat. De man is, ondanks behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
1.3
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

Tussen partijen staat het volgende vast,
- partijen hebben tot medio 2022 een samenlevingsrelatie gehad;
- uit deze relatie is geboren de [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op
[geboortedag] 2012;
- op 30 juli 2003 hebben partijen een samenlevingsovereenkomst gesloten. Deze is
op 2 december 2022 beëindigd;
- partijen zijn eigenaar, ieder voor de onverdeelde helft, van de woning staande en
gelegen aan [adres] te [plaats] (hierna: de woning);
- de man stond tot 22 augustus 2025 onder bewind. Per die datum is het bewind
opgeheven;
- nadat mr. Van Kerkhof zich heeft onttrokken als advocaat van de man is het geding bij voornoemde rolbeschikking geschorst en verwezen naar de parkeerrol;
- bij dagvaarding van 3 november 2025 is het geding hervat.

3.De vorderingen

3.1
De vrouw vordert
in conventie,samengevat,
I. vaststelling van de verdeling van de woning;
II. vaststelling van een gebruiksvergoeding;
III. de man te veroordelen aan haar te betalen een bedrag ter hoogte van € 35.589,02.
3.2
De man vordert
in reconventie, samengevat,
a. de vrouw te veroordelen haar medewerking te verlenen aan levering van de woning aan hem;
b. te bepalen dat de onder randnummer 24 van de conclusie van antwoord genoemde personen al getuigen worden gehoord.
3.3
Partijen voeren over en weer verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
Vordering I. en a. en b. De woning en getuigenbewijs
4.1
De vrouw legt aan haar vordering tot verdeling van de woning het volgende ten grondslag. Nadat zij de woning met [minderjarige] in 2022 noodgedwongen heeft verlaten hebben partijen afgesproken dat de woning zou worden toebedeeld aan de man, met verdeling tussen partijen van de overwaarde bij helfte. Weliswaar heeft de man een voorschot van
€ 17.000,= betaald maar sindsdien is er ondanks aanschrijvingen van de man met de woning niets gebeurd. Dit betekent dat de woning nog onverdeeld is. Omdat zij nog steeds het risico van mede-eigenaar draagt, wenst de vrouw uit de onverdeeldheid te raken.
4.2
Volgens de man hebben partijen afgesproken dat met betaling van de € 17.000,= de vrouw is uitgekocht en dat daarmee de overwaarde van de woning tussen partijen is verdeeld. De hypothecaire lening staat inmiddels enkel op zijn naam. Anders dan de vrouw ziet de man dan ook geen aanleiding om de woning opnieuw te laten taxeren omdat de vrouw geen recht heeft op een hoger bedrag dan dat aan haar al is uitgekeerd. Hij vordert in dit verband de door hem genoemde getuigen te horen. Wel moet het eigendomsdeel van de vrouw nog worden overgedragen aan hem omdat partijen vergeten zijn om dit te regelen.
De man vordert in reconventie te bepalen dat de vrouw hieraan haar medewerking dient te verlenen.
4.3
De vrouw betwist dat er definitieve afspraken zijn gemaakt over uitkoop. Er is alleen gesproken over een voorschot op de afwikkeling van de woning. Zo ontbreekt er een akte van verdeling en heeft zij nooit vernomen dat zij is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening. Dat de € 17.000,= een voorschot is geweest blijkt ook wel uit het gegeven dat de WOZ in 2023 € 267.000,= was en de hoogte van de hypothecaire lening € 215.000,=. Aan haar zou dus al € 26.000,= toekomen, nog los van de waarde van de aan de hypothecaire lening verbonden levensverzekering, aldus de vouw.
4.4
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat zij na het verbreken van hun relatie hebben afgesproken dat de man de woning zou overnemen waarbij de vrouw zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijk voor de op de woning rustende hypothecaire lening en dat de overwaarde tussen hen zou worden verdeeld. Verder staat vast dat de woning feitelijk nog niet is geleverd aan de man. Volgens de man is echter wel afgesproken dat met de betaling van € 17.000,= aan de vrouw de overwaarde tussen partijen al is verdeeld en dat aan de vrouw verder geen bedragen toekomen.
4.5
De rechtbank stelt voorop dat de partij die zich op de rechtsgevolgen van de door hem/haar gestelde feiten beroept, in dit geval de man, de bewijslast daarvan draagt. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, had het op de weg van de man gelegen om zijn stelling dat partijen ter zake de financiële afwikkeling van de woning definitieve afspraken hebben gemaakt en dat de vrouw met betaling van € 17.000,= volledig is uitgekocht nader te onderbouwen met feiten en omstandigheden en een begin van bewijs te leveren hetgeen hij heeft nagelaten. De verwijzing naar de door hem overgelegde producties A en B acht de rechtbank in dit verband onvoldoende. Hieruit blijkt weliswaar dat partijen bezig zijn geweest met het bewerkstelligen van ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw en dat de man een bedrag aan de vrouw zou hebben betaald maar dat de financiële afwikkeling van de woning met de betaling van € 17.000,= volledig tussen partijen is geregeld kan daar in het licht van de betwisting door de vrouw niet uit worden afgeleid. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet is betwist dat de waarde van de aan de hypothecaire lening verbonden levensverzekering per 2 november 2022 € 67.178,04 bedroeg (waarvan € 33.589,02 toekomt aan de vrouw) en dat de vrouw alleen al op basis van de WOZ waarde in 2023 € 26.000,= zou ontvangen. De rechtbank heeft de man op de zitting hier geen vragen over kunnen stellen omdat hij niet is verschenen. Gelet op het vorenstaande heeft de man niet aan zijn stelplicht voldaan. Aan bewijslevering wordt dan ook niet toegekomen. De vordering van de man onder b. wordt afgewezen.
4.6.
Dit betekent dat de verdeling en daarmee de financiële afwikkeling van de woning alsnog dient plaats te vinden. De vordering van de vrouw onder I. (vorderingen I. tot en met IX. in het petitum van de dagvaarding) zal worden toegewezen als na te melden, inclusief de door vrouw gevorderde dwangmiddelen, omdat niet met zekerheid is vast te stellen of de man zijn medewerking aan de toegewezen vorderingen zal verlenen.
4.7.
De vordering van de man om de vrouw te veroordelen haar medewerking te verlenen aan levering van de woning aan hem wordt afgewezen, alleen al omdat door toewijzing van de vordering van de vrouw, de woning in beginsel al wordt toebedeeld aan de man. Niet valt in te zien waarom de vrouw haar medewerking aan levering aan de man niet zou verlenen. Maar ook omdat de man eerst nog zal dienen te onderzoeken of hij financieel in staat is de woning aan zich toe te laten toescheiden voordat de woning daadwerkelijk aan hem kan worden toegedeeld, ligt de vordering voor afwijzing gereed. Het is namelijk ook mogelijk dat de woning moet worden verkocht aan een derde.
Vordering II. De gebruiksvergoeding
4.8.
De vrouw vordert op grond van artikel 3:169 BW Pro een gebruiksvergoeding met ingang van 1 augustus 2022. Voor wat betreft de hoogte daarvan sluit de vrouw primair aan bij de helft van de door de man betaalde hypothecaire- en overige eigenaarslasten. Subsidiair vordert de vrouw een gebruiksvergoeding ter hoogte van de helft van 4% van de overwaarde van de woning.
4.9.
De man stelt dat van een gebruiksvergoeding geen sprake kan zijn omdat hij met uitsluiting van de vrouw alle aan de woning verbonden eigenaarslasten heeft voldaan. Voor zover de vrouw desondanks toch een gebruiksvergoeding wenst, zal zij de helft van de door hem betaalde eigenaarslasten aan hem dienen te vergoeden.
4.10.
De rechtbank overweegt als volgt. Als grondslag voor de vordering tot vaststelling van een gebruiksvergoeding geldt artikel 3:169 BW Pro. Die bepaling heeft mede tot strekking de deelgenoot (in dit geval de man) die het goed met uitsluiting van de andere deelgenoot (in dit geval de vrouw) gebruikt, te verplichten de deelgenoot die aldus verstoken wordt van het gebruik en/of genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding. De man maakt volgens de vrouw vanaf 26 juli 2022 met uitsluiting van de haar gebruik van de echtelijke woning, zodat van 1 augustus 2022 een gebruiksvergoeding kan worden bepaald. Bij de bepaling van de hoogte van deze gebruiksvergoeding moet rekening worden gehouden met alle feiten en omstandigheden van het betreffende geval. Uit de brieven van [hulpverlening] (productie 4 van de vrouw) volgt dat partijen rond november 2022 zijn gestart met het bewerkstelligen dat de hypothecaire lening op naam van de man zou worden gesteld met ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw voor die lening. Hoewel de daarvoor vereiste hypothecaire akte niet is overgelegd en dus niet met zekerheid kan worden vastgesteld of de hypothecaire lening alleen op naam van de man staat, heeft de vrouw niet betwist dat de man de hypothecaire- en eigenaarslasten van de woning vanaf december 2022 geheel voor eigen rekening heeft genomen. Naar het oordeel van de rechtbank maakt deze omstandigheid dat de vrouw niet schadeloos hoeft te worden gesteld voor gemist gebruik en woongenot van de woning. Er zal dan ook geen gebruiksvergoeding worden vastgesteld. De vordering wordt afgewezen.
Vordering III. De levensverzekering
4.11.
De vrouw vordert een bedrag van € 33.589,02, zijnde de helft van de afkoopwaarde per 4 november 2022 van de aan de hypothecaire lening verbonden levensverzekering bij REAAL met [nummer] (productie 5 van de vrouw). Volgens de vrouw heeft zij nooit enig bedrag ontvangen van het aan de man uitgekeerde bedrag ter hoogte van
€ 67.178,04 terwijl zij recht heeft op de helft. Volgens de vrouw dient de € 33.589,02 gelijktijdig met de levering van de woning aan de man aan haar voldaan te worden. Indien de woning aan een derde wordt verkocht dient volgens de vrouw uit het aandeel van de verkoopopbrengst van de man eerst € 33.589,02 aan haar te worden voldaan voordat de notaris het aandeel van de man uit de verkoopopbrengst aan hem uitkeert.
4.12.
Naar de rechtbank begrijpt stelt de man zich ook hier op het standpunt dat met de betaling van € 17.000,= de woning tussen partijen financieel is afgewikkeld. Onder verwijzing naar rechtsoverweging 4.5. wordt dit standpunt gepasseerd. De vordering van de vrouw ligt voor toewijzing gereed. Het is aan partijen om ten tijde van de levering van de woning aan de man dan wel bij verkoop aan een derde, rekening te houden met het al aan de vrouw betaalde bedrag van € 17.000,=.
Proceskosten
4.13.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie en in reconventie
5.1
veroordeelt de man om binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis de opdracht te verstrekken aan [makelaar] te [plaats] om de woning aan [adres] te [plaats] te taxeren;
5.2
veroordeelt de man om aan de vrouw na betekening van dit vonnis een dwangsom te betalen van € 500,= voor iedere dag dat hij niet aan de onder 5.1. genoemde veroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,= is bereikt;
5.3
veroordeelt de man om binnen één maand nadat de taxatiewaarde van de woning bindend is vastgesteld zorg te dragen voor levering/toedeling van de woning aan [adres] te [plaats] aan hem, onder de opschortende voorwaarde dat indien nodig de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid wordt ontslagen met betrekking tot de op de woning rustende hypothecaire geldlening en onder de gehoudenheid om gelijktijdig met het moment dat de akte van verdeling passeert aan de vrouw te voldoen de helft van het verschil tussen de getaxeerde waarde van de woning en de schuld uit hoofde van de hypothecaire geldlening resterend op het moment dat de hypotheek enkel ten naam van de man is gesteld, althans die waarde in
de verdeling te betrekken en bepaalt dat de kosten van de akte van verdeling en overige met de toedeling van de woning aan de man gemoeide kosten voor rekening van de man komen;
5.4
machtigt de vrouw en om de woning te gelden te maken en namens de man aan de makelaar de benodigde toestemming/wilsverklaring te verstrekken en veroordeelt de man om de makelaar de toegang tot de woning te verschaffen om de woning te taxeren, in het geval de man niet binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis de opdracht aan [makelaar] te [plaats] verstrekt om de woning te taxeren;
5.5
veroordeelt de man om aan de vrouw na betekening van dit vonnis een dwangsom te betalen van € 500,= voor iedere dag dat hij niet aan 5.4. voldoet, tot een maximum van
€ 50.000,= is bereikt;
5.6
bepaalt dat indien de man binnen 1 maand na de datum van het taxatierapport besluit de woning niet over te nemen, of indien een beslissing binnen de gestelde termijn uitblijft, dan wel dat blijkt dat de man de toedeling van de woning met overwaarde niet kan financieren, dat de woning aan [adres] te [plaats] dient te worden verkocht en partijen zich na één
maand en één week dienen te wenden tot [makelaar] , teneinde de opdracht te
verstrekken tot verkoop van de woning, onder vaststelling van de vraag- en laatprijs en veroordeelt de man om alles te doen wat noodzakelijk is voor de verkoop van de woning, door de aanwijzingen van de makelaar op te volgen, de vraagprijs van de woning te verlagen indien dat wordt geadviseerd, de woning met tuin en aanhorigheden verkoop klaar te maken en te houden en de woning tijdig, in ieder geval uiterlijk drie weken voor de levering te
verlaten;
5.7
machtigt de vrouw om, indien de vrouw in gebreke blijft aan de veroordeling
onder 5.6. te voldoen, de ontruiming van de woning zelf te bewerkstelligen op kosten van de man, zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie;
5.8
veroordeelt de man om zijn medewerking te verlenen aan de eigendomsoverdracht en levering van de woning aan de koper en bepaalt, voor zover de man na betekening van dit vonnis in gebreke blijft zijn medewerking te verlenen, dat dit vonnis in de plaats treedt van de tot verdeling bestemde notariële akte, dan wel van de bij die akte noodzakelijke wilsverklaring, toestemming en/of handtekening van gedaagde een en ander overeenkomstig art. 3:89, 3:98, 3:300 en 3:301 BW;
5.9
bepaalt dat, indien de woning dient te worden verkocht aan een derde, de te realiseren verkoopopbrengst verminderd met de resterende hypotheekschuld op het moment dat de hypotheek enkel te naam is gesteld van de man, de makelaarskosten en de overige met de verkoop gemoeide kosten tussen partijen bij helfte dient te worden gedeeld;
5.1
veroordeelt de man, met inachtneming van rechtsoverwegingen 4.11. en 4.12., om aan de vrouw tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag ad € 33.589,02 (drieëndertig duizend vijfhonderdnegenentachtig euro en twee cent);
5.11
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.12
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.13
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr Benjaddi en in aanwezigheid van mr. Van der Plas, griffier, het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.