ECLI:NL:RBZWB:2026:4467

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
C/02/431905 / HA ZA 25-100 (E)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Mulders
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid zorgplicht bij begeleiding echtscheiding en meerwaardeclausule woning

Gedaagde heeft in 2018 begeleiding geboden bij de echtscheiding van eiseres en haar ex-echtgenoot. Eiseres stelde gedaagde aansprakelijk wegens het niet nakomen van zijn zorgplicht, specifiek met betrekking tot afspraken over de echtelijke woning.

In een eerder tussenvonnis werd vastgesteld dat gedaagde aansprakelijk is voor zijn tekortkomingen bij de meerwaardeclausule van de woning. De rechtbank kon toen de schade nog niet begroten en stelde een schadestaatprocedure voor, waarbij eiseres moest bewijzen dat zij schade had geleden door aan te tonen dat de woning was verkocht.

Eiseres leverde bewijs dat de woning in 2023 voor €321.000 is verkocht, inclusief een nota van afrekening van de notaris. Gedaagde betwistte niet langer de verkoop, maar stelde dat de koopsom niet de enige tegenprestatie was en dat de marktwaarde niet hoger lag dan de koopsom.

De rechtbank achtte het bewijs voldoende en aannemelijk dat schade is geleden. De exacte schade moet nog worden vastgesteld in de schadestaatprocedure. Gedaagde wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade en tot betaling van proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot schadevergoeding wegens schending zorgplicht bij meerwaardeclausule, nader op te maken bij staat.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: C/02/431905 / HA ZA 25-100
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. M.J.E.M. Edelmann,
tegen
[gedaagde partij],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
advocaat: mr. A.M.M. de Waal.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 12 november 2025
- de akte overlegging productie met productie 9 en 10 van [eisende partij]
- de antwoordakte van [gedaagde partij] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
De zaak in het kort
[gedaagde partij] heeft begeleiding geboden bij de echtscheiding van [eisende partij] en haar ex-echtgenoot in 2018. [eisende partij] heeft [gedaagde partij] aansprakelijk gesteld omdat hij bij deze werkzaamheden zijn zorgplicht niet zou zijn nagekomen. In het vorige tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat [gedaagde partij] aansprakelijk is ten aanzien van zijn werkzaamheden die zien op de afspraken over de echtelijke woning. Ook heeft de rechtbank in dat vonnis geoordeeld dat de schade niet begroot kan worden zodat zij voornemens is de zaak naar de schadestaatprocedure te verwijzen. Daarvoor is nodig dat voldoende vast staat dat enige schade is geleden. In dat kader is [eisende partij] opgedragen te bewijzen dat zij schade heeft geleden door te bewijzen dat haar ex-echtgenoot de echtelijke woning inmiddels heeft verkocht. In dit vonnis oordeelt de rechtbank dat [eisende partij] geslaagd is in dat bewijs. [gedaagde partij] wordt veroordeeld tot vergoeding van schade, op te maken bij staat.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In het tussenvonnis van 12 november 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat dat [gedaagde partij] zijn zorgplicht heeft geschonden ten aanzien van de meerwaardeclausule betreffende de echtelijke woning. [gedaagde partij] is aansprakelijk voor de als gevolg hiervan geleden schade. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat het niet mogelijk is de schade te begroten en dat zij voornemens is [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat. Daarvoor is vereist dat de mogelijkheid dat schade is geleden aannemelijk is geworden. In dat kader is [eisende partij] opgedragen te bewijzen dat de echtelijke woning is verkocht.
2.2.
[eisende partij] heeft aan voornoemde bewijsopdracht invulling gegeven door bij akte twee producties in het geding te brengen te weten een uittreksel uit het kadaster waaruit volgt dat de woning in 2023 is verkocht voor € 321.000,00 en een nota van afrekening van de notaris geadresseerd aan [persoon] waaruit volgt dat de koopsom € 321.000,00 was en dat € 42.200,00 in rekening is gebracht voor de aflossing van de 2e hypotheek voor woonkwartier . [eisende partij] licht hierbij toe dat de slimmerkoop-regeling met Woonkwartier inhield dat bij verkoop 10% van de verkoopprijs aan woonkwartier diende te worden vergoed. Omdat een bedrag van € 42.200,00 aan Woonkwartier is betaald moet de waarde van de woning minimaal € 420.000,00 zijn geweest.
2.3.
Bij antwoordakte heeft [gedaagde partij] gereageerd op het door [eisende partij] overgelegde bewijs. [gedaagde partij] betwist niet langer dat de woning is verkocht. [gedaagde partij] voert wel nog aan dat niet duidelijk is geworden dat de geregistreerde koopsom de enige wederprestatie is die voor de woning is betaald. [gedaagde partij] betwist ook dat de marktwaarde van de woning hoger lag dan de koopsom.
2.4.
De rechtbank is van oordeel dat met het door [eisende partij] geleverde bewijs in de vorm van een uittreksel uit het kadaster en de nota van afrekening vast is komen te staan dat de voormalig echtelijke woning is verkocht en dat de mogelijkheid dat schade is geleden, aannemelijk is geworden. De rechtbank licht dit als volgt toe. Uit de overgelegde stukken blijkt duidelijk dat de woning is verkocht voor € 321.000,00. De betwisting daarvan door [gedaagde partij] is niet meer dan een suggestie die op geen enkele wijze is onderbouwd. [gedaagde partij] betwist ook dat de woning onder de verkoopwaarde is verkocht en dat [eisende partij] in die zin schade heeft geleden. De rechtbank gaat hieraan voor bij. [eisende partij] heeft onbetwist gesteld dat [persoon] haar heeft betaald uitgaande van de waarde van de woning ten tijde van de echtscheiding namelijk € 300.000,00 en daarnaast schrijft [eisende partij] in de als productie 2 bij de conclusie van antwoord overgelegde e-mail van 16 november 2023 dat de WOZ- waarde van de woning € 373.000,00 is. Daarmee is de mogelijkheid dat schade is geleden aannemelijk geworden.
2.5.
Zoals in het vonnis van 12 november 2025 al is overwogen kan de rechtbank de schade als gevolg van de wanprestatie van [gedaagde partij] niet begroten omdat daarvoor duidelijk moet worden hoe de meerwaardeclausule in het echtscheidingsconvenant tussen [eisende partij] en [persoon] moet worden uitgelegd. De rechtbank zal [gedaagde partij] dan ook veroordelen tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat.
2.6.
Of en hoeveel buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn kan pas wordt vastgesteld nadat de schade is vastgesteld. Ook dit deel van de vordering zal in de schadestaatprocedure moet worden beoordeeld.
2.7.
[gedaagde partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
1.374,00
- salaris advocaat
1.632,50
(2,5 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.340,95.
2.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
veroordeelt [gedaagde partij] tot vergoeding aan [eisende partij] van de schade die zij heeft geleden en eventueel nog zal lijden als gevolg van het schenden van zijn zorgplicht door [gedaagde partij] bij de totstandkoming van de meerwaardeclausule in het echtscheidingsconvenant, op te maken bij staat,
3.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 3.340,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Mulders en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.