ECLI:NL:RBZWB:2026:4465

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
12056264 \ AZ VERZ 26-1 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van der Lende-Mulder Smit
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:678 BWArt. 7:681 BWArt. 7:682 BWArt. 7:685 BWArt. 7:686 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet wegens eenmalige uitbarsting niet rechtsgeldig

Een medewerker van een friet- en snackverkooppunt werd op 14 november 2025 op staande voet ontslagen nadat zij een van de vennoten had uitgescholden tijdens een dienst. Het incident betrof een eenmalige emotionele uitbarsting, zonder eerdere waarschuwingen in een dienstverband van ruim zeven jaar.

De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was, omdat een minder verstrekkende maatregel zoals een officiële waarschuwing meer passend was geweest. De werkgever had bovendien niet onverwijld ontslag gegeven, maar eerst een vaststellingsovereenkomst nagestreefd.

De werkgever werd veroordeeld tot betaling van loon, vakantiegeld, een billijke vergoeding, transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding en buitengerechtelijke incassokosten. Tevens moet een correcte eindafrekening en loonstrook worden verstrekt. De proceskosten zijn voor rekening van de werkgever.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig en de werkgever is veroordeeld tot betaling van diverse vergoedingen en kosten.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer / rekestnummer: 12056264 \ AZ VERZ 26-1
Beschikking van 12 mei 2026
in de zaak van
[werknemer],
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. J.M.A. Koole,
tegen

1.V.O.F. CAFETARIA " [werkgever] ",

te [plaats 2] ,
2.
[verweerder 2],
te [plaats 2] ,
3.
[verweerder 3],
te [plaats 2] ,
4.
[verweerder 4],
te [plaats 2] ,
verwerende partijen,
hierna samen te noemen: Cafetaria " [werkgever] " c.s.,
gemachtigde: [gemachtigde] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift
- de producties 15 tot en met 19 van [werknemer] .
1.2.
Op 14 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De gemachtigden van partijen hebben daarbij spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt.
1.3.
Na het sluiten van de mondelinge behandeling is beschikking bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[werknemer] , geboren [geboortedag] 2000, is op 1 juli 2018 in dienst getreden van Cafetaria " [werkgever] " c.s. in de functie van medewerker Fastservice. Het loon bedroeg laatstelijk € 1.499,45 bruto per maand. Op de arbeidsovereenkomst is de horeca-cao van toepassing verklaard.
2.2.
Cafetaria " [werkgever] " c.s. exploiteert een fastservice horecagelegenheid, in de vorm van een friet- en snackverkooppunt, waar hoofdzakelijk frites, snacks en aanverwante producten worden verkocht voor directe consumptie.
2.3.
Op vrijdag 14 november 2025 heeft er een incident plaatsgevonden tussen [werknemer] en verweerder sub 4 (hierna: [verweerder 4] ).
2.4.
Daarna heeft op 14 november 2025 nog communicatie tussen partijen plaatsgevonden via WhatsApp, waarbij Cafetaria " [werkgever] " c.s. [werknemer] onder andere heeft uitgenodigd om de volgende dag langs te komen om ‘het ontslag van [werknemer] aan te vragen en te tekenen’.
2.5.
Bij brief van maandag 17 november 2025 is [werknemer] op staande voet ontslagen. In deze brief is onder andere het volgende vermeld: “
De dringende reden voor dit ontslag is gelegen in het ernstige en ontoelaatbare gedrag op het werk op vrijdag 14 november jl. Tijdens uw dienst heeft u, nadat u werd aangesproken op het feit dat u uw taken niet naar behoren uitvoerde, de eigenaresse, [verweerder 4] , in het bijzijn van meerdere collega’s zeer grof uitgescholden en ernstig beledigd, onder meer door te zeggen: “Vuil kutwijf, zoek het maar uit, ik ben weg, zoek het maar uit vanavond!!”
Uw gedrag was agressief, respectloos en gezagsondermijnend en heeft de verhoudingen
op de werkvloer op ernstige wijze verstoord. Andere medewerkers waren getuige van dit
gedrag. Dit gedrag is volledig onaanvaardbaar en vormt een dringende reden voor
ontslag.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[werknemer] verzoekt, na vermindering van haar verzoek op de mondelinge behandeling, de kantonrechter
primair
a. voor recht te verklaren dat het gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is en onrechtmatig is gegeven,
Cafetaria " [werkgever] " c.s. te veroordelen tot
betaling van de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over het loon van € 849,69 over de periode 1 tot en met 17 november 2025,
betaling van de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over het vakantiegeld van € 667,78 bruto,
betaling van € 13.495,05 bruto wegens billijke vergoeding,
betaling van € 2.998,90 bruto wegens gefixeerde schadevergoeding,
betaling van € 3.983,69 bruto wegens transitievergoeding,
betaling van € 975,46 wegens buitengerechtelijke incassokosten,
het opmaken en verstrekken van een correcte eindafrekening en bijbehorende loonstrook,
subsidiair en meer subsidiair met betrekking tot de transitievergoeding en indien wordt geoordeeld dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven
i. Cafetaria " [werkgever] " c.s. te veroordelen tot betaling van € 3.983,69 bruto wegens transitievergoeding,
zowel primair, subsidiair en meer subsidiair
Cafetaria " [werkgever] " c.s. te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
Volgens [werknemer] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig verleend. [werknemer] voert daartoe het volgende aan. Het incident van 14 november 2025 betrof een eenmalige emotionele uitlating van [werknemer] in een hoogoplopende situatie. [werknemer] heeft daarbij één keer gescholden. Zij erkent dat dit niet passend was en betreurt dit. Gelet op het eenmalige karakter van de gedraging en het ontbreken van eerdere waarschuwingen binnen een onberispelijk dienstverband van ruim zeven jaar, levert dit geen dringende reden op en had Cafetaria " [werkgever] " c.s. voor een minder vergaande maatregel moeten kiezen.
Zij voert verder aan dat Cafetaria " [werkgever] " c.s. het ontslag op staande voet niet onverwijld heeft gegeven. Cafetaria " [werkgever] " c.s. heeft eerst aangestuurd op beëindiging door middel van een vaststellingsovereenkomst. Daarbij is geen voorbehoud gemaakt of aankondiging gedaan dat een ontslag op staande voet werd overwogen. Pas nadat [werknemer] heeft geweigerd de vaststellingsovereenkomst te aanvaarden, is alsnog ontslag op staande voet verleend.
Cafetaria " [werkgever] " c.s. heeft, nadat zij het niet rechtsgeldige ontslag heeft verleend, het loon over de periode 1 tot en met 17 november 2025 voor een bedrag van € 849,69 bruto en het vakantiegeld van € 667,78 bruto niet tijdig betaald. [werknemer] verzoekt om die reden betaling van de wettelijke verhoging en de wettelijke rente daarover.
Aangezien het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is verleend, maakt [werknemer] aanspraak op een billijke vergoeding van € 13.495,05 bruto. Dit is gelijk aan negen maandsalarissen. Daarbij is in aanmerking genomen dat het dienstverband nog geruime tijd zou hebben voortgeduurd, dat Cafetaria " [werkgever] " c.s. ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat de gevolgen voor [werknemer] door het plotselinge verlies van werk en inkomen groot zijn geweest. Ook maakt [werknemer] aanspraak op de transitievergoeding die tot einde dienstverband € 3.983,69 bruto bedraagt en de gefixeerde schadevergoeding van € 2.998,90 bruto, gelijk aan twee maanden loon.
3.3.
Cafetaria " [werkgever] " c.s. voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. Cafetaria " [werkgever] " c.s. voert aan dat zij heeft geprobeerd een minder ingrijpende route te bewandelen door een vaststellingsovereenkomst aan te bieden, zodoende om de situatie te de-escaleren en de aanspraak van [werknemer] op een uitkering te beschermen. Daarmee is voldaan aan het verlenen van een onverwijld ontslag op staande voet. [werknemer] is op 14 november 2025 door [verweerder 4] aangesproken, omdat zij in het kantoor via WhatsApp berichten aan het versturen was in plaats van op te ruimen. [werknemer] reageerde agressief. Even later schold zij [verweerder 4] uit voor ‘vies kutwijf’ in het bijzijn van collega’s en heeft zij de deur hard dichtgesmeten en het pand verlaten. De uitlating van [werknemer] betreft een grove belediging en agressief gedrag jegens een van de eigenaars van Cafetaria " [werkgever] " c.s.. [werknemer] heeft hiermee het gezag van haar werkgever ondermijnt. Cafetaria " [werkgever] " c.s. betreft een kleine onderneming waar samenwerking direct, intensief en persoonlijk is. De gedraging van [werknemer] maakte een verdere samenwerking onmogelijk.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is verleend aan [werknemer] . Indien dat niet het geval is, heeft [werknemer] in beginsel recht op de door haar verzochte vergoedingen.
Onverwijldheid
4.2.
De kantonrechter laat de vraag of het ontslag onverwijld is gegeven in het midden. Deze vraag behoeft geen beslissing, omdat het ontslag los daarvan geen stand kan houden. De kantonrechter zal hierna overwegen dat een dringende reden voor een ontslag op staande voet ontbreekt.
Geen dringende reden
4.3.
Cafetaria " [werkgever] " c.s. heeft in de brief van 17 november 2025 als reden voor het ontslag op staande voet aangevoerd, het ernstige en ontoelaatbare gedrag van [werknemer] op het werk op vrijdag 14 november 2025. Gelet hierop dient de kantonrechter te beoordelen of het gedrag van [werknemer] op 14 november 2025 een reden voor ontslag opleverde. Wat hiervoor of daarna heeft plaatsgevonden kan niet in de beoordeling worden meegenomen, omdat het de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn waarom zij wordt ontslagen en zij zich daarna kan beraden of de opgegeven reden als juist en dringend wordt aanvaard.
4.4.
Niet is gebleken dat [werknemer] tot het incident op 14 november 2025 niet goed zou functioneren en dat er eerdere incidenten zouden hebben plaatsgevonden. Hiervan blijkt niet uit de brief van 17 november 2025. Het betrof kennelijk een eenmalige emotionele uitbarsting van [werknemer] . Op 14 november 2025 is er een woordenwisseling ontstaan tussen [werknemer] en verweerder sub 4, waarbij aan beide kanten de emoties hoog opliepen. In plaats van een rustmoment te creëren heeft Cafetaria " [werkgever] " c.s. direct aangegeven de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen. Een ontslag op staande voet is echter een ultimum remedium, een middel dat wordt toegepast als iets anders niet meer mogelijk is. In dit geval had een minder verstrekkende maatregel zoals het geven van een officiële waarschuwing meer op de weg gelegen, zeker nu het dienstverband al ruim zeven jaar duurde en een dergelijk incident niet eerder had plaatsgevonden. Het ontslag op staande voet is dan ook niet rechtsgeldig gegeven, zodat het niet in stand kan blijven. De verzochte verklaring voor recht zal worden toegewezen.
Gefixeerde schadevergoeding
4.5.
[werknemer] maakt verder aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding van € 2.998,90 bruto, gelijk aan twee maanden loon. Dit is toewijsbaar omdat Cafetaria " [werkgever] " c.s. de arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft opgezegd. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen vanaf 17 november 2025 (de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd).
Billijke vergoeding
4.6.
[werknemer] heeft een billijke vergoeding verzocht. Haar komt een billijke vergoeding toe, omdat Cafetaria " [werkgever] " c.s. de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig heeft opgezegd. Cafetaria " [werkgever] " c.s. heeft daardoor ernstig verwijtbaar gehandeld dan wel nagelaten. Voor de hoogte van deze vergoeding is het volgende bepalend. Na het incident op 14 november 2025 is de arbeidsverhouding met [verweerder 4] verstoord geraakt. In het gesprek tussen partijen op 16 november 2025, tussen verweerder sub 2 en [werknemer] (waarbij ook de moeder van [werknemer] aanwezig was), hebben partijen elkaar over en weer verwijten gemaakt, zonder te reflecteren op hun eigen gedrag. Of de arbeidsverhouding tussen partijen nog te herstellen was, blijft onzeker gelet op de houding van partijen. In het geval Cafetaria " [werkgever] " c.s. ervoor had gekozen om een ontbindingsprocedure te starten bij de kantonrechter, zou het ongeveer drie à vier maanden hebben geduurd voordat een uitspraak zou zijn gedaan. [werknemer] had in dat geval nog ongeveer vier maanden loon ontvangen. Aangezien [werknemer] ook een gefixeerde schadevergoeding wordt toegekend van twee maanden, oordeelt de kantonrechter in dit geval een vergoeding van € 2.998,90 bruto, gelijk aan twee maanden loon, billijk. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
Transitievergoeding
4.7.
Nu de arbeidsovereenkomst niet mocht worden opgezegd op de wijze als Cafetaria " [werkgever] " c.s. heeft gedaan, komt [werknemer] ook de transitievergoeding toe. De kantonrechter moet de hoogte van die vergoeding zo nodig ambtshalve vaststellen. [werknemer] heeft de transitievergoeding berekend over de periode 1 juli 2018 tot 17 november 2025 en komt daarbij uit op een bedrag van € 3.983,69 bruto. Dat is niet juist aangezien bij regelmatige opzegging de arbeidsovereenkomst tot 1 februari 2026 had geduurd. Gelet hierop bedraagt de toe te wijzen transitievergoeding € 4.214,57 bruto. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf 18 december 2025 (een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd).
Wettelijke verhoging
4.8.
[werknemer] maakt aanspraak op de wettelijke verhoging omdat het loon en het vakantiegeld niet tijdig zijn betaald. Het loon betrof een bedrag van € 849,69 bruto en het vakantiegeld betrof € 667,78 bruto. De kantonrechter zal de wettelijke verhoging vaststellen op 10%, nu dit haar met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkomt. Het loon en het vakantiegeld zijn niet tijdig betaald ten gevolge van het incident, waarin beide partijen een aandeel hadden. Dit maakt dat Cafetaria " [werkgever] " c.s. zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 151,75 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 januari 2026, de dag waarop het verzoekschrift is ingediend.
Afgifte loonstrook
4.9.
[werknemer] heeft verzocht Cafetaria " [werkgever] " c.s. te veroordelen tot het opmaken en verstrekken van een correcte eindafrekening en bijbehorende loonstrook. Cafetaria " [werkgever] " c.s. heeft hiertegen geen (inhoudelijk) verweer gevoerd, zodat dit toewijsbaar is.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.10.
[werknemer] maakt aanspraak op vergoeding van € 975,46 wegens buitengerechtelijke incassokosten. Cafetaria " [werkgever] " c.s. heeft dit verzoek niet (inhoudelijk) weersproken en de hoogte van het verzochte bedrag is passend binnen de normen die voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten worden gehanteerd, zodat dit verzoek toewijsbaar is. De kantonrechter is daarbij uitgegaan van het Rapport Voorwerk II, waarbij zij voor de berekening de staffel heeft gebruikt die hoort bij het Besluit Buitengerechtelijke Incassokosten. De wettelijke rente over dit bedrag is ook toewijsbaar en wel vanaf 14 januari 2026, de dag waarop het verzoekschrift is ingediend.
Proceskosten
4.11.
De proceskosten komen voor rekening van Cafetaria " [werkgever] " c.s., omdat Cafetaria " [werkgever] " c.s. overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van Cafetaria " [werkgever] " c.s.. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden vastgesteld op € 1.103,00 (€ 866,00 aan salaris gemachtigde conform de Aanbeveling tarieven kort gedingen kantonzaken en handelszaken, € 93,00 aan griffierecht en € 144,00 aan nakosten).
De door [werknemer] betaalde eigen bijdrage voor de verleende toevoeging, waarvan [werknemer] betaling heeft verzocht, wordt geacht in het toe te wijzen bedrag aan proceskosten te zijn begrepen, zodat dit verzoek niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komt.
Omdat [werknemer] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal Cafetaria " [werkgever] " c.s. niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten
.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat het gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is en om die reden onrechtmatig is verleend,
5.2.
veroordeelt Cafetaria " [werkgever] " c.s. tot betaling van € 151,75 bruto wegens verlate betaling van het loon en het vakantiegeld, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 januari 2026 tot de dag van algehele betaling,
5.3.
veroordeelt Cafetaria " [werkgever] " c.s. tot betaling van € 2.998,90 bruto wegens billijke vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking tot de dag van algehele betaling,
5.4.
veroordeelt Cafetaria " [werkgever] " c.s. tot betaling van € 4.214,57 bruto wegens transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 december 2025 tot de dag van algehele betaling,
5.5.
veroordeelt Cafetaria " [werkgever] " c.s. tot betaling van € 2.998,90 bruto wegens gefixeerde schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 november 2025 tot de dag van algehele betaling,
5.6.
veroordeelt Cafetaria " [werkgever] " c.s. tot betaling van € 975,46 wegens buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 januari 2026 tot de dag van algehele betaling,
5.7.
veroordeelt Cafetaria " [werkgever] " c.s. tot het opmaken en verstrekken van een correcte eindafrekening en bijbehorende loonstrook,
5.8.
veroordeelt Cafetaria " [werkgever] " c.s. in de proceskosten, waarvan € 1.103,00 binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe te betalen aan [werknemer] , te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, indien deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, tot de dag van algehele betaling,
5.9.
verklaart deze beschikking ten aanzien van 5.2 tot en met 5.8 uitvoerbaar bij voorraad [1] ,
5.10.
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.

Voetnoten

1.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.