ECLI:NL:RBZWB:2026:4350

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
BRE 25/4870 en 25/4925
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 8.0a BklArt. 8.0b BklArt. 16.55 OwArt. 8:41a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning bouw achttien appartementen wegens motiveringsgebrek

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eisers tegen de verlening van een omgevingsvergunning aan vergunninghouder voor de bouw van achttien appartementen op een locatie in Waalwijk. Eisers betwisten onder meer de motivering van het besluit, de participatie van omwonenden, de afweging van belangen en de naleving van het evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).

De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende expliciet heeft gemotiveerd dat ook de strijdigheid met het bouwvlak is meegenomen bij de vergunningverlening, wat een motiveringsgebrek oplevert. Dit leidt tot vernietiging van het besluit. Desondanks laat de rechtbank de rechtsgevolgen in stand, omdat het college op zitting aannemelijk heeft gemaakt dat deze strijdigheid wel degelijk is betrokken bij de beoordeling.

Verder beoordeelt de rechtbank de overige beroepsgronden inhoudelijk. De participatie is volgens de rechtbank niet in strijd met wettelijke voorschriften, en het bouwplan past binnen het bestemmingsplan en voldoet aan de eisen omtrent negatieve gevolgen voor omwonenden. Ook de parkeerproblematiek is zorgvuldig beoordeeld, waarbij het college terecht rekening houdt met de bestaande parkeerbehoefte van de voormalige supermarkt. De overige bezwaren slagen niet.

De rechtbank draagt het college op om het griffierecht aan eisers te vergoeden en veroordeelt het college tot betaling van proceskosten aan eiseres. De uitspraak is gedaan door rechter Ides Peeters op 20 mei 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de omgevingsvergunning wegens motiveringsgebrek maar laat de rechtsgevolgen in stand na aanvullende motivering.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 25/4870 en 25/4925 OWBOUW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026 in de zaken tussen

1.[eiser] , uit [plaats 1] , eiser, (25/4870), en

2.[eiseres] B.V., uit [plaats 1] , eiseres, (25/4925)

(gemachtigde: mr. V.J. Leijh)
hierna gezamenlijk aangeduid als eisers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk (college), verweerder.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] B.V. uit [plaats 2] (vergunninghouder),
(gemachtigde: mr. A.J. Coppelmans).
Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning aan vergunninghouder voor het realiseren van 18 appartementen op de locatie kadastraal bekend als gemeente [plaats 3] , [sectie] , nummers [nummer 1] en [nummer 2] , gelegen aan het [adres 1] in [plaats 1] (hierna: het bouwplan). Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning aan vergunninghouder mocht verlenen.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat uit het bestreden besluit van 12 augustus 2025 niet expliciet blijkt dat voor (nog) een strijdigheid met de planregels een omgevingsvergunning is verleend
.De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het bestreden besluit. Omdat het college op zitting gemotiveerd heeft dat ook deze strijdigheid is meegenomen bij de vergunningverlening en de rechtbank deze motivering kan volgen, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
Procesverloop
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [persoon] namens eiseres, haar gemachtigde en mr. T.W.S. Mol. Namens het college waren aanwezig [vertegenwoordiger college 1] , [vertegenwoordiger college 2] en ing. [vertegenwoordiger college 3] . Namens vergunninghouder waren aanwezig ing. [projectontwikkelaar] (projectontwikkelaar) en de gemachtigde van vergunninghouder.
2.4.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn met zes weken verlengd.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en omstandigheden
3.1.
Eiser woont naast het bouwplan op het [adres 2] in [plaats 1] en eiseres is exploitant van de [supermarkt] die direct naast het bouwplan gelegen is.
3.2.
Op 18 december 2024 heeft vergunninghouder een aanvraag voor het bouwplan ingediend bij het college. De aanvraag omvat het afwijken van de regels in het omgevingsplan.
3.3.
Met het besluit van 19 februari 2025 (primair besluit) heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna: BOPA) met toepassing van de reguliere voorbereidingsprocedure. De omgevingsvergunning is verleend voor de volgende activiteit:
- afwijken van regels in het omgevingsplan (artikel 5.1, eerste lid, onder a van de Omgevingswet (Ow)).
3.4.
Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
3.5.
Op 19 juni 2025 heeft de commissie Bezwaarschriften (hierna: de commissie) advies uitgebracht aan het college. Met het bestreden besluit heeft het college het primaire besluit in stand gelaten met een aangepaste motivering, onder verwijzing naar het advies van de commissie.
Wettelijk kader
4.1.
De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.2.
Op 1 januari 2024 is de Ow in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. [1] Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden.
Bestreden besluit
5.1.
Volgens het college is met het rapport ‘Motivering Bopa’ rekening gehouden met het ‘overkoepelende karakter’ van de omgevingsvergunning. In de hoofdstukken waarbij de verschillende aspecten zijn onderzocht en getoetst (hoofdstuk 5 tot en met 7) wordt telkens op het gehele project in relatie tot het betreffende aspect ingegaan en wordt de gehele ontwikkeling getoetst aan het betreffende beleidsaspect of bepaling uit hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Ook bij de uitgevoerde onderzoeken heeft de gehele ontwikkeling en niet alleen de met het omgevingsplan strijdige onderdelen centraal gestaan. De uitgevoerde onderzoeken tonen aan dat er geen nadelige effecten ontstaan door de gevraagde ontwikkeling.
5.2.
Verder past het totale bouwplan binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (hierna: ETFAL). Bij het afwegen van de plannen heeft het college laten meewegen dat het initiatief grotendeels in het omgevingsplan past. [2] Daarnaast is wonen rechtstreeks toegestaan, ook op de begane grond waar de voormalige supermarkt was gevestigd en is het aantal woningen niet gemaximeerd in het omgevingsplan.
5.3.
Ook wordt vanwege de toevoeging van een open en groene buitenruimte kwaliteit toegevoegd aan de nieuwe woonomgeving. Was dit niet gedaan, dan had de woningbouwopgave binnen het bouwvlak gepast. De overschrijding van het bouwvlak wordt juist veroorzaakt door een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. De buiten functie geraakte laad- en losplaats van de voormalige supermarkt is omgevormd tot een aangenaam woon- en verblijfsgebied. Verder heeft het college aan de realisatie van de vierde bouwlaag alleen meegewerkt onder de voorwaarde dat deze als zogenaamde ‘setback’ werd uitgevoerd.
5.4.
Ten slotte heeft het college meegewogen dat het hier om een al langdurig leegstaand pand gaat. Het college geeft de voorkeur aan het voorzien in woningen waar grote behoefte aan is, in plaats van het laten voortbestaan van leegstand. In dit kader wijst het college nog op de bouwdoelstellingen waarvoor snel harde plancapaciteit noodzakelijk is.
Beroepsgronden eiser
6.1.
Eiser is van mening dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Het college heeft het bezwaar van eiser gegrond verklaard wegens een motiveringsgebrek, maar de omgevingsvergunning desondanks in stand gelaten. Deze redenering is innerlijk tegenstrijdig en onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Daarnaast is de participatie van omwonenden minimaal geweest en zijn de resultaten van de omgevingsdialoog summier verwerkt. Dit schendt het zorgvuldigheidsbeginsel.
6.2.
Verder leidt het bouwplan tot het verdwijnen van een centrumfunctie (winkelvoorziening) ten gunste van uitsluitend woningbouw. Dit ondermijnt de vitaliteit van het dorpscentrum en is in strijd met de eis van een ETFAL. Ook is de berekende parkeerbehoefte eenzijdig en miskent de bestaande druk op het [plein] . Afwenteling op openbare parkeerplaatsen wordt genegeerd. Dit heeft negatieve gevolgen voor bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid.
6.3.
Ten slotte zijn de belangen van omwonenden onvoldoende meegewogen. Het belang van woningbouw weegt te zwaar, terwijl alternatieve invullingen met behoud van voorzieningen buiten beschouwing zijn gelaten.
Beroepsgronden eiseres
7. Eiseres stelt dat het bestreden besluit moet worden vernietigd, omdat deze in strijd is met een ETFAL wegens een voorzien gebrek aan parkeergelegenheid als gevolg van het bouwplan. Het is van uit het oogpunt van een ETFAL ontoelaatbaar dat de parkeervraag van de oude winkel wordt betrokken in de saldering ten behoeve van de voorliggende ontwikkeling. De parkeerplaatsen worden daarmee immers twee keer meegerekend. Dat dit van uit verkeerskundig oogpunt onacceptabel is, blijkt ook uit de in bezwaar overgelegde second opinion van Goudappel. Het behoeft verder geen toelichting dat dit ertoe leidt dat de parkeerdruk in de omgeving – anders dan in het bestreden besluit wordt overwogen – als gevolg van de vergunde ontwikkeling tot ontoelaatbare niveaus toeneemt. Er is daardoor sprake van strijd met een ETFAL en de Nota Parkeernormen Waalwijk 2015 (hierna: Nota Parkeernormen). Hiermee staat vast dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk gemotiveerd. De gerechtvaardigde belangen van eiseres worden hierdoor onevenredig geschaad. Voorts staat de vroegere supermarkt van eiseres inmiddels al bijna tien jaar leeg. Van uit verkeerskundig oogpunt kan de bestaande parkeerbehoefte na zo’n lange staat van leegstand niet worden aangewend voor de parkeersaldering. Op grond van het voorgaande is volgens eiseres sprake van strijd met de geschreven en ongeschreven beginselen van behoorlijk bestuur.
Oordeel van de rechtbank
Omvang van het geding
8.1.
De rechtbank merkt op dat eiser op zitting zijn beroepsgrond over het kettingbeding uit de verkoopakte heeft ingetrokken. Deze beroepsgrond behoeft daarom geen bespreking.
8.2.
Het bouwplan omvat de feitelijke omzetting van een supermarktlocatie van 1.350 m2 bruto vloeroppervlak naar 18 appartementen. De rechtbank beoordeelt of het college de omgevingsvergunning hiervoor mocht verlenen. In het bestreden besluit heeft het college drie strijdigheden met de planregels vergund: vier bouwlagen in plaats van drie, niet op eigen terrein parkeren en bouwen buiten het bouwvlak. De bouwlagen en het parkeren heeft het college vergund met een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid en voor het bouwvlak heeft het college een BOPA verleend.
Participatie
9.1.
Eiser voert aan dat de participatie van omwonenden minimaal is geweest en dat de resultaten van de omgevingsdialoog summier zijn verwerkt.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat de door het college gevolgde procedure niet in strijd is geweest met enig wettelijk voorschrift of rechtsbeginsel. Participatie is in dit concrete geval door de gemeenteraad niet als verplichting aangewezen op grond van artikel 16.55, zevende lid, van de Ow. [3] Desondanks is wel aan participatie gedaan en zijn de uitkomsten van de omgevingsdialoog als bijlage 12 bij de ruimtelijke onderbouwing gevoegd. In dit kader merkt te rechtbank nog op dat met participatie niet wordt beoogd om consensus of unanieme steun te bewerkstelligen voor plannen in de leefomgeving. Burgerparticipatie zoals dat in de Ow is vormgegeven kan het draagvlak bij de burger zeker vergroten, maar is geen resultaatsverplichting op een voor alle partijen aanvaardbare beslissing.
Juridisch kader
10.1.
Het bouwplan valt binnen het voormalige [bestemmingsplan] (hierna: bestemmingsplan), de beheersverordening Woonwijken (incl. Duurzaamheid) (hierna: beheersverordening) en het bestemmingsplan Parapluherziening parkeren Waalwijk (hierna: Parapluherziening) die onderdeel uitmaken van het omgevingsplan. Het bouwplan valt voor het grootste gedeelte binnen de bestemming ‘Centrumvoorzieningen’. Voor de strook van 78m2 aan de noordzijde is de bestemming ‘Verblijfsgebied’ [4] van toepassing.
10.2.
Artikel 5.1, eerste lid, sub a van de Ow verbiedt het verrichten van een omgevingsplanactiviteit zonder omgevingsvergunning.
10.3.
In de bijlage bij artikel 1.1 van de Ow is een buitenplanse omgevingsplanactiviteit gedefinieerd als een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning ter verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan (sub b) of een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan (sub c).
10.4.
In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl is bepaald dat, als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, deze alleen wordt verleend met het oog op een ETFAL. Een aangevraagde omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit – anders dan een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang – wordt geweigerd indien een van de weigeringsgronden uit artikel 8.0b, tweede lid, van het Bkl zich voordoet.
10.5.
De rechtbank overweegt dat het bouwplan niet past binnen de planregels, (onder andere) omdat gebouwen uitsluitend binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak mogen worden gebouwd. [5] Het bouwplan is voor ongeveer drie meter buiten het bouwvlak gesitueerd. Het gaat hierbij om de (afscheiding van de) terrassen, de balkons en een deel van het gebouw zelf. Het college heeft voor deze strijdigheid een omgevingsvergunning voor een BOPA verleend.
10.6.
Met het bouwplan wordt dus ongeveer drie meter buiten het bouwvlak gebouwd en deze bouwstrook heeft de bestemming ‘Verblijfsgebied’. Op grond van artikel 10, derde lid, van het bestemmingsplan mag op deze bouwstrook niet worden gebouwd, behoudens met de bestemming verband houdende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals straatmeubilair. Het college heeft deze strijdigheid in het bestreden besluit niet expliciet genoemd. Op zitting heeft het college aangegeven dat deze strijdigheid ook is meegenomen bij de verlening van de omgevingsvergunning voor de BOPA, maar dat het artikel niet expliciet is genoemd. De rechtbank oordeelt dat dit een gebrek is in het bestreden besluit. De rechtbank bespreekt eerst de overige beroepsgronden voordat zij een gevolg verbindt aan dit gebrek.
Past ‘wonen’ binnen het bestemmingsplan?
11.1.
Eiser voert aan dat het bouwplan leidt tot het verdwijnen van een centrumfunctie (een winkelvoorziening) ten gunste van uitsluitend woningbouw. Dit ondermijnt de vitaliteit van het dorpscentrum en is in strijd met de eis van een ETFAL.
11.2.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 5 van Pro het bestemmingsplan wonen op de locatie van het bouwplan is toegestaan. Om die reden bestaat er geen ruimte voor een ETFAL-toets en in principe ook niet voor een belangenafweging. Wel geeft artikel 5, derde lid, van het bestemmingsplan nadere bebouwingsvoorschriften waaraan voldaan moet worden. Op grond van artikel 5, derde lid, onder e, van het bestemmingsplan geldt dat bij uitbreiding van bestaande bebouwing en eventuele nieuwbouw, deze mag plaatsvinden voor zover de uitbreiding of nieuwbouw zodanig gesitueerd is dat ten gevolge daarvan geen onevenredig negatieve gevolgen met betrekking tot het gebruik, licht, schaduw en uitzicht voor de in de directe nabijheid gelegen gronden en opstallen of de openbare ruimte voortvloeien.
11.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van onevenredig negatieve gevolgen door de nieuwbouw. Zo is op de verdiepingen bewust gekozen voor een beperkte hoeveelheid gevelopeningen en is de vierde verdieping voorzien van een terugliggende bouwlaag (set-back), waardoor de visuele impact en eventuele inkijk worden beperkt. De ramen op de hogere bouwlagen bevinden zich bovendien hoofdzakelijk in trappenhuizen of slaapkamers, wat een beperkt zichtveld geeft. Verder is sprake van een gesloten balustrade bij het dakterras op de vierde verdieping, waardoor het zicht op naburige percelen beperkt blijft. Ten aanzien van de bezonning heeft het college geconcludeerd dat de set-back niet leidt tot onevenredige schaduwwerking. Deze beroepsgrond slaagt niet.
11.4.
Voor zover eiser deze beroepsgrond ook bedoeld heeft aan te voeren in het kader van de binnenplanse afwijking over de bouwlagen (vier in plaats van drie), slaagt deze op grond van het voorgaande ook niet.
Parkeren
12.1.
De rechtbank overweegt dat het bouwplan ook in strijd is met artikel 57.2, onder a, van de beheersverordening omdat het niet voorziet in parkeren op eigen terrein. Artikel 57.3 van de beheersverordening biedt een mogelijkheid om af te wijken van de parkeerregels.
12.2.
De aanvraag van de omgevingsvergunning is door het college getoetst aan het parkeernormenbeleid zoals vastgelegd in de Nota Parkeernormen. Deze is van toepassing op basis van de overgangsbepaling uit de Beleidsregel Parkeernormen Waalwijk 2025 [6] .
12.3.
Artikel 4.1 van de Nota Parkeernormen bepaalt dat bij het bepalen van de parkeereis onderscheid is te maken tussen nieuwbouwontwikkelingen, functiewijzigingen, verbouw of renovatie van een bestaand gebouw. Voor dergelijke ontwikkelingen geldt dat de parkeereis aan de hand van de gestelde parkeernormen moet worden berekend. Het plan moet voorzien in de parkeereis onder de gestelde voorwaarden. In deze zaak is sprake van een functiewijziging en bij functiewijzigingen wordt de parkeereis berekend op basis van de parkeernormen in de Nota Parkeernormen. Ook in deze situatie geldt dat op eigen terrein aan de parkeereis moet worden voldaan. Mocht dit niet mogelijk zijn, in aanmerking nemende dat een plan tot vervangende nieuwbouw niet leidt tot het verdwijnen van parkeergelegenheid op eigen terrein, moet een parkeeroplossing in de openbare ruimte worden gevonden. In die gevallen wordt de parkeerbehoefte van het bestaande gebouw/de bestaande functie bepaald die op dat moment op het openbare gebied wordt afgewenteld en wordt deze in mindering gebracht op de nieuwe parkeereis.
12.4.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen [7] , behoort bij de beoordeling van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten. Dit houdt in dat slechts rekening moet worden gehouden met de toename van parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan ten opzichte van de reeds bestaande parkeerbehoefte vanwege het bestaande pand. De bestaande parkeerbehoefte dient in zekere mate objectief vastgesteld te kunnen worden.
12.5.
Voor appartementen in het dure, midden of goedkope segment geldt een parkeernorm van respectievelijk 2,0; 1,9 en 1,6 parkeerplaats per woning. Met het bouwplan worden er dertien appartementen in het middensegment, vier appartementen in het dure segment en één appartement in het goedkope segment gerealiseerd. Dit levert een parkeereis van 34,3 parkeerplaatsen op. De parkeereis van de bestaande supermarktlocatie is 3,4 parkeerplaats per 100m2 bruto vloeroppervlak (hierna: bvo), wat neerkomt op een parkeereis van (1.350m2 bvo vermenigvuldigd met 3,4 = ) 45,9 parkeerplaatsen. Door deze in mindering te brengen op de parkeereis van de nieuwe ontwikkeling blijft een negatieve parkeereis over. Er is dus sprake van een parkeeroverschot waardoor het beoogde gebruik niet leidt tot een intensivering ten opzichte van de bestaande situatie. Het benodigd aantal parkeerplaatsen dat op dit moment ook niet op eigen terrein plaatsvindt, mag dus op de openbare ruimte worden afgewenteld. Er is dus minder parkeerbehoefte en er zijn ook minder verkeersbewegingen.
12.6.
Eiser heeft in het verlengde van het voorgaande gewezen op de negatieve gevolgen voor de bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een onevenredige afbreuk aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken, geen sprake van een onaanvaardbare situatie met betrekking tot milieuhygiënische kwaliteit, waterhuishouding en externe veiligheid en ontstaat er geen nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer en de feitelijke verkeerssituatie. Gelet hierop mocht het college deze binnenplanse afwijking in overeenstemming achten met een ETFAL en het belang van vergunninghouder hierbij laten prevaleren. Deze beroepsgronden slagen daarom ook niet.
Conclusie en gevolgen
13.1.
De beroepen zijn gegrond nu uit het bestreden besluit niet expliciet blijkt dat voor de strijdigheid onder 10.6 een omgevingsvergunning is verleend. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De bestuursrechter is verplicht om een geschil zoveel mogelijk definitief te beslechten. [8] Dat houdt onder andere in dat de bestuursrechter moet onderzoeken of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. [9]
13.2.
De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Op zitting heeft het college gemotiveerd dat de strijdigheid onder 10.6 ook is meegenomen bij de verlening van de omgevingsvergunning met betrekking tot de strijdigheid met het bouwvlak, omdat deze twee strijdigheden in elkaar vervat zitten. De rechtbank oordeelt dat het college het gebrek heeft hersteld met deze aanvullende motivering op zitting.
13.3.
Omdat het beroep van eisers gegrond wordt verklaard, bepaalt de rechtbank dat het college aan eisers het door hun betaalde griffierecht moet vergoeden. Eiser heeft geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten gemaakt. Eiseres krijgt wel een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 12 augustus 2025;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • draagt het college op het griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden;
  • draagt het college op het griffierecht van € 385,- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van
mr.S.C.J.J. van Roij, griffier op 20 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 8:41a
De bestuursrechter beslecht het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief.
Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a
De bestuursrechter kan bepalen dat:
a. de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven, (…)
Omgevingswet (Ow)
Artikel 16.55, zevende lid
De gemeenteraad kan gevallen van activiteiten aanwijzen waarin participatie van en overleg met derden verplicht is voordat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarvoor het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is, kan worden ingediend.
Bestemmingsplan [bestemmingsplan] , 1996
Artikel 5 Centrumvoorzieningen Pro (C)
Lid 1 Doeleindomschrijving
De op de plankaart als zodanig aangegeven gronden zijn bestemd voor Centrumvoorzieningen met de volgende functies:
  • detailhandel
  • openbare dienstverlening, met baliefunktie
  • horeca
  • wonen
  • kantoren en bedrijven
  • markten
  • verkeers-/verblijfsfunctie en overige verhardingen
  • parkeer- en groenvoorzieningen
(…)
Lid 3 Bebouwingsvoorschriften
Er mag gebouwd worden met in achtneming van de volgende bepalingen:
a. gebouwen mogen uitsluitend gebouwd worden binnen de op de plankaart aangegeven bouwvlakken.
a. hoofdgebouwen mogen, behoudens vrijstelling, in ten hoogste 3 bouwlagen, al dan niet met kap worden gebouwd, met dien verstande dat kerken en uitvaartcentra resp. scholen in ten hoogte 1 resp. 2 bouwlagen gebouwd mogen worden (…)
e. uitbreiding van bestaande bebouwing en eventuele nieuwbouw mag plaatsvinden voor zover de uitbreiding of nieuwbouw zodanig gesitueerd is dat ten gevolge daarvan geen onevenredig negatieve gevolgen m.b.t. het gebruik, licht, schaduw en uitzicht voor de in de directe nabijheid gelegen gronden en opstallen of de openbare ruimte voortvloeien.
Lid 5 Vrijstellingen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd vrijstelling te verlenen ten aanzien van:
a. Het in lid 3 onder b bedoelde aantal bouwlagen van hoofdgebouwen tot ten hoogste 4, voor zover het niet betreft kerken, scholen en uitvaartcentra (…)
Artikel 10 Verblijfsgebied Pro (Vb)
Lid 1 Doeleindomschrijving
De op de plankaart voor verblijfsgebied aangegeven gronden zijn bestemd voor verblijf en verplaatsing bepaald door en gericht op de aangrenzende of naburige bestemmingen en in verband daarmee voor verhardingen t.b.v. op gemotoriseerd verkeer en ander verkeer, alsmede voor parkeerplaatsen en groenvoorzieningen.
Lid 3 Bouwwerken, werken en werkzaamheden
Op de in lid 1 bedoelde gronden mag niet worden gebouwd, behoudens met de bestemming verband houdende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals straatmeubilair.
Beheersverordening Woonwijken (incl. Duurzaamheid)
Artikel 57.1 Parkeren, laden en lossen
a. Bij een gebruiksverandering of de verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's, (motor)fietsen of andere voertuigen in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het bijbehorend bouwperceel, waarbij de volgende voorwaarden van toepassing zijn:
1. voor de bepaling van het aantal parkeerplaatsen en parkeervoorzieningen voor auto's betekent 'in voldoende mate' dat wordt voldaan aan de normen in de beleidsregels die zijn neergelegd in de gemeentelijke parkeernota, zoals opgenomen in Nota parkeernormen Waalwijk.
Artikel 57.2, onder a, Strijdig gebruik
Als gebruik in strijd met de beheersverordening wordt in ieder geval verstaan:
a. het gebruik van gronden of bouwwerken waarbij niet in voldoende mate ruimte aanwezig is ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's, (motor)fietsen of andere voertuigen in, op of onder het gebouw dan wel op of onder het bijbehorend bouwperceel overeenkomstig het bepaalde in lid 57.1 onder a sub 1 en 2 (…)
Artikel 57.3 Afwijken van de parkeerregels
Het college kan afwijken van het bepaalde in lid 57.1 onder a ten behoeve van een gebruiksverandering, dan wel de verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen, indien het voldoen aan de parkeerregels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit of voor zover in voldoende mate op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien, met dien verstande dat:
geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
geen onaanvaardbare situatie ontstaat met betrekking tot milieuhygiënische kwaliteit, waterhuishouding en externe veiligheid;
geen nadelige beïnvloeding ontstaat van de normale afwikkeling van het verkeer en de feitelijke verkeerssituatie.
Beleidsregel Parkeernormen Waalwijk 2025
Artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a en c
Op verzoek van een aanvrager blijft de Nota parkeernormen Waalwijk 2015 van toepassing op:
a. een aanvraag voor een omgevingsvergunning die is ingediend vóór de datum van inwerkingtreding van deze Beleidsregel;
c. een beslissing op bezwaar als op het primaire besluit de Nota parkeernormen Waalwijk 2015 van toepassing was.
Nota Parkeernormen Waalwijk 2015
Artikel 5.1 Stappenplan
Voor het bepalen van de parkeereis wordt het volgende stappenplan doorlopen.
Stap 1: bepalen parkeereis van een nieuwe functie
Allereerst dient de parkeereis te worden bepaald van de nieuwe ontwikkeling.
Bepalen parkeereis
De parkeereis wordt berekend aan de hand van de parkeernormen opgenomen in bijlage 2. De parkeernormen variëren met de ligging in de gemeente. Op de kaart in bijlage 1 is de gebiedsindeling aangegeven. De parkeereis volgt uit de vermenigvuldiging van de eenheid en de parkeernorm van de functie.
Ontwikkeling meerdere functies
In toenemende mate worden aanvragen ingediend voor gebouwen met meerdere functies, bijvoorbeeld een gebouw waarin een school, huisartsenpraktijk en sporthal zijn gevestigd of een bedrijf met een magazijn en kantoor.
In deze gevallen wordt per functie de parkeereis bepaald. Voor de aanvraag worden de afzonderlijke parkeereisen bij elkaar opgeteld om te komen tot een parkeereis voor de complete ontwikkeling.
Technische ruimtes
Technische ruimten (zoals toiletgroepen, liften etc.) worden toebedeeld aan het bruto vloeroppervlak. Dit betekent dus dat dergelijke voorzieningen onderdeel uitmaken van de oppervlakte van de functie waarop de parkeereis wordt bepaald.
Afronding bepalen parkeereis
De parkeereis wordt aan het einde van de berekening afgerond. Hierbij geldt dat de berekende parkeereis altijd naar boven wordt afgerond. Reden is dat er geen delen van parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden.
Stap 2: voorziet ontwikkeling in parkeren op eigen terrein
In deze stap wordt bepaald of de ontwikkeling op eigen terrein kan voorzien in de parkeereis met de daaraan verbonden voorwaarden beschreven in hoofdstuk 4.2.
Stap 3: onderzoek naar alternatieven
Als niet kan worden voldaan aan de vereiste aantal parkeerplaatsen om te parkeren op eigen terrein, dan kan onderzocht worden of op een alternatieve manier kan worden voorzien in de parkeereis.
Stap 3a: dubbelgebruik (uitsluitend bij meerdere functies in een ontwikkeling)
In ontwikkelingen waarin verschillende functies zijn ondergebracht kunnen deze functies gebruikmaken van dezelfde parkeervoorzieningen. Op bepaalde momenten van de dag zal tussen de parkeerbehoefte van de functies echter frictie ontstaan. Met verruimde openingstijden ontstaat bijvoorbeeld frictie tussen de winkelbezoekers en bewoners.
Op basis van de aanwezigheidspercentages, opgenomen in bijlage 3, kan de piekbelasting van de gezamenlijke functies worden bepaald. Met het toepassen van het dubbelgebruik kan de parkeereis dalen, waardoor het toch mogelijk is dat in de parkeereis op eigen terrein wordt voorzien. Als dit niet het geval is dan wordt onderzocht of parkeren in de openbare ruimte mogelijk is.
Stap 3b: parkeren in openbare ruimte
Om te bepalen of er in de openbare ruimte voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn voor het voorzien in de parkeereis moet een parkeeronderzoek worden uitgevoerd (zie paragraaf 4.4.1). In deze meting wordt nagegaan hoeveel parkeerplaatsen er in een vooraf bepaald onderzoeksgebied bezet zijn. Bij parkeeronderzoeken wordt als grens van de beschikbare parkeercapaciteit, een gemiddelde bezettingspercentage van 85% gehanteerd. Ofwel: 85% van de beschikbare parkeercapaciteit mag bezet zijn. De overige 15% is nodig voor het opvangen van “zoekverkeer” en groei van het autobezit. Wanneer de gemiddelde parkeerbezetting 70% bedraagt en de parkeercapaciteit bedraagt 100 parkeerplaatsen, mogen er dus 15 parkeerplaatsen worden toebedeeld aan de ontwikkeling.
Stap 3c: wijzingen van functies en vervangende nieuwbouw
Als de functie van een bestaand gebouw wijzigt of er sprake is van vervangende nieuwbouw dan dient op eigen terrein te worden voldaan aan de nieuwe parkeereis. Indien dit niet mogelijk is, dient een parkeeroplossing in de openbare ruimte te worden gevonden. In die gevallen wordt de parkeerbehoefte van de bestaande functie bepaald die op dat moment op openbare parkeerplaatsen wordt afgewenteld. Deze parkeerbehoefte mag in mindering worden gebracht op de parkeereis van de nieuwe ontwikkeling.

Voetnoten

1.Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Ow in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:464, r.o. 4.2.
3.‘Bekendmaking adviesrecht gemeenteraad, verplichte participatie en delegatie’.
4.In de ‘Motivering Bopa’ staat ten onrechte ‘Verkeersdoeleinden’. Dit is een kennelijke verschrijving zoals ook blijkt uit het primaire en bestreden besluit en ook op zitting is geverifieerd.
5.Artikel 5, derde lid, onder a van het bestemmingsplan.
6.Artikel 16, tweede lid, onder a en c.
7.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2234.
8.Artikel 8:41a van de Awb.
9.Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.