ECLI:NL:RBZWB:2026:434

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
BRE 25/3275
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:24 AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep vanwege ontbreken machtiging bij parkeerbelasting naheffing

Belanghebbende uit België heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de heffingsambtenaar van gemeente Sluis. Het beroep is ingediend door een gesteld gemachtigde zonder dat een machtiging is overgelegd waaruit blijkt dat deze gemachtigde bevoegd is om namens belanghebbende op te treden.

De rechtbank heeft belanghebbende en de gemachtigde meerdere malen verzocht om het ontbreken van de machtiging te herstellen, maar dit is niet gebeurd. Er is geen verontschuldiging voor het verzuim gegeven. Hierdoor is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De rechtbank heeft het beroep niet inhoudelijk beoordeeld en het bestreden besluit blijft in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter A.H.W. Steijn en griffier R.P.A.G. Dekkers op 26 januari 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtiging.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/3275

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] (België), belanghebbende

(gesteld gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de heffingsambtenaar van gemeente Sluis, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 23 april 2025. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat gesteld gemachtigde geen machtiging heeft ingediend en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. [1] Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. [2]
Is een machtiging overgelegd?
4. Het beroepschrift is ingediend door gesteld gemachtigde. Zij vermeldt daarin dat zij gemachtigde is van belanghebbende. Zij heeft bij het beroepschrift echter geen machtiging bijgevoegd waaruit blijkt dat zij gemachtigd is om dit beroep in te stellen namens belanghebbende. De rechtbank heeft in haar bericht van 8 juli 2025 verzocht om binnen vier weken dit verzuim te herstellen. Gesteld gemachtigde heeft hier niet op gereageerd. De griffier heeft gesteld gemachtigde bij aangetekende brief van 22 september 2025 nogmaals in de gelegenheid gesteld om het verzuim te herstellen. Gesteld gemachtigde heeft op 8 oktober 2025 gereageerd en stuurde daarbij een kopie van de brieven van 8 juli 2025 en 22 september 2025. De rechtbank stelt dan ook vast dat gemachtigde de brieven heeft ontvangen. Gesteld gemachtigde heeft echter geen machtiging ingediend.
Is het niet tijdig indienen van een machtiging verontschuldigbaar?
5. Gesteld gemachtigde heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Uit het beroepschrift blijkt dat gesteld gemachtigde niet de bedoeling heeft voor zichzelf in beroep te komen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 26 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb.
2.Dit staat in artikel 6:6 van Pro de Awb.