Eiser verzocht op grond van de Wet open overheid (Woo) om openbaarmaking van documenten over een woningbouwproject op de voormalige locatie van ABN AMRO in Breda. Het college maakte een deel openbaar, maar weigerde bepaalde bedrijfs- en fabricagegegevens openbaar te maken op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze weigering.
De rechtbank beoordeelde of het college terecht de uitzonderingsgrond toepaste op het conceptherbestemmingsonderzoek dat BVR Groep B.V. vertrouwelijk aan het college had verstrekt. De rechtbank concludeerde dat de weggelakte gegevens, waaronder woningaantallen en plattegronden, bedrijfsgevoelige informatie bevatten die de concurrentiepositie van BVR kunnen schaden.
Hoewel het college de motivering aanvankelijk niet volledig in het bestreden besluit had opgenomen, werd dit gebrek gepasseerd omdat de motivering later in het proces is gegeven. De rechtbank verwierp de argumenten van eiser dat de gegevens niet onder de uitzonderingsgrond vallen en dat het college onduidelijk was over de selectie van openbaar gemaakte gegevens.
Het beroep werd ongegrond verklaard, maar het college moet het griffierecht aan eiser vergoeden. De uitspraak bevestigt dat vertrouwelijke bedrijfsgegevens die concurrentiegevoelig zijn, terecht kunnen worden geweigerd voor openbaarmaking onder de Woo.