ECLI:NL:RBZWB:2026:4317

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
10908354 CV EXPL 24-404 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Badal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen wegens geen gebreken aan motor bij levering auto

Car Parc vordert schadevergoeding wegens een motorisch gebrek aan een auto gekocht bij [gedaagde]. De rechtbank stelde een deskundigenonderzoek in, waarbij de deskundige concludeerde dat de motorproblemen zijn ontstaan door oneigenlijk gebruik na de koop en niet tijdens de garantieperiode aanwezig waren.

Car Parc betwistte de conclusies en stelde dat het gebrek latent tijdens de garantieperiode is ontstaan, maar kon dit niet overtuigend onderbouwen. De deskundige gaf aan dat het schadeproces zich over enkele honderden kilometers voltrekt en dat het gebrek niet reeds bij levering aanwezig was.

De kantonrechter oordeelde dat Car Parc de bewijslast draagt en dat de deskundigenconclusie overtuigend is. Daarom is niet vastgesteld dat het gebrek tijdens de garantieperiode bestond. De vorderingen worden afgewezen en Car Parc wordt veroordeeld in de proceskosten.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is gewezen door mr. Badal op 22 april 2026.

Uitkomst: De vorderingen van Car Parc worden afgewezen wegens ontbreken van een motorisch gebrek bij levering.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 10908354 \ CV EXPL 24-404
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
CAR PARC B.V.,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: Car Parc,
gemachtigde: mr. C.H.A. van de Wiel,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. V.C. van der Velde.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 16 juli 2025;
- het deskundigenbericht van 29 november 2025 van [B.V.] ;
- de conclusie na deskundigenbericht van Car Parc;
- de antwoordconclusie na deskundigenbericht van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

Het deskundigenonderzoek
2.1.
In het tussenvonnis van 25 juni 2025 heeft de kantonrechter overwogen dat een deskundigenonderzoek noodzakelijk is. In het tussenvonnis van 16 juli 2025 is de heer ing. [deskundige] van [B.V.] (hierna: de deskundige) tot deskundige benoemd. Aan hem zijn de in het tussenvonnis gestelde vragen ter beantwoording voorgelegd.
2.2.
De deskundige heeft een deskundigenbericht, gedateerd 29 november 2025, uitgebracht waarin hij de in het tussenvonnis van 16 juli 2025 opgenomen vragen heeft beantwoord (hierna: het deskundigenbericht).
2.3.
De deskundige heeft in zijn deskundigenbericht – samengevat – het volgende geconcludeerd. De motor is vastgelopen door een combinatie van factoren die duiden op oneigenlijk gebruik van de motor c.q. de auto. De initiatie van de schade was er nog niet ten tijde van de koop door Car Parc bij [gedaagde] . De gebruiksomstandigheden hebben geleid tot overmatige condensvorming waardoor het oliefilter is verzadigd met rondpompen van vervuilde olie tot gevolg. Een exacte tijdslijn van de gevolgen van het rondpompen van vervuilde olie is volgens de deskundige niet te geven, maar zo’n zichzelf versterkend nadelig proces met uiteindelijk een motorschade duurt eerder enkele honderden kilometers dan duizenden kilometers. Op de vraag of de motorproblemen (tijdelijk) kunnen worden verdoezeld door het verversen van de motorolie, heeft de deskundige geantwoord dat hij gerede twijfel heeft aan de analyse-uitkomsten van het oliemonster dat Dekra heeft laten onderzoeken en daarom denkt dat de olie niet is ververst. Motorolie verversen zonder het oliefilter te vervangen is in de garagewereld niet gebruikelijk. Mocht het in dit geval wel zo zijn gegaan dan heeft nieuwe olie en de reinigende werking het proces juist verergerd, aldus de deskundige.
De aktes na deskundigenbericht van partijen
2.4.
Car Parc kan zich niet verenigen met de conclusie van de deskundige en betwist de juistheid daarvan. Car Parc stelt dat de deskundige het tweede deel van de tweede vraag, namelijk of de gebreken al aanwezig waren tijdens de garantieperiode, niet heeft beantwoord. Car Parc stelt dat deze vraag op grond van de overwegingen van de deskundige bevestigend beantwoord moet worden. De deskundige schrijft dat aanleiding is om aan te nemen dat het gebrek nog niet aanwezig was ten tijde van de koop en met enkele honderden kilometers kan zijn ontstaan. Uitgaande van deze hypothese is het volgens Car Parc voldoende aannemelijk dat het gebrek latent is ontstaan tijdens de garantieperiode, waarna het gebrek zich enkele dagen na het verstrijken van de garantieperiode heeft geopenbaard. De gevolgtrekking die de deskundige hierin lijkt te maken, vindt Car Parc onbegrijpelijk. Dat de periode tussen het ontstaan en de openbaring van het gebrek geen 600 kilometer kan hebben geduurd, maar dat dit gebrek wel in 245 kilometer (het aantal kilometer dat Car Parc na afloop van de garantietermijn met de auto heeft gereden) kan zijn ontstaan en latent voortbestaan, is zonder duidelijke technische motivering onbegrijpelijk en speculatief. Het is volgens Car Parc voldoende aannemelijk op basis van alle beschikbare stukken dat het gebrek in ieder geval is ontstaan tijdens de garantieperiode. Verder heeft de deskundige op geen enkele wijze onderbouwd dat sprake zou zijn van oneigenlijk gebruik. Daarnaast mag van een auto waarvoor Car Parc € 93.250,00 heeft betaald en waarop zij drie maanden garantie krijgt, worden verwacht dat deze geen ernstige motorproblemen krijgt, ook niet als de motor ‘koud’ wordt gestart, aldus Car Parc.
2.5.
[gedaagde] kan zich vinden in de conclusie van de deskundige.
Het oordeel van de kantonrechter
2.6.
De kantonrechter vindt de conclusie van de deskundige overtuigend en zal deze dan ook overnemen. De deskundige heeft gemotiveerd onderbouwd dat de motorproblemen zijn ontstaan door een combinatie van factoren die duiden op oneigenlijk gebruik van de auto. Verder heeft de deskundige expliciet geoordeeld dat geen sprake was van een reeds bij levering aanwezig gebrek. Ten aanzien van de vraag of de gebreken al aanwezig waren tijdens de garantieperiode, overweegt de kantonrechter als volgt. Op Car Parc rust de bewijslast van de stelling dat het gebrek aan de motor is ontstaan tijdens de looptijd van de garantie. De bevindingen van de deskundige onderbouwen deze stelling niet. De deskundige concludeert dat hij geen exacte tijdlijn kan geven van het schadeproces, maar geeft daarbij wel aan dat een dergelijk proces relatief kortstondig is en zich over enkele honderden kilometers voltrekt. De kantonrechter leidt hieruit af dat niet kan worden vastgesteld dat het gebrek reeds tijdens de garantieperiode latent aanwezig was.
2.7.
Dit betekent dat niet vaststaat dat het gebrek aan de motor van de auto al ten tijde van de koop aanwezig was of in de garantieperiode is ontstaan. [gedaagde] is daarom niet gehouden tot het betalen van de (vervangende) schadevergoeding. De vorderingen van Car Parc worden daarom afgewezen.
De proceskosten
2.8.
Car Parc is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
1.080,00
(2,5 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.224,00
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.9.
Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit betekent dat deze uitspraak geldt, totdat in een eventueel hoger beroep anders is beslist.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
wijst de vorderingen van Car Parc af,
3.2.
veroordeelt Car Parc in de proceskosten van € 1.224,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Car Parc niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Badal en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.