ECLI:NL:RBZWB:2026:4300

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
11588621
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.H.C. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13a WahvArt. 7.7 Verordening op de advocatuurWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijk gegrond beroep tegen verkeersboete voor rijden op voetpad na spoedreparatie inbraakschade

Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het rijden op het voetpad op de Grote Markt te Breda op 11 november 2023. Deze gedraging werd niet betwist, maar betrokkene voerde aan dat het rijden noodzakelijk was vanwege spoedeisend herstelwerk na een inbraak bij een winkel, waarbij noodglas werd geplaatst om verdere schade en onveiligheid te voorkomen.

De officier van justitie erkende de gedraging maar stelde dat er geen acute noodsituatie was en dat betrokkene gebruik had kunnen maken van venstertijden of een ontheffing had kunnen aanvragen. Wel werd een matiging van 25% voorgesteld wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De kantonrechter oordeelde dat de boete terecht was opgelegd, maar dat de omstandigheden van spoedeisendheid en het voorkomen van verdere schade en overlast aanleiding geven tot matiging. De boete werd daarom gematigd tot nihil. Tevens werd de officier van justitie veroordeeld tot terugbetaling van het te veel betaalde bedrag en tot vergoeding van de proceskosten van € 934,00.

Uitkomst: De boete voor rijden op het voetpad is gematigd tot nihil vanwege spoedeisend herstelwerk na een inbraak, met terugbetaling van zekerheid en toekenning van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer.: 11588621 \ MB VERZ 25-420
CJIB-nummer: [cjib-nummer]
uitspraakdatum: 7 april 2026
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. van Schaik (Advocatenkantoor van Schaik)

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 7 april 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet rijbaan gebruiken) op Grote Markt 61 te Breda op 11 november 2023 om 15:58 uur.
Gemachtigde heeft ter zitting samengevat aangevoerd dat de boete niet redelijk is gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden. Betrokkene heeft op 8 november 2023 na een inbraak bij een Pandora-winkel met spoed noodglas geplaatst, en op 23 november 2023 het definitieve glas. Deze werkzaamheden waren noodzakelijk en bevestigd door de winkel. Vanwege de spoedeisendheid was het aanvragen van een ontheffing geen optie. De procedure duurt doorgaans lang en betrokkene kon vooraf geen exacte datum voor plaatsing geven. De geslotenverklaring is ingesteld met het oog op het vergroten van de leefbaarheid in het gebied. Betrokkene heeft juist in lijn met deze doelstelling gehandeld. Door het snel herstellen van de schade na de inbraak en het plaatsen van nieuw glas is verdere schade, onveiligheid en overlast voorkomen. Voorts verzoekt gemachtigde een proceskostenvergoeding.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Betrokkene ontkent de gedraging niet, maar doet een beroep op omstandigheden. Van een acute noodsituatie was geen sprake. Bij een inbraak zijn doorgaans al personen ter plaatse, zodat de veiligheid is gewaarborgd. Het negeren van de geslotenverklaring was daarom niet noodzakelijk. Daarnaast bevat de geslotenverklaring venstertijden. Betrokkene had hiervan gebruik kunnen maken voor het plaatsen van het noodglas. Voor 23 november 2023 geldt dat sprake was van planbare werkzaamheden. Betrokkene had hiervoor een afspraak kunnen maken binnen de venstertijden of tijdig een ontheffing kunnen aanvragen. Wel is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn. De boete dient daarom met 25% gematigd te worden.

Overwegingen

Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de foto’s - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. De boete is dus terecht opgelegd.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd wel aanleiding om de boete te matigen. Daarbij is van belang dat betrokkene handelde in het kader van zijn werkzaamheden als glazenmaker naar aanleiding van een recente inbraak en een noodvoorziening heeft verricht. Deze werkzaamheden waren gericht op het herstellen van schade, het voorkomen van verdere onveiligheid en het beperken van overlast. Hoewel van betrokkene verwacht mocht worden dat hij zoveel mogelijk rekening hield met de geldende verkeersregels en beschikbare venstertijden, acht de kantonrechter aannemelijk dat de praktische uitvoerbaarheid daarvan in dit specifieke geval beperkt was gelet op de spoedeidendheid. De boete zal worden gematigd tot nihil.
Het beroep is gelet op de matiging gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Proceskosten
Vanwege de matiging van de boete komen de proceskosten van het beroep bij de kantonrechter voor vergoeding in aanmerking. De proceskosten die zijn gemaakt in de fase van het administratief beroep bij de officier van justitie komen niet voor vergoeding in aanmerking (zie ECLI:NL:GHARL:2025:226, overweging 6).
Ten aanzien van de door de huidige gemachtigde verrichte proceshandeling geldt bovendien het volgende. De wetgever heeft het oog gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel er onder meer uit bestaat dat wordt opgetreden op basis van
no cure no pay. Gevallen die kennelijk dit kenmerk niet hebben, moeten worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv. Dat volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985, punt 5.2 en 5.3. De huidige gemachtigde van de betrokkene is advocaat. Aan advocaten is het verlenen van rechtsbijstand op basis van
no cure no paybuiten twee zeer specifiek omschreven gevallen verboden, op zowel nationaal als Europees niveau. Dat volgt uit artikel 7.7 van de Verordening op de advocatuur van het college van afgevaardigden van de Nederlandse orde van advocaten en uit paragraaf 3.3 van de Code of conduct for european lawyers van de Council of Bars and Law Societies of Europe. Uit de hoedanigheid van de gemachtigde als advocaat volgt dat hij aan de betrokkene geen rechtsbijstand verleent op basis van
no cure no payen dat ten aanzien van de door hem verrichte proceshandeling ook op die grond geldt dat sprake is van een bijzonder geval waarin de wegingsfactor van 0,25 of 0,10 niet moet worden toegepast.
De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:
beroepschrift 1 punt + zitting 1 punt = 2 punten x gewicht 0,5 x € 934,- = € 934,00.

Beslissing

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot nihil;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 249,-, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.H.C. van Eck, kantonrechter, bijgestaan door de griffier L.I.M. Appels, en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
Als u het niet eens bent met deze beslissing , dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda. Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum verzending: