Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4252

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
26/2487
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 5:16 AwbArt. 5:17 AwbArt. 5:20 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom gemeentelijk monument

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen een last onder dwangsom die het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk aan verzoekster heeft opgelegd. Het college eiste dat verzoekster binnen een korte termijn informatie verstrekte over werkzaamheden en de staat van een gemeentelijk monument. Verzoekster stelde dat zij niet tijdig kon reageren en dat zij al aanzienlijke kosten had gemaakt.

De voorzieningenrechter oordeelde dat geen sprake was van een spoedeisend belang, omdat het verzoekschrift pas na het verstrijken van de begunstigingstermijn was ingediend. Bovendien was de dwangsom een eenmalig bedrag, waardoor het schorsen van het besluit geen verdere dwangsommen kon voorkomen. De voorzieningenrechter zag ook geen aanwijzingen dat het besluit evident onrechtmatig was.

Ten slotte overwoog de voorzieningenrechter dat, indien het college tot invordering zou overgaan, verzoekster daartegen rechtsmiddelen kan aanwenden. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2487

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] verzoekster

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk, het college
(gemachtigde: [gemachtigde 2] ).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening naar aanleiding van het besluit van het college van 21 april 2026 om aan verzoekster een last onder dwangsom op te leggen (bestreden besluit).
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Het college heeft op 21 april 2026 een last onder dwangsom opgelegd om uiterlijk op 28 april 2026 informatie te verstrekken over het gemeentelijk monument aan de [adres] . [1] Specifiek vraagt het college om gegevens over de uitgevoerde werkzaamheden, een overzicht van de (verwijderde) materialen, een beschrijving van de huidige staat van het monument en een toelichting of verzoekster voornemens is om herstelwerkzaamheden uit te voeren met een plan van aanpak. In het bestreden besluit staat dat indien verzoekster niet tijdig of volledig aan de vordering voldoet, dat zij een dwangsom verbeurt van € 500,- ineens.
3. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en heeft ook om een voorlopige voorziening verzocht. Zij vindt dat sprake is van een spoedeisende situatie omdat binnen de begunstigingstermijn geen mogelijkheid bestaat om zorgvuldig en volledig te reageren. Ook stelt verzoekster dat zij al € 20.000,- aan kosten heeft moeten maken met oog op gevaarzetting en behoud van het gemeentelijk monument.
4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is geen sprake van spoedeisend belang. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Het verzoekschrift heeft als dagtekening 27 april 2026. De rechtbank heeft dit verzoekschrift op 29 april 2026 ontvangen, dus na het verstrijken van de begunstigingstermijn. De griffier heeft op 1 mei 2026 telefonisch gesproken met de vertegenwoordiger van het college. Laatstgenoemde heeft toegelicht dat op 28 april 2026 nog stukken bij het college zijn ingediend, maar dat hierin niet de gevraagde gegevens stonden. Het college concludeert daarom dat verzoekster niet binnen de begunstigingstermijn heeft voldaan aan de last en stelt dat daarom de dwangsom inmiddels volledig is verbeurd. De voorzieningenrechter stelt vast dat de dwangsom bestaat uit één bedrag. Dit betekent dat de last is uitgewerkt. Bovendien was de begunstigingstermijn al verstreken op het moment van het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter concludeert daarom dat het schorsen van het bestreden besluit niet kan voorkomen dat (meer) dwangsommen verbeuren. Daarom is geen sprake van spoedeisend belang. Ten overvloede ziet de voorzieningenrechter naar zijn voorlopig oordeel geen reden om aan te nemen dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. De begunstigingstermijn is kort, maar het college heeft al eerder gevorderd de gegevens te verstrekken in het voornemen van 31 maart 2026. Gelet op de gevorderde gegevens acht de voorzieningenrechter het kunnen voldoen aan het gevorderde binnen de begunstigingstermijn niet bij voorbaat onmogelijk.
4.1.
Voor zover verzoekster met haar verzoek heeft beoogd om te voorkomen dat invorderingsmaatregelen worden genomen, overweegt de voorzieningenrechter dat niet gebleken is dat het college tot invordering is overgegaan. Als het college alsnog een invorderingsbesluit neemt, dan kan verzoekster daartegen een rechtsmiddel aanwenden.

Conclusie en gevolgen

5. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 12 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Het college heeft dit besluit genomen op grond van artikel 5:16 en Pro 5:17, in samenhang met artikel 5:20 van Pro de Awb.