ECLI:NL:RBZWB:2026:4192

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
17 mei 2026
Zaaknummer
C/02/384463 FA RK 21-1779
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Leuven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253c BWArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek gezamenlijk gezag en omgangsregeling wegens afwijzing contact minderjarige met vader

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de vader om gezamenlijk ouderlijk gezag en een omgangsregeling met zijn minderjarige kind vast te stellen. De moeder oefent momenteel het eenhoofdig gezag uit en het kind woont bij haar. Er is sinds 2020 geen contact tussen vader en kind vanwege ernstige zorgen, waaronder vermoedens van seksueel misbruik en traumatische ervaringen van het kind.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde om het verzoek over gezag en omgang aan te houden in afwachting van hulpverleningstrajecten. Het kind ondergaat een traumabehandeling en specialistische hulp. Tijdens een gesprek met een begeleidster gaf het kind duidelijk aan geen contact met zijn vader te willen vanwege emotionele schade en trauma's.

De rechtbank concludeerde dat gezamenlijk gezag op dit moment niet in het belang van het kind is, mede vanwege het risico dat het kind klem komt te zitten tussen de ouders en de belaste relatie tussen de ouders. Ook wees de rechtbank het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling af, omdat contactherstel het kind zou belasten en zijn ontwikkeling zou schaden.

De rechtbank onderschreef het advies van de Raad om de vader toe te staan contact te onderhouden via een doos met kaarten en brieven, zodat het kind zelf kan bepalen of hij hierop wil reageren. De moeder zal de vader blijven informeren over het welzijn van het kind. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek van de vader af om gezamenlijk gezag en omgang vast te stellen omdat het kind geen contact wenst en het in zijn belang is geen omgang op te leggen.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/384463 FA RK 21-1779
Datum uitspraak: 16 april 2026
Nadere beschikking over gezag en omgang
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat voorheen: mr. M.S. Yap, advocaat te Bergen op Zoom,
nu: mr. N.J.C. van Dorsselaer-Spapen, advocaat te Zaltbommel,
tegen
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. C.G.J.E. Lut te Eindhoven,
over de minderjarige:
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2013,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-Wet-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1.Het verdere procesverloop

1.1.
Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
  • de in deze zaak gegeven beschikking van deze rechtbank van 3 september 2024 en alle daarin vermelde stukken;
  • de brief van mr. N.J.C. van Dorsselaer-Spapen van 3 maart 2025;
  • de brief van mr. C.G.J.E. Lut van 6 juni 2025 tevens houdende aanvullend verzoek;
  • de brief van mr. N.J.C. van Dorsselaer-Spapen van 24 juni 2025;
  • de brief van mr. N.J.C. van Dorsselaer-Spapen van 25 juni 2025 met bijlagen;
  • de brief van mr. N.J.C. van Dorsselaer-Spapen van 13 november 2025 met bijlage;
  • de brief van mr. N.J.C. van Dorsselaer-Spapen van 17 november 2025 met bijlage;
  • het e-mailbericht van de griffier van de rechtbank van 20 november 2025 aan de ouders en hun advocaten en de vertegenwoordigster van de Raad;
  • het e-mailbericht van mr. N.J.C. van Dorsselaer-Spapen van 12 december 2025 met bijlage;
  • het e-mailbericht van de griffier van de rechtbank van 12 januari 2026 aan de ouders en hun advocaten en de vertegenwoordigster van de Raad;
  • het e-mailbericht van de griffier van de rechtbank van 30 januari 2026 aan de ouders en hun advocaten en de vertegenwoordigster van de Raad;
  • het e-mailbericht van mr. C.J.G.E. Lut van 30 januari 2026;
  • het e-mailbericht van de griffier van de rechtbank van 5 februari 2026 aan de ouders en hun advocaten en de vertegenwoordigster van de Raad;
  • de brief van mr. N.J.C. van Dorsselaer-Spapen van 16 februari 2026;
  • het e-mailbericht van mr. C.J.G.E. Lut van 16 februari 2026 met bijlage;
  • de brief van de Raad van 16 februari 2026.
1.2.
Op 18 november 2025 heeft de rechtbank de verzoeken, met gesloten deuren, op de zitting nader mondeling behandeld. Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast was een vertegenwoordigster namens de Raad aanwezig.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2013.
2.2.
[minderjarige] woont bij de vrouw.
2.3.
De man heeft [minderjarige] erkend.
2.4.
De vrouw oefent van rechtswege het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.
2.5.
Bij beschikking van 19 maart 2018 heeft de rechtbank [geboorteplaats] ten aanzien van de omgang tussen de man en [minderjarige] bepaald dat [minderjarige] bij de man zal zijn:
- in de oneven weken op zaterdag van 9.30 uur tot 19.00 uur, waarbij de man [minderjarige] haalt er brengt;
- in de even weken op woensdag uit school tot het einde van de middag, waarbij de man [minderjarige] haalt en brengt;
- de vakanties worden in onderling overleg verdeeld;
- met de feestdagen loopt de vaste omgangsregeling door, met dien verstande dat [minderjarige] bij elke ouder een kerstdag zal doorbrengen, hij Moederdag bij de vrouw en Vaderdag bij de man zal doorbrengen en oud en nieuw in onderling overleg zal plaatsvinden;
- [minderjarige] verblijft niet alleen bij de familie van de man.
2.6.
Tussen partijen staat vast dat vanaf september 2018 de omgangsregeling in onderling overleg tussen partijen is gewijzigd in die zin dat [minderjarige] om het weekend vanaf zaterdagochtend 9.30 uur tot zondagavond na het eten bij de man verblijft. Tevens staat tussen partijen vast dat zij sinds maart 2020 zijn overeengekomen, dat [minderjarige] om het weekend vanaf vrijdag 19.00 uur tot zondagavond 18.30 uur bij de man is.
2.7.
Ten aanzien van de omgangsregeling heeft de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding van 15 maart 2021 de door partijen in maart 2020 overeengekomen omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] gewijzigd, in die zin dat de man het recht op omgang voorlopig wordt ontzegd in afwachting van de uitkomsten van de door de vrouw te initiëren bodemprocedure, dan wel in afwachting van de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek jegens de man en het uit te voeren onderzoek naar de veiligheid van [minderjarige] bij de man door de hulpverlenende instanties en aan de hand daarvan nader te treffen maatregelen.
In deze zaak:
2.8.
De rechtbank heeft op 2 april 2021 van de vrouw een verzoekschrift ontvangen, waarin zij – kort gezegd – heeft gevraagd om de man de omgang met [minderjarige] te ontzeggen. De rechtbank heeft dit verzoek in de beschikking van 6 juli 2021 toegewezen, in die zin dat de man het recht op omgang met [minderjarige] is ontzegd voor de duur van twaalf maanden, te rekenen vanaf 6 juli 2021. In dezelfde beschikking is het zelfstandige verzoek van de man, om te bepalen dat de vrouw hem over [minderjarige] informeert toegewezen. De zelfstandige verzoeken van de man met betrekking tot het gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zijn aangehouden. Bij beschikking van 2 juni 2022 heeft het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch de beschikking van 6 juli 2021 bekrachtigd.
2.9.
In de beschikking van 17 mei 2022 heeft de rechtbank de Raad verzocht om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Bestaat er, bij toewijzing van het gezag aan de ouders gezamenlijk, een onaanvaardbaar risico dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van de minderjarige te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
- Welke omgangsregeling tussen de man en de minderjarige komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
De behandeling van de verzoeken is aangehouden in afwachting van de rapportage van de Raad.
2.10.
In de rapportage van 6 januari 2023 heeft de Raad geadviseerd om de beslissing over de verzoeken pro forma aan te houden voor de duur van zes tot negen maanden, in afwachting van het verloop en het resultaat van de door de ouders in te zetten noodzakelijk geachte hulpverlening. Daarbij heeft de Raad, samengevat, het volgende aangegeven.
Er zijn zorgen over [minderjarige] . In het verleden heeft hij onveilige situaties meegemaakt, zoals huiselijk geweld tussen de ouders met schreeuwen en schelden. [minderjarige] voelt zich onveilig en komt niet toe aan zijn ontwikkeling. Hij verkeert dan ook in de overlevingsstand. Daarnaast staat het leven van [minderjarige] in het teken van vermeend seksueel misbruik. Er is onvoldoende aandacht geweest voor hoe het met [minderjarige] gaat en hoe zijn voortdurende angst voor de man kan worden weggenomen. Vanwege de onduidelijkheid over wat er tussen de man en [minderjarige] is gebeurd, heeft er sinds 2020 geen contact tussen hen plaatsgevonden. Er is specialistische hulpverlening nodig. Omdat [minderjarige] aangeeft dat hij een nare ervaring op seksueel gebied heeft opgedaan, dient er aandacht te zijn voor zijn verdere seksuele ontwikkeling. Hoewel beide ouders willen dat het goed gaat met [minderjarige] , lukt het hen niet om samen het gesprek aan te gaan vanwege de bestaande onduidelijkheid over seksueel misbruik en de angsten die de vrouw heeft in het contact met de man. Daarnaast zijn er zorgen over de belastbaarheid van de vrouw. De Raad adviseert om het verzoek over het gezag aan te houden in afwachting van het verloop van het hulpverleningstraject bij Sterk Huis. Gezamenlijk gezag is vooralsnog te risicovol. De man is niet op de hoogte van hoe het met [minderjarige] gaat en voor de vrouw is het nog niet mogelijk om met de man in gesprek te gaan. Met beide ouders moet er gekeken worden wat er nodig is om in te toekomst wel het gesprek met elkaar aan te gaan en wat de (on)mogelijkheden zijn om samen (gezags)beslissingen te nemen. Pas daarna kan de Raad een afgewogen advies geven. De Raad adviseert daarnaast om ook het verzoek over omgang aan te houden. De situatie van [minderjarige] is complex. [minderjarige] ervaart veel angsten voor de man. Er is specialistische hulpverlening nodig om contact(herstel) tussen de man en [minderjarige] te bewerkstelligen. De Raad wil voorkomen dat de rust en stabiliteit die [minderjarige] nu ervaart worden doorbroken door de spanning die het nu bepalen van een omgangsregeling op de vrouw en [minderjarige] zal leggen.
2.11
In de beschikking van 28 juni 2023 heeft de rechtbank de zaak aangehouden in afwachting van bericht van de advocaat van de vrouw over, kort gezegd, het verloop van de behandeling van [minderjarige] bij Sterk Huis. Van de advocaat van de vrouw wordt verwacht dat zij ervoor zorgdraagt dat Sterk Huis hierover een verslag maakt, dat vervolgens door de advocaat van de vrouw aan de rechtbank wordt overgelegd.
2.12.
In de beschikking van 5 februari 2024 stelt de rechtbank vast dat [minderjarige] nog bezig is met een traumabehandeling bij Sterk Huis. Sterk Huis verwacht dat voor deze behandeling drie tot vijf maanden nodig zal zijn. Daarnaast heeft Sterk Huis [minderjarige] op de wachtlijst geplaatst voor een psychodiagnostisch onderzoek om meer helderheid over zijn emotieregulatie problemen te krijgen. De rechtbank heeft de behandeling van deze zaak aangehouden in afwachting van bericht van de advocaat van de moeder en een verslag van Sterk Huis, waarin Sterk Huis zich over de traumabehandeling, het contactherstel en over het onderlinge contact tussen de ouders uitlaat.
2.13
In de beschikking van 3 september 2024 heeft de rechtbank, mede namens de ouders, aan Sterk Huis verzocht om:
  • te bevorderen dat [stichting] zowel zal worden ingeschakeld ter begeleiding van [minderjarige] en ouders in de systemische aspecten van deze zaak: wat heeft [minderjarige] nodig in (herstel van) zijn betrekkingen met zijn vader; wat hebben ouders daarin nodig ?
  • de begeleiding van [minderjarige] niet eerder af te sluiten dan nadat [stichting] de daadwerkelijke begeleiding ter hand zal kunnen nemen;
  • te bevorderen dat [stichting] waar nodig behandeling van [minderjarige] zal inzetten in verband met de uit onderzoek gebleken ASS problematiek bij [minderjarige] .
Hierbij zijn de advocaten verzocht de rechtbank te informeren zodra duidelijk zal zijn wanneer de begeleiding van [minderjarige] en ouders door [stichting] zal starten. Aan te nemen valt dat eventuele behandeling een afzonderlijk traject zal zijn. Voor zover daarin ook een relatie met het begeleidingstraject zal ontstaan, wordt de rechtbank daar graag ook over geïnformeerd.

3.De verzoeken

3.1.
Aan de orde zijn nog de (aanvullende) zelfstandige verzoeken van de man om, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man samen met de vrouw te belasten met het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] ;
II. een omgangsregeling/verdeling van zorgtaken vast te stellen, waarbij [minderjarige] bij de man verblijft :
  • in de even weken van vrijdagavond 19:00 uur tot zondagavond 19:00 uur, waarbij de vrouw [minderjarige] naar de man brengt en de man [minderjarige] weer thuis brengt bij de vrouw;
  • drie weken in de zomervakantie;
  • één week in de kerstvakantie;
  • op vaderdag;
  • om het jaar met Oud en Nieuw.
Hiernaast heeft de man nog aanvullend verzocht om de ouders te verwijzen naar een hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA) ter verbetering van de onderlinge communicatie en om te kijken hoe zij invulling kunnen gaan geven aan gezamenlijk gezag.

4.De nadere beoordeling

4.1.
Op de zitting van 18 november 2025 is de rechter met de ouders, hun advocaten en mevrouw [vertegenwoordigster van de Raad] als vertegenwoordigster van de Raad tot het volgende stappenplan gekomen. Als eerste wordt van de advocaat van de vrouw gevraagd om te laten weten of [stichting] bereid is om bij [minderjarige] de ruimte te verkennen of te vinden voor een traject van begeleide omgang tussen hem en de man. Het zal dan gaan om begeleide omgang die overdag, in de ochtend of de middag, zal plaatsvinden. Als die bereidheid er is, zal de rechtbank vervolgens mevrouw [persoon 1] benaderen met de vraag of zij bereid is om de opdracht te aanvaarden voor een begeleid omgangstraject. Is mevrouw [persoon 1] hiertoe bereid, dan zal de vrouw met haar gemeente (gemeente Altena) in contact treden met de vraag of deze gemeente bereid is om dit traject te financieren. Eventueel zou dan een verwijzing in het kader van het Uniform Hulpaanbod kunnen plaatsvinden. Mocht de gemeente hiertoe niet bereid zijn, dan zal de man de kosten voor het traject bij mevrouw [persoon 1] voor zijn rekening nemen à € 90,- per uur. Indien mevrouw [persoon 1] niet bereid of in staat is om de opdracht te aanvaarden voor een begeleid omgangstraject, zal er een telefonisch overleg plaatsvinden tussen de advocaten, mevrouw [vertegenwoordigster van de Raad] en de rechter. Alvorens tot dit telefonisch overleg wordt overgegaan zullen de advocaten van de ouders in de regio van de ouders hebben geïnformeerd naar alternatieve begeleide omgangstrajecten. Indien er tot een begeleid omgangstraject wordt overgegaan, zal de rechter de beslissing op alle verzoeken aanhouden. Indien niet tot een begeleid omgangstraject wordt overgegaan, zal de rechter zich beraden over de te nemen beslissing op de verzoeken.
4.2
De griffier heeft op verzoek van de rechter bij e-mailbericht van 20 november 2025 bovenstaand stappenplan aan de ouders en hun advocaten en mevrouw [vertegenwoordigster van de Raad] schriftelijk bevestigd. Daarbij is aangegeven dat de rechter de beslissingen op alle verzoeken zal aanhouden voor een termijn van 6 weken pro forma in afwachting van het bericht van de advocaat van de vrouw zoals hierboven weergegeven.
4.3
Bij e-mailbericht van 12 december 2025 heeft de advocaat van de vrouw het verslag van het gesprek van [minderjarige] met de begeleidster van [stichting] overgelegd. Hierin staat het volgende opgenomen:
Op 8 december 2025 is een gesprek gevoerd met [minderjarige] over het contact met zijn vader. [minderjarige] gaf duidelijk aan dat hij geen enkel contact meer wil. Hij wil niet bellen, zien of op enige manier contact hebben met zijn vader. Hij legde uit dat de dingen die zijn vader heeft gedaan hem jarenlang trauma hebben bezorgd en dat hij daardoor angst heeft ervaren. [minderjarige] gaf aan dat hij nu niet meer bang is, maar dat hij zijn vader absoluut niet meer wil zien vanwege de emotionele schade die hij heeft opgelopen.
Tijdens het gesprek werd ook besproken hoe hij tegenover de rechter heeft uitgelegd dat hij geen contact wil. [minderjarige] gaf aan dat hij duidelijk heeft gezegd dat hij nooit meer contact wil en dat hij de vader die hij nu heeft, sinds hij twee jaar oud is, als zijn enige vader beschouwt. Hij benadrukte dat hij blij is met deze situatie en geen contact wil met zijn biologische vader.
[minderjarige] erkende dat er mogelijk misverstanden bij de rechter zouden kunnen zijn ontstaan, bijvoorbeeld of er sprake was van contact over een andere persoon ( [persoon 2] of [persoon 3] ), maar hij is ervan overtuigd dat hij duidelijk is geweest over zijn eigen wensen. Hij bevestigde dat er geen contact kan of zal zijn en dat hij zijn grenzen meerdere keren heeft aangegeven.
Het gesprek werd afgesloten met de afspraak dat een verslag van dit gesprek wordt opgesteld en gedeeld met de advocaat van zijn moeder en met zijn moeder zelf, zodat iedereen op de hoogte is van zijn standpunt.
[minderjarige] blijft bij zijn duidelijke wens: volledig geen contact met zijn vader.
4.4
De griffier heeft op verzoek van de rechter bij e-mailbericht van 12 januari 2026 aangegeven dat de rechter graag met de advocaten en mevrouw [vertegenwoordigster van de Raad] een telefonisch overleg wil plannen om het een en ander te bespreken. Dit overleg zou op 3 februari 2026 plaatsvinden. Helaas is het telefonisch overleg op 3 februari 2026 niet door kunnen gaan door de late verhindering van de advocaat van de man. Hierop heeft de griffier op verzoek van de rechter bij e-mailbericht van 5 februari 2026 bericht dat de rechter voorstelt om de zaak verder schriftelijk af te doen. Daartoe zijn de ouders en hun advocaten en mevrouw [vertegenwoordigster van de Raad] de gelegenheid gegeven binnen twee weken te reageren op het verslag van het gesprek van [minderjarige] met de begeleidster van [stichting] dat de advocaat van de vrouw bij e-mailbericht van 12 december 2025 heeft ingebracht. Ook is verzocht aan te geven hoe de zaak verder moeten worden afgedaan. Op basis van de ontvangen reacties zal een (eind)beslissing worden genomen.
4.5
Namens de vrouw is bij brief van 16 februari 2026 bericht dat uit het verslag van [stichting] van 12 december 2015 volgt dat er op dit moment voor [minderjarige] geen mogelijkheden zijn voor contact. De vrouw verzoekt dit te respecteren en om geen contactregeling vast te stellen. De vrouw sluit zich ook aan bij de brief van de Raad van 16 februari 2026. De vrouw vindt het een idee van een doos vol kaarten en brieven van de man, die [minderjarige] kan maken met [stichting] of met de vrouw, als dat geadviseerd wordt door [stichting] , een goed idee. Zij zal zich hiervoor ook actief inzetten in samenspraak met [stichting] . Ook kan in de maandelijkse informatie e-mail aan de man aandacht worden besteed aan de doos, door bijvoorbeeld een foto te sturen als de doos klaar is of door updates te geven met betrekking tot het gebruik van de doos. De vrouw is van mening dat in de huidige situatie, waarin er al jaren geen sprake is van contact tussen de man en [minderjarige] en [minderjarige] dit ook niet wil en de vrouw alleen met de man communiceert via de informatie e-mail, geen goede basis is voor gezamenlijk gezag. Gezamenlijk gezag is ook niet in het belang van [minderjarige] en het klemcriteria is nog steeds van toepassing. De angst van de man dat hij zonder ouderlijk gezag geen informatie krijgt vanuit de hulpverlening, is niet terecht, aangezien [stichting] toestemming heeft om informatie met de man te delen. De vrouw kan informatie vanuit school, zoals nieuwsbrieven en rapporten, via de informatie e-mail aan de man doorgeven. Als de man nog additionele informatie wenst, dan kan hij dit bij de vrouw aangeven. De vrouw verzoekt om een eindbeschikking af te geven.
4.6
Namens de man is door zijn advocaat bij e-mailbericht van 16 februari 2026 een brief van de man aan de rechter overgelegd. Daarbij is verzocht om naar aanleiding van zijn brief naar goeddunken te beslissen. In deze brief heeft de man, onder andere, het volgende aangegeven.
Wat vijf jaar geleden begon als een conflict over een (te) lange vakantie, is geëscaleerd naar valse beschuldigingen van seksueel misbruik van [minderjarige] , meerdere rechtszaken en betrokken instanties die lange tijd geen duidelijke beslissingen hebben genomen. Deze situatie heeft [minderjarige] ernstig beschadigd. In mei 2024 kreeg de man eindelijk hoop toen de rechter besloot dat therapie noodzakelijk was om omgang mogelijk te maken. Helaas is deze beslissing door de vrouw nooit opgevolgd. Hierdoor heeft op 18 november 2025 opnieuw een rechtszaak plaatsgevonden. Hieraan voorafgaand heeft [minderjarige] , zoals op de zitting bleek, tegenover de rechter aangegeven dat hij niet bij mij wilde komen omdat hij zijn broertje en zusje wilde beschermen tegen ruzies tussen de vrouw en zijn stiefvader. Slechts drie weken later wordt echter gesteld dat [minderjarige] verkeerd zou zijn begrepen en dat hij de man bedoelde in plaats van de stiefvader. Dit vindt de man zeer opmerkelijk, aangezien de rechter tijdens de zitting expliciet aangaf dat er geen sprake kon zijn van verwarring tussen de man en de stiefvader, omdat de rechter dit specifiek aan [minderjarige] heeft nagevraagd. Na het lezen van de de brief van [stichting] was bij de man sprake van groot verdriet, gevolgd door ongeloof. Hij vroeg zich af of de brief wel authentiek of gecensureerd kon zijn. Vervolgens rees de vraag hoe het mogelijk is dat [minderjarige] in zo’n korte tijd zo sterk van mening is veranderd. Is hij onder druk gezet of angst aangepraat? Na verloop van tijd realiseerde de man zich dat de brief is opgesteld door [minderjarige] begeleider. Deze begeleider ondersteunt [minderjarige] in het kader van zijn autismespectrumstoornis, maar is geen psycholoog die gespecialiseerd is in ouderverstoting. De man wil de rechter daarom verzoeken om zijn eigen gesprek met [minderjarige] zwaarder te laten wegen dan de interpretatie in de brief van zijn huidige begeleider. De afgelopen jaren heeft [minderjarige] veel gemist binnen de familie aan de man. Het zou bijzonder verdrietig zijn als hij dit alles blijft missen door een conflict dat is ontstaan naar aanleiding van een (te) lange vakantie. De man begrijpt dat dit een moeilijke beslissing is. Enerzijds dient er gekeken te worden naar wat [minderjarige] zelf wil, anderzijds naar wat op korte en langere termijn in zijn belang is. De man wil daarom verzoeken om een beslissing te nemen die niet alleen is gericht op de korte termijn, maar juist ook op het welzijn van [minderjarige] op de langere termijn. De man zelf zou graag zien dat begeleide omgang wordt opgestart via een organisatie die gespecialiseerd is in ouderverstoting, met een duur van zes tot twaalf maanden. Tijdens en na deze periode kan de omgang zorgvuldig worden geëvalueerd en, als blijkt dat omgang niet mogelijk is, alsnog worden beëindigd, hoe pijnlijk dat ook zal zijn. De man zal de laatste zijn die dan zal aandringen op voortzetting. Wat de man echter zeer pijnlijk zou vinden, is als [minderjarige] nu deze kans niet krijgt en over vier, zes of acht jaar moet constateren wat hij allemaal heeft gemist.
4.7
Mevrouw [vertegenwoordigster van de Raad] heeft namens de Raad bij brief van 16 februari 2026 bericht dat de Raad kennis heeft genomen van de inhoud van het gesprek dat [stichting] na de zitting van 18 november 2025 met [minderjarige] heeft gevoerd. Uit dit verslag blijkt dat [minderjarige] een deur heeft dichtgedaan en er bij hem geen enkele ruimte is voor welke vorm van contact dan ook. De Raad heeft de indruk dat welke pogingen dan ook worden ondernomen de afstand alleen maar groter wordt. [minderjarige] geeft al langdurig zijn grenzen aan. Als daar niet naar wordt geluisterd, ontstaat er nog meer boosheid en verzet die de afstand voedt. Tegelijk realiseert de Raad zich wat dat voor de man betekent. Dat is heel pijnlijk en verdrietig. Kijkend naar wat er wel mogelijk is binnen alle onmogelijkheden, adviseert de Raad wel dat de man kaarten blijft sturen of iets dergelijks. Aan de vrouw stelt de Raad voor om een speciale doos te creëren waarin alles wat de man stuurt kan worden gedaan. Op deze wijze hoeft [minderjarige] niets, maar mag hij wel indien gewenst en als er bijvoorbeeld toch nieuwsgierigheid ontstaat. Op deze wijze kan de man toch zijn betrokkenheid en interesse laten zien en heeft [minderjarige] een keus. Hij hoeft niets te lezen/niets te openen maar het kan wel. De Raad is wel van mening dat [minderjarige] hiervan op de hoogte dient te worden gesteld. De hulpverlening vanuit [stichting] kan hierin ondersteunend zijn. [minderjarige] kan zelf helpen met het maken van de doos als hij dit wil. De Raad adviseert dan ook om geen omgang op te leggen. Hieraan kan geen termijn worden gesteld. De Raad hoopt dat er met rust op termijn wel een ingang ontstaat.
Gezag en UHA
4.8
In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen zijn ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.
4.9
De rechtbank stelt op basis van de stukken en de mondelinge behandelingen op de zitting vast dat er sinds 2020 geen sprake is van contact tussen de man en [minderjarige] . Hierdoor heeft de man geen zicht op de wensen en behoeften van [minderjarige] en welke beslissingen over hem in zijn belang moeten worden geacht. Daarnaast is er al jaren nauwelijk contact tussen de man en de vrouw. Tussen hen is sprake van een belaste geschiedenis, waardoor het voor de vrouw lange tijd niet mogelijk is geweest om met de man het gesprek aan te gaan. Om hierin verandering te brengen werd hulpverlening noodzakelijk geacht. Deze hulpverlening is echter niet van de grond gekomen; de hulpverlening heeft zich in de afgelopen periode met name gericht op [minderjarige] en zijn (kind eigen) problematiek en niet op de verbetering van de oudercommunicatie. De contacten die er nog tussen de ouders zijn, bestaan hoofdzakelijk uit e-mailberichten van de vrouw aan de man met informatie over [minderjarige] .
Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het zelfstandig verzoek van de man om hem mede met het gezag over [minderjarige] te belasten moet worden afgewezen omdat dit, om een andere reden dan de vrees dat [minderjarige] klem zou komen te zitten tussen zijn ouders, in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. De beschreven omstandigheden laten zien dat het niet te doen is om hier beide ouders met het gezag te belasten. De rechtbank zal dit zelfstandig verzoek van de man dan ook afwijzen. Dit geldt ook voor het zelfstandig verzoek van de man om partijen te verwijzen naar een hulpverleningstraject in het kader van het UHA ter verbetering van de onderlinge communicatie. De rechtbank heeft er geen vertrouwen in dat dit hulpverleningstraject (nog) kans van slagen zal hebben, mede gelet op de lange duur dat deze procedure al heeft geduurd. Daarbij is niet gebleken dat de vrouw inmiddels bereid en in staat is om dit hulpverleningstraject met de man aan te gaan.
Omgang
4.1
In artikel 1:377a BW staat dat een ouder zonder gezag over het kind, recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van één ouder of op verzoek van de ouders samen een omgangsregeling vaststellen.
4.11
De rechtbank stelt op basis van de stukken, in het bijzonder de verslagen van [stichting] van de gesprekken met [minderjarige] op 17 november 2025 en 8 december 2025, de mondelinge behandelingen op de zitting en ook met inachtname van het gesprek dat de rechter met [minderjarige] heeft gehad vast, dat er bij [minderjarige] op dit moment geen enkele ruimte is voor contact met de man. De rechtbank ziet er op dit moment geen heil in om (met een hulpverleningstraject) nog in te zetten op contactherstel tussen de man en [minderjarige] . Dit zal de weerstand van [minderjarige] tegen de man alleen maar doen toenemen. Daarnaast zal dit behoorlijk wat spanningen en stress bij [minderjarige] teweeg brengen, hetgeen zijn ontwikkeling niet ten goede zal komen. Voor [minderjarige] is het van belang dat hij zich momenteel kan focussen op het hulpverleningstraject voor de bij hem aanwezige (kind eigen) problematiek; dat hij leert om hiermee om te gaan en weerbaarder te worden.
De rechtbank zal het verzoek van de man om een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] vast te leggen dan ook afwijzen.
4.12
Ten aanzien van het gesprek tussen [minderjarige] en de rechter wenst de rechtbank nog op te merken dat [minderjarige] tegenover de rechter heeft aangegeven dat hij niet bij de man wilde komen omdat hij zijn broertje en zusje wilde beschermen tegen ruzies tussen de vrouw en zijn stiefvader. Mogelijk vindt dit zijn oorsprong in de ruzies tussen zijn ouders, waarvan [minderjarige] in het verleden getuige is geweest en wil hij daarom ruzies tussen zijn moeder en zijn stiefvader voorkomen. Hier ligt wel een taak voor de [stichting] : het verleden hoeft zich in het heden niet te herhalen als er contact tussen de man en [minderjarige] zou zijn. Dat kan de [stichting] voor [minderjarige] wellicht zichtbaar maken.
4.13
De rechtbank realiseert zich dat deze beslissing moeilijk en verdrietig voor de man zal zijn, zeker nadat hij jarenlang heeft geprocedeerd om tot gezamenlijk gezag en contactherstel met [minderjarige] te komen. De rechtbank hoopt dat beide ouders het voorstel van de Raad overnemen om (in samenspraak van [stichting] ) een doos te maken met kaarten, brieven en kadootjes van de man aan [minderjarige] . Dan kan de man zijn betrokkenheid bij [minderjarige] blijven tonen en [minderjarige] , als hij er aan toe is, de man weer een plek in zijn leven geven. De rechtbank stelt het op prijs dat de vrouw bereid is om hieraan haar medewerking te verlenen. Daarnaast gaat de rechtbank er vanuit dat de vrouw de man blijft informeren over [minderjarige] en hem waar mogelijk informatie zal geven over school, zijn hulpverleningstraject en hoe het voor het overige met [minderjarige] gaat. Dit zal er voor zorgen dat de man, mocht er in de toekomst bij [minderjarige] ruimte zijn om het contact met de man aan te gaan, beter bij [minderjarige] kan aansluiten.
4.13
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
wijst de verzoeken af;
5.2
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is door mr. Van Leuven, rechter, gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026 bijgestaan door de griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.