ECLI:NL:RBZWB:2026:4191

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
17 mei 2026
Zaaknummer
C/02/443867 / FA RK 26-159
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Hopmans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 824 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot uitsluitend gebruik woning en toevertrouwing kinderen tijdens echtscheidingsprocedure

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 16 april 2026 een verzoek tot voorlopige voorzieningen in een echtscheidingsprocedure tussen een vrouw en een man, beiden van Poolse nationaliteit. De vrouw verzocht om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, toevertrouwing van de minderjarige kinderen aan haar en een bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding. De man voerde verweer en verzocht onder meer om afwijzing van de verzoeken en stelde voor een co-ouderschapsregeling.

Tijdens de procedure werd gebruik gemaakt van piketmediation, die niet tot overeenstemming leidde. De vrouw stelde dat de man een alcoholverslaving heeft en dat er spanningen zijn die de gezamenlijke bewoning onhoudbaar maken. De man ontkende dit en gaf aan de woning te willen overnemen. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde de huidige situatie voorlopig te handhaven en verwees naar betrokken hulpverlening.

De rechtbank oordeelde dat onvoldoende was komen vast te staan dat de spanningen zodanig zijn dat gezamenlijke bewoning niet langer kan. Er waren geen recente incidenten en partijen leven gescheiden binnen de woning. Ook het kindgesprek gaf geen aanleiding tot wijziging. Gezien het ontbreken van alternatieve woonruimte en de betrokken hulpverlening, wees de rechtbank het verzoek tot uitsluitend gebruik van de woning af en handhaafde de huidige situatie. De overige verzoeken werden eveneens afgewezen. Tegen deze beschikking is geen hoger beroep mogelijk, alleen cassatie in het belang der wet.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot uitsluitend gebruik van de woning en toevertrouwing van de kinderen af en handhaaft de huidige situatie voorlopig.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/443867 / FA RK 26-159
beschikking d.d. 16 april 2026 betreffende vaststelling voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M. Czarnota te Oosterhout,
en
[de man],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. E. Kocabas-Güler te Zoetermeer.
Ouders van de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2017;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2019.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechter over de verzoeken te adviseren
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 12 januari 2026 ontvangen verzoekschrift tot voorlopige voorzieningen, met bijlagen;
- het F-formulier d.d. 23 februari 2026 van mr. Czarnota, met bijlagen;
- het op 25 februari 2026 ontvangen verweerschrift op het verzoekschrift voorlopige voorzieningen, tevens houdende voorwaardelijke zelfstandig verzoeken, met bijlagen.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 3 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten en een tolk in de Poolse taal. Verder was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad. Tijdens de mondelinge behandeling was met toestemming van alle aanwezigen ook aanwezig de heer [mediator] , mediator, in verband met de pilot “piketmediator op zitting” bij deze rechtbank.
1.3. De zaak is na de mondelinge behandeling voor een korte periode aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen deel te nemen aan mediation in het kader van de hiervoor in 1.2 vermelde pilot.
1.4. Na de mondelinge behandeling zijn nog de volgende stukken ingekomen:
- het F-formulier van mr. Czarnota d.d. 31 maart 2026;
- het F-formulier van mr. Kocabas-Güler d.d. 31 maart 2026.
1.5. Voornoemde [minderjarige 1] is gelet op zijn leeftijd in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek, en heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt op 26 februari 2026.

2.De verzoeken

2.1.
De vrouw verzoekt bij beschikking, voor de duur van de echtscheidingsprocedure, bij beschikking, met ingang van de datum van afgifte van de beschikking:
I. Te bepalen dat de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, gelegen aan [adres] met bevel aan de man deze te verlaten en deze niet meer te betreden;
II. De kinderen van partijen toe te vertrouwen aan de vrouw;
III. De man te veroordelen een bijdrage te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen met een bedrag van € 283,= per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw, met ingang van de datum van indiening van dit verzoekschrift althans met ingang van een datum als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.
2.2.
De man voert verweer en verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. De vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de verzoeken van de vrouw af te wijzen;
Bij wijze van voorwaardelijk zelfstandig verzoeken:
I. Te bepalen dat de man bij uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het gebruik van de
echtelijke woning aan [adres] ;
II. Te bepalen dat partijen uitvoering zullen geven aan een co-ouderschapsregeling, waarbij de minderjarigen bij de man zullen verblijven van maandag uit school/BSO tot de opvolgende maandagochtend naar school/BSO;
III. Althans een zodanige regeling te treffen als de rechtbank in goede justitie juist acht.
2.3.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.

3.De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht;
3.1.
Omdat partijen de Poolse nationaliteit bezitten heeft de zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten. De rechtbank heeft die ambtshalve beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat haar rechtsmacht toekomt en dat zij naar Nederlands recht dient te beslissen op de verzoeken.
Inhoudelijke beoordeling;
3.2.
Partijen hebben na de mondelinge behandeling van 3 maart 2026 gebruik gemaakt van de mogelijkheid van piketmediation door de heer [mediator] . De zaak is aangehouden in afwachting van de uitkomst van deze mediation. Uit de nadien op 31 maart 2026 ingekomen berichten van beide advocaten volgt dat de piketmediation niet tot overeenstemming tussen partijen heeft geleid, zodat de rechtbank thans dient te beslissen op de voorliggende verzoeken.
3.3.
De vrouw legt aan haar verzoek tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, in samenhang met het verzoek tot de toevertrouwing van de minderjarigen, het volgende ten grondslag. Partijen wonen thans nog in de voormalig echtelijke woning. De man heeft een alcoholverslaving met een agressieve dronk. Het gehele gezin gaat al jarenlang gebukt onder de spanningen die de man daarmee veroorzaakt. De man heeft altijd drank in de auto en drinkt dagelijks te veel. De oplopende spanningen hebben ervoor gezorgd dat er 7 januari 2026 politie interventie nodig was omdat de situatie deze keer echt uit de hand liep. De situatie is niet langer houdbaar. De vrouw meent dan ook dat het in het belang van de kinderen is dat de man zo spoedig mogelijk de woning dient te verlaten en dat de kinderen worden toevertrouwd aan de vrouw. In dat geval verzoekt de vrouw voorts om een door de man aan haar te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van € 283,= per kind per maand.
3.4.
De man voert verweer en verzoekt de vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de verzoeken van de vrouw af te wijzen. De man stelt samengevat dat sinds de vrouw drie maanden geleden heeft kenbaar gemaakt te willen scheiden er spanningen zijn ontstaan. Volgens de man is de situatie zeker niet ideaal, maar evenmin zodanig dat van partijen niet langer kan worden gevergd samen in de echtelijke woning te blijven wonen. Ten aanzien van de woning stelt de man verder dat hij de (koop)woning wenst over te nemen en dat hij de lasten voldoet. Van hem kan niet van hem worden gevergd dat hij de woning verlaat en de lasten blijft voldoen terwijl hij ook de lasten van vervangende woonruimte moet dragen. De man verzoekt voorwaardelijk -als partijen niet samen in de woning kunnen blijven wonen- de toevertrouwing van de minderjarigen alsmede het uitsluitend gebruik van de woning. Verder verzoekt de man – eveneens voorwaardelijk - te bepalen dat partijen uitvoering zullen geven aan een co-ouderschapsregeling, waarbij de minderjarigen bij de man zullen verblijven van maandag uit school/BSO tot de opvolgende maandagochtend naar school/BSO. Ten aanzien van de door de vrouw verzochte kinderbijdrage stelt de man dat na aftrek van de zorgkorting de door hem te betalen bijdrage kan worden bepaald op € 123,00 per kind per maand.
3.5.
De Raad heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de verantwoordelijkheid bij ouders ligt om het op een goede manier voor de kinderen op te lossen. Ouders willen uit elkaar en dit lukt niet om praktische redenen. Daar mogen de kinderen geen last van hebben. De Raad ziet op dit moment geen andere oplossing dan de huidige situatie voorlopig zo te laten waarbij partijen met hulp van [hulpverlening] – welke instantie inmiddels bij partijen betrokken is – duidelijke afspraken dienen te maken.
Uitsluitend gebruik woning
3.6.
De rechtbank overweegt als volgt.
3.7.
Een voorlopige voorziening tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning is bedoeld als ordemaatregel voor de duur van de echtscheidingsprocedure. De vraag wie uiteindelijk in de woning mag blijven wonen, zal in de bodemzaak moeten worden beantwoord. Een daartoe strekkend verzoek kan worden toegewezen als er tussen partijen zodanige spanningen bestaan, dat de gezamenlijke bewoning -mede in het belang van de minderjarigen- niet behoort voort te duren.
3.8.
Het is voor de rechtbank duidelijk dat er spanningen tussen partijen zijn, partijen gaan immers uit elkaar en zijn verwikkeld in een echtscheidingsprocedure. De rechtbank is evenwel van oordeel dat onvoldoende is vast komen te staan dat sprake is van zodanige spanningen dat de gezamenlijke bewoning niet langer behoort voort te duren. Hetgeen partijen in dit verband hebben aangevoerd omtrent het gestelde alcoholmisbruik van de man en de door de vrouw genoemde incidenten staat lijnrecht tegenover elkaar. Daarbij geldt dat, in het kader van de onderhavige procedure, geen plaats is voor bewijslevering en derhalve niet kan worden vastgesteld wat waar is of niet. Wat daar verder ook van zij, de vrouw heeft tijdens de zitting erkend dat de man inmiddels niet (meer) drinkt thuis. Vast staat voorts dat er zich na het incident op 7 januari 2026 geen verdere incidenten hebben voorgedaan. Beide partijen hebben verklaard volledig langs elkaar heen te leven; beide partijen eten en slapen apart. Veder is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebleken dat partijen in staat zijn om de minderjarigen buiten de strijd te houden. Ook uit het kindgesprek met de [minderjarige 1] volgt onvoldoende dat sprake is van een zodanige situatie dat de gezamenlijke bewoning -in het belang van de minderjarigen- niet langer behoort voort te duren. De rechtbank overweegt verder dat beide partijen onweersproken hebben gesteld geen alternatieve woonruimte beschikbaar te hebben. Hoewel derhalve moet worden geoordeeld dat de onderhavige situatie verre van ideaal is, is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende gronden zijn om het verzoek van de vrouw tot het uitsluitend gebruik van de woning toe te wijzen. Van partijen kan worden verwacht dat zij voorlopig voor de duur van de echtscheidingsprocedure onder één dak blijven wonen. De rechtbank zal dit verzoek dan ook afwijzen.
3.9.
Bij dit oordeel neemt de rechtbank aanvullend nog in aanmerking dat tijdens de zitting is gebleken dat [hulpverlening] inmiddels is betrokken bij het gezin. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat van ouders mag worden verwacht dat zij met hulp van [hulpverlening] duidelijke afspraken gaan maken met betrekking tot de beëindiging van hun relatie, waarbij -in ieder geval- aandacht zal moeten zijn voor de minderjarigen. Door ouders is ter zitting toegezegd dat zij zich hiervoor zullen inzetten. De rechtbank gaat ervan uit dat beide partijen hun toezeggingen -in het belang van de kinderen- zullen nakomen en hierin hun verantwoordelijkheid als ouders nemen.
Toevertrouwing, zorgregeling en alimentatie
3.10.
Omdat het verzoek van de vrouw voor het uitsluitend gebruik van de woning wordt afgewezen, dienen ook de overige verzoeken van de vrouw te worden afgewezen. Aan de voorwaardelijke verzoeken van de man komt de rechtbank niet toe.
Tot slot;
3.11.
Tegen deze beslissing staat, nu het voorlopige voorzieningen betreft, geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 824 lid 1 Rv Pro kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft.

4.De beslissing

De rechtbank:
wijst de verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026, in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!