ECLI:NL:RBZWB:2026:4066

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
26/2291 WET B VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake leerplichtambtenaar

Verzoekster heeft een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen naar aanleiding van een brief van de leerplichtambtenaar waarin sprake zou zijn van een 'absoluut verzuim' en de aankondiging van het opmaken van een proces-verbaal.

De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb besloten geen zitting te houden en heeft verzoekster verzocht het spoedeisend belang nader toe te lichten en een kopie van de brief te overleggen. Tevens is gevraagd om de gevolgen van handhaving tijdens de beroepsprocedure en de onomkeerbaarheid daarvan toe te lichten.

Verzoekster heeft niet gereageerd op dit verzoek om nadere toelichting. Hierdoor ontbrak een onderbouwd spoedeisend belang, hetgeen essentieel is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft daarom het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een toegelicht spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2291 WET B VV

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg(college), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster inzake een brief van de leerplichtambtenaar.
1.1.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
2.2.
Verzoekster heeft in haar verzoekschrift van 17 april 2026 aangegeven dat het college bij brief van 14 april 2026 heeft gesteld dat sprake zou zijn van een “absoluut verzuim” en zou hebben aangekondigd een proces-verbaal op te maken.
2.3.
De griffier heeft verzoekster bij brief van 22 april 2026 gevraagd om het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening nader toe te lichten. Daarbij is verzoekster gevraagd om een kopie van de brief van 14 april 2026 toe te sturen. Voorts heeft de griffier verzoekster verzocht om aan te geven wat de gevolgen zouden zijn als het college tijdens de beroepsprocedure overgaat tot handhaving en waarom deze gevolgen onomkeerbaar zouden zijn. Verzoekster is erop gewezen dat haar verzoek kan worden afgewezen als zij niet binnen zeven dagen nadien schriftelijk heeft gereageerd.
2.4.
De voorzieningenrechter constateert dat geen reactie van verzoekster is ontvangen op de brief van 22 april 2026. Nu verzoekster heeft nagelaten toe te lichten wat haar spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is, zal de voorzieningenrechter haar verzoek om voorlopige voorziening afwijzen.

Conclusie en gevolgen

3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 13 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.