ECLI:NL:RBZWB:2026:4049

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
12082846/vv expl 26-15
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Van Sprundel-Jansen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:119 BWArt. 7:408 BWArt. 7:413 BWArt. 7:402 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Apotheker vordert loonbetaling na onrechtmatige opzegging overeenkomst van opdracht

Eiser, een apotheker werkzaam op basis van een overeenkomst van opdracht, vordert wedertewerkstelling en betaling van loon nadat de apotheek de overeenkomst heeft opgezegd. De apotheek stelt dat de overeenkomst rechtsgeldig is beëindigd vanwege strengere regelgeving omtrent ZZP’ers en schijnzelfstandigheid.

De kantonrechter neemt aan dat sprake is van een overeenkomst van opdracht en oordeelt dat de opzegging niet rechtsgeldig was omdat partijen tussentijdse opzegging bewust hebben beperkt en de apotheek geen gewichtige reden had voor onmiddellijke opzegging. De vordering tot wedertewerkstelling wordt afgewezen omdat de apotheek inmiddels een andere apotheker in dienst heeft en slechts één gevestigd apotheker kan hebben.

De kantonrechter veroordeelt de apotheek tot betaling van het achterstallig loon over januari 2026 en de doorbetaling tot het einde van de overeenkomst, exclusief kilometervergoeding. De proceskosten worden aan de apotheek opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De opzegging van de overeenkomst van opdracht was onrechtmatig, waardoor de apotheek loon moet betalen tot het einde van de overeenkomst, maar wedertewerkstelling wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 12082846 \ VV EXPL 26-15
Vonnis in kort geding van 19 maart 2026
in de zaak van
[werknemer],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. W.H.F.L. Rademakers,
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de apotheek,
gemachtigde: mr. J.C.E. Savelsbergh.

1.De zaak in het kort

1.1.
[werknemer] is op basis van een overeenkomst van opdracht werkzaam als beherend apotheker bij gedaagde. De apotheek heeft de overeenkomst opgezegd. Volgens [werknemer] is deze opzegging in strijd met de gemaakte afspraken. Zij vraagt wedertewerkstelling en doorbetaling van het overeengekomen loon. De apotheek vindt dat de overeenkomst rechtsgeldig is geëindigd zodat alle vorderingen moeten worden afgewezen.
1.2.
De kantonrechter wijst de vorderingen van [werknemer] (grotendeels) toe. Dit wordt hierna onder het kopje ‘de beoordeling’ nader toegelicht. Daarvoor worden het verloop van de procedure, de feiten en het geschil geschetst. Tot slot volgt de beslissing.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
 de dagvaarding met producties 1 tot en met 11,
 de nagezonden productie 12 van [werknemer] ,
 producties 1 tot en met 5 van de apotheek,
 de conclusie van antwoord van de apotheek, die tijdens de mondelinge behandeling is overhandigd en voorgelezen,
 de mondelinge behandeling van 26 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
 het e-mailbericht van mr. Rademakers van 6 maart 2026, waarin hij de kantonrechter bericht dat partijen geen minnelijke regeling hebben weten te treffen en om een vonnis vraagt.

3.De feiten

3.1.
De apotheek is een serviceapotheek gevestigd in [plaats 2] . De apotheek maakt onderdeel uit van de Napohoed groep, een groep van apotheken. De apotheek houdt zich bezig met het verstrekken van medicijnen en voorlichting over deze medicijnen aan haar patiënten. Zij moet voldoen aan het vereiste dat binnen de apotheek een gevestigd apotheker werkzaam is.
3.2.
[werknemer] is een ervaren, BIG geregistreerde apotheker.
3.3.
[werknemer] is per 1 juni 2024 op basis van overeenkomst van opdracht voor de duur van drie maanden werkzaamheden gaan verrichten voor de apotheek. De mogelijkheid van opzegging van de overeenkomst is geregeld in artikel 5:
“1. De overeenkomst eindigt:
  • Door het verstrijken van de overeengekomen duur.
  • Tussentijdse opzegging door beide partijen is mogelijk, daarbij rekening houdend met een opzegtermijn van 1 maand. Tussentijdse opzegging dient schriftelijk uiterlijk voor het einde van de maand te geschieden.
  • (…)
  • Door opzegging van één der partijen met onmiddellijke ingang, op grond van een gewichtige reden. Onder een gewichtige reden dient (naast het geval als bepaald in artikel 7:402 B.W.) mede te worden verstaan reden die zodanig gewichtig is, dat van de opstijgende partij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid instandhouding van de overeenkomst niet verlangd kan worden. (…)”
In de overeenkomst is bepaald dat partijen na de einddatum opnieuw zouden bekijken in hoeverre behoefte bestaat aan de inzet van opdrachtnemer, bij voorkeur in loondienst in plaats van als ZZP’er.
3.4.
Op 21 augustus 2024 hebben de heer [naam 1] , financieel directeur (hierna: ‘ [naam 1] ’) en [werknemer] gesproken over de voortzetting van de samenwerking vanaf 1 september 2024. De apotheek heeft drie opties voor voortzetting van de samenwerking voorgelegd, samengevat inhoudende:
een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op basis van minimaal 32 uur per week, met toepasselijkheid van de cao,
een kortlopende overeenkomst van opdracht zonder minimale looptijd tegen een uurtarief van € 85,00, met een opzeggingsmogelijkheid tegen het einde van de maand met een opzegtermijn van twee maanden, waarbij de apotheek actief zou blijven zoeken naar een apotheker in loondienst,
een langlopende overeenkomst van opdracht met een looptijd van minimaal twee jaar voor minimaal 32 uur per week tegen een uurtarief van € 80,00, waarna de overeenkomst zou worden voortgezet voor onbepaalde tijd met een opzegtermijn van twee maanden en waarbij de apotheek gedurende de overeenkomst niet meer op zoek zou gaan naar een andere apotheker.
3.5.
[werknemer] heeft per e-mail van 22 augustus 2024 aangegeven dat haar voorkeur uitgaat naar samenwerking op basis van een ZZP- constructie:
“Ik zou daarom graag optie 3 willen voortzetten, maar dan met een uurtarief van € 85,-. Dit lijkt me een faire beloning voor mijn inzet en ervaring, en geeft me ook de stabiliteit waar ik naar op zoek ben.
Optie 2 sluit minder aan bij mijn wensen, aangezien ik echt voor de lange termijn wil blijven. Daarom zie ik optie 3 als de beste keuze, mits we het eens kunnen worden over het uurtarief.”
3.6.
De apotheek heeft op 27 augustus 2024 een tegenvoorstel gedaan:
“Ik wil dan ook als finaal voorstel een langlopende overeenkomst voor de duur van minimaal twee jaar sluiten voor een uurtarief van € 82,50. Als tegemoetkoming zou ik dan willen afspreken dat per 1 januari 2026 de CPI-index op het uurtarief mag worden doorgevoerd (…).”[werknemer] heeft hiermee ingestemd.
3.7.
De apotheek heeft [werknemer] een overeenkomst van opdracht toegezonden. Naar aanleiding daarvan heeft [werknemer] op 18 september 2024 een vraag gesteld over de bepaling met betrekking tot opzegging:
“In het contract wordt vermeld dat tussentijdse opzegging door beide partijen mogelijk is met een opzegtermijn van 3 maanden. Aangezien ik uitging van een vaste looptijd van 2 jaar, zou ik graag willen begrijpen in hoeverre deze opzegmogelijkheid van toepassing is tijdens de looptijd. Kun je hier wat meer context over geven?”
3.8.
[naam 1] heeft [werknemer] de volgende dag laten weten het contract te hebben aangepast naar haar opmerkingen.
3.9.
In artikel 3 van Pro de overeenkomst van opdracht is bepaald dat de opdracht aanvangt op 1 september 2024 en wordt aangegaan tot en met 31 december 2026.
3.10.
Opzegging van de overeenkomst is geregeld in artikel 5:
“1. De overeenkomst eindigt:
  • Door het verstrijken van de overeengekomen duur.
  • (…)
  • Door opzegging van één der partijen met onmiddellijke ingang, op grond van een gewichtige reden. Onder een gewichtige reden dient (naast het geval als bepaald in artikel 7:402 B.W.) mede te worden verstaan reden die zodanig gewichtig is, dat van de opstijgende partij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid instandhouding van de overeenkomst niet verlangd kan worden. (…)”
3.11.
[naam 1] heeft [werknemer] op 2 september 2025 per e-mail als volgt bericht:
“Gezien de strengere regelgeving rondom de inhuur van ZZP’ers en een mogelijk fictief loondienstverband waarvoor de werkgever/inhuurde aansprakelijk is, hebben we binnen onze hele organisatie besloten om de inhuur van ZZP’ers vanaf 1 januari 2026 te beëindigen. Volgens de website van de overheid (…) is er bij de langdurige inhuur van apothekers sprake van schijnzelfstandigheid en dat is in combinatie met de risico’s en boetes die hieraan verbonden zijn voor onze organisatie reden om te stoppen met de inhuur van ZZP’ers. Met name het feit dat de overheid het gedogen gaat omzetten naar handhaving speelt hierbij een belangrijke rol.
Graag zou ik met jou om tafel gaan om te kijken of er een andere manier is waarop we onze samenwerking kunnen voortzetten. Onze insteek hierbij is of we samen kunnen kijken naar een loondienst van voor de werkzaamheden die nu als ZZP’er worden uitgevoerd. (…)”
3.12.
Partijen hebben vervolgens overleg gehad over hun samenwerking. De apotheek heeft [werknemer] op 22 oktober 2025 een pro forma loonstrook toegestuurd, waaruit bleek dat het bruto maandloon op basis van een arbeidsovereenkomst € 8.199,40 zou bedragen. Per e-mail van 29 oktober 2025 heeft [werknemer] aan [naam 1] laten weten dat zij per 1 januari 2026 wil overstappen van haar huidige ZZP-constructie naar een dienstverband in loondienst, en dat zij graag in gesprek gaat over de voorwaarden en de verdere invulling van het dienstverband.
3.13.
Dit vervolggesprek heeft plaatsgevonden op 13 november 2025. De dag erna heeft [werknemer] per e-mail verzocht om de bevestiging dat partijen tijdens die bespreking tot een akkoord zijn gekomen over een langdurige (onbepaalde) samenwerking als beherend apotheker voor de apotheek in [plaats 2] . [naam 1] reageert per e-mail van 24 november 2025:
“Mijns inziens heb ik afgesproken dat ik eerst met [naam 2] samen de gesprekken met twee nieuwe kandidaten afrond, alvorens een definitieve keuze te maken. (…) Gezien de ervaring die we met elkaar hebben over de afgelopen periode ga ik ervan uit dat we vanaf 1 januari 2026 in loondienst met elkaar verder gaan, dat heb ik volgens mij het gesprek ook op deze manier aangegeven.
Overigens ben ik niet degene die een rechtsgeldig besluit kan nemen, dat kan alleen [naam 2] doen. Hij zal natuurlijk wel mijn advies mee laten wegen in zijn afweging.”
3.14.
[werknemer] heeft vervolgens per e-mail van 25 november 2025 om duidelijkheid gevraagd over de afspraken en haar positie binnen de apotheek. Zij vraagt onder andere hoe het kan dat er wordt overwogen om niet met haar door te gaan, terwijl hun overeenkomst geldig is tot en met 31 december 2026. [naam 1] heeft zijn beleving van zaken geschetst in een e-mail van dezelfde dag, en aangegeven dat de e-mail van [werknemer] helaas een averechts effect heeft op de communicatie en zakelijke relatie die partijen tot dat moment hebben gehad.
3.15.
[werknemer] heeft vanaf 1 januari 2026 geen werkzaamheden meer verricht voor de apotheek. Daarnaast heeft zij – na diverse malen aandringen door de apotheek – meegewerkt aan uitschrijving als gevestigd apotheker van de apotheek.
3.16.
De apotheek heeft inmiddels een werknemer in loondienst die is ingeschreven als gevestigd apotheker.
3.17. (
De advocaten van) partijen hebben geprobeerd om onderling tot een oplossing te komen, maar dat is niet gelukt.

4.Het geschil

4.1.
[werknemer] vordert – samengevat – dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis:
primair:
I. de apotheek veroordeelt om [werknemer] op grond van de overeenkomst van opdracht weer toe te laten tot het werk, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 150.000,00,
II. de apotheek veroordeelt tot betaling van het achterstallig loon aan [werknemer] op grond van de overeenkomst van opdracht over de maand januari 2026 van € 15.042,24 inclusief btw, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2026,
III. de apotheek veroordeelt om vanaf februari 2026 tot en met 31 december 2026 tijdig en correct aan haar betalingsverplichtingen te voldoen, uitgaande van een werkweek van 32 uur tegen een uurloon van € 85,00 exclusief btw, en een kilometervergoeding van € 0,23 per gereden zakelijke kilometer,
subsidiair:
IV. de apotheek veroordeelt om [werknemer] op grond van de arbeidsovereenkomst tussen partijen weer toe te laten tot het werk, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 150.000,00,
V. de apotheek veroordeelt tot betaling van het achterstallig loon aan [werknemer] op grond van de arbeidsovereenkomst over januari 2026 van € 8.199,40 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente over het loon en de verhoging,
VI. de apotheek veroordeelt tot betaling van het loon van € 8.199,40 bruto per maand over de maanden februari 2026 en volgende, en een kilometervergoeding van € 0,23 per gereden zakelijke kilometer, tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd,
in alle gevallen:
VII. de apotheek veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.2.
De apotheek voert verweer. De apotheek vindt dat de vorderingen van [werknemer] moeten worden afgewezen, met veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure.
4.3.
De kantonrechter gaat hierna bij de beoordeling in op de relevante stellingen die partijen ter onderbouwing van de vorderingen en het verweer daartegen hebben aangevoerd.

5.De beoordeling

5.1.
Toetsingskader in kort geding
5.2.
In een kort geding wordt aan de kantonrechter gevraagd om een (spoed)maatregel te nemen. Er moet op korte termijn een beslissing worden genomen. Een vordering in een kort geding kan alleen worden toegewezen als de eisende partij daar een spoedeisend belang bij heeft. Hiervan is sprake als er onmiddellijke maatregelen nodig zijn en de afloop van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
5.3.
In geval van een vordering in kort geding tot betaling van een geldsom is terughoudendheid op zijn plaats. In een kort geding beoordeelt de kantonrechter of het waarschijnlijk is dat in de bodemprocedure een beslissing zal worden genomen die in het voordeel van de eisende partij zal zijn. In de afweging van de belangen van partijen moet de kantonrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen. Als voldoende waarschijnlijk is dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen, kan de maatregel die daarop vooruit loopt in een kort geding worden toegewezen.
5.4.
Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is vanwege het spoedeisende karakter van een kort geding als uitgangspunt geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure.
Exceptief verweer
5.5.
De apotheek voert voor alle andere verweren aan dat de vorderingen van [werknemer] zich niet lenen voor behandeling in kort geding. De beoordeling van de vorderingen van [werknemer] vergen een oordeel over het bestaan en de rechtsgeldigheid van de opzegging van de overeenkomst tussen partijen en de vervolgvraag of tussen partijen (nog steeds) een rechtsverhouding bestaat. Dat betreft geen voorlopig oordeel of een ordemaatregel, maar een constitutieve beslissing waarbij de kantonrechter de rechtsgeldigheid van de opzegging vaststelt. Dat is een vordering van declaratoire aard, waarvoor in kort geding geen plaats is, aldus de apotheek.
5.6.
De kantonrechter gaat voorbij aan dit verweer. [werknemer] vordert in de kern wedertewerkstelling en doorbetaling van de overeengekomen vergoeding. Deze vorderingen lenen zich voor beoordeling in kort geding. Dat de kantonrechter bij de beoordeling van die vorderingen een (voorlopig) oordeel moet geven over het al dan niet bestaan van de onderliggende rechtsverhouding tussen partijen, maakt niet dat sprake is van een declaratoire uitspraak. Het oordeel in kort geding is geen bindende uitspraak over de onderliggende rechtsverhouding.
Spoedeisend belang
5.7.
De apotheek betwist het door [werknemer] gestelde spoedeisend belang. De apotheek vermoedt dat [werknemer] al een nieuwe opdracht en dus een nieuwe bron van inkomsten heeft gevonden. [werknemer] heeft dit tijdens de mondelinge behandeling weersproken.
5.8.
De kantonrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling al aangegeven een spoedeisend belang van [werknemer] bij de beoordeling van haar vorderingen in kort geding aan te nemen. Er is niet gebleken dat [werknemer] vanaf 1 januari 2026 ergens anders werkt als apotheker. Het ontbreken van een inkomstenbron geeft een voldoende spoedeisend belang.
Overeenkomst van opdracht
5.9.
[werknemer] voert primair aan dat de overeenkomst die partijen met ingang van 1 september 2024 zijn aangegaan, kwalificeert als een overeenkomst van opdracht. Ook de apotheek is van mening dat de betreffende overeenkomst een overeenkomst van opdracht is.
5.10.
De kantonrechter neemt vanwege deze consensus tussen partijen en gelet op de omstandigheid dat het hier een kort geding betreft waarbij een uitgebreid onderzoek hiernaar niet in de rede ligt, aan dat de betreffende overeenkomst kwalificeert als een overeenkomst van opdracht. Dit zal dan ook het uitgangspunt zijn voor de verdere beoordeling in kort geding. Dit uitgangspunt is dus niet gebaseerd op een inhoudelijke beoordeling van de rechtsverhouding tussen partijen door de kantonrechter.
Opzegging van de overeenkomst van opdracht
5.11.
Vervolgens ligt de vraag voor of de apotheek de overeenkomst van opdracht heeft opgezegd met ingang van 1 januari 2026.
5.12.
Anders dan de apotheek stelt, kan de e-mail van 2 september 2025 naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet worden opgevat als een opzegging van de overeenkomst van opdracht met [werknemer] . De e-mail geldt meer als een algemene aankondiging, en niet als een specifiek tot [werknemer] gerichte verklaring dat de apotheek de met haar bestaande overeenkomst wil opzeggen met ingang van 1 januari 2026.
5.13.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de apotheek aangevoerd dat de overeenkomst van opdracht nogmaals mondeling is opgezegd door [naam 1] in een persoonlijk gesprek met [werknemer] op 1 december 2025. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [werknemer] bevestigd dat [naam 1] op 1 december 2025 in een persoonlijk gesprek met haar heeft aangegeven dat de apotheek na 31 december 2025 niet met haar verder wilde. Op grond hiervan is de kantonrechter van oordeel dat de overeenkomst van opdrachtdoor de apotheek met ingang van 1 januari 2026 is opgezegd.
Bevoegdheid tot opzegging van de overeenkomst van opdracht
5.14.
[werknemer] stelt dat de apotheek de overeenkomst van opdracht op grond van artikel 5 niet Pro mocht opzeggen. Partijen hebben de bevoegdheid tot tussentijdse opzegging van de overeenkomst van opdracht bewust uitgesloten. Op grond van artikel 5 van Pro de overeenkomst is het slechts op beperkte gronden mogelijk om eerder dan de overeengekomen einddatum een einde te maken aan de overeenkomst. Deze gronden doen zich niet voor, zodat de overeenkomst op zijn vroegst per 1 januari 2027 van rechtswege eindigt, aldus [werknemer] .
5.15.
De apotheek wijst op de wettelijke hoofdregel (artikel 7:408 BW Pro) op grond waarvan de opdrachtgever een overeenkomst van opdracht te allen tijde kan opzeggen. Hiervan kan alleen worden afgeweken indien partijen dat nadrukkelijk afspreken. Volgens de apotheek is een afwijkende afspraak niet gemaakt. Nergens in de overeenkomst staat dat de apotheek de overeenkomst niet tussentijds kan opzeggen. De inhoud van artikel 5 van Pro de overeenkomst geldt niet als een inperking van de wettelijke opzegbevoegdheid van de apotheek als opdrachtgever. Voor zover dat wel zo zou zijn, dan heeft de apotheek alsnog rechtsgeldig opgezegd. Van de apotheek kon immers in redelijkheid niet worden gevergd dat zij het risico van handhaving door de belastingdienst op schijnzelfstandigheid zou aanvaarden, althans dit leverde een gewichtige reden op voor de opzegging, aldus de apotheek.
5.16.
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter was de apotheek niet bevoegd om de overeenkomst van opdracht op te zeggen, zodat de opzegging niet tot het einde van de overeenkomst heeft geleid. Dit wordt als volgt toegelicht.
5.17.
De hoofdregel luidt dat een opdrachtgever de overeenkomst van opdracht te allen tijde kan opzeggen. Van deze hoofdregel kan in geval van een professionele opdrachtgever zoals hier aan de orde worden afgeweken (artikel 7:413 BW Pro). Anders dan de apotheek aanvoert, hebben partijen van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Partijen hebben de bevoegdheid om de overeenkomst tussentijds op te zeggen beperkt. Ze hebben in artikel 5 van Pro de overeenkomst specifiek aangegeven in welke gevallen de overeenkomst kan worden opgezegd. De stelling van de apotheek dat partijen daarmee niet de algemene opzeggingsmogelijkheid zoals neergelegd in artikel 7:408 BW Pro hebben willen uitsluiten volgt de kantonrechter niet.
5.18.
Zij neemt in haar overweging mee dat in artikel 5 van Pro de eerste overeenkomst van opdracht tussen partijen uitdrukkelijk een tussentijdse opzeggingsmogelijkheid was opgenomen, terwijl deze bepaling over tussentijdse opzegging niet is overgenomen in de tweede overeenkomst van opdracht. De rest van de bepaling over opzegging is wel gelijk gebleven. Uit de e-mails tussen partijen en de toelichting tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat dit bewust is gedaan. De kantonrechter verwijst naar de e-mail van de apotheek waarin verschillende opties voor voortzetting van de samenwerking worden geschetst (zie 3.4). Optie 3, waarvoor [werknemer] heeft gekozen, gaat uit van een minimale looptijd van de overeenkomst van twee jaar. Anders dan in geval van een kortdurende overeenkomst (optie 2), volgt uit e-mail dat tussentijdse opzegging van de overeenkomst met inachtneming van een opzegtermijn pas na deze minimale looptijd aan de orde kon zijn. Dat partijen de tussentijdse opzegmogelijkheid bewust hebben uitgesloten in de tweede overeenkomst van opdracht blijkt ook uit de e-mail van [werknemer] van 18 september 2024 (zie 3.7). Naar aanleiding van deze e-mail heeft de apotheek de tussentijdse opzegmogelijkheid in de overeenkomst verwijderd. Ook volgt uit de e-mails tussen partijen dat [werknemer] een lager uurtarief heeft geaccepteerd dan bij een kortdurende overeenkomst het geval zou zijn. Tot slot heeft [naam 1] tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat het de bedoeling was om een langdurige samenwerking met [werknemer] aan te gaan, en de opzegtermijn vanwege die bedoeling uit de overeenkomst is verwijderd.
5.19.
Het was voor de apotheek dus niet mogelijk om de overeenkomst van opdracht zomaar tussentijds op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn.
5.20.
De overeenkomst voorziet in artikel 5 wel Pro in de mogelijkheid om met onmiddellijke ingang op te zeggen wegens – kort gezegd – een gewichtige reden. Partijen zijn het niet eens over hoe de bepaling moet worden uitgelegd en wat daaronder moet worden verstaan. De apotheek vindt dat in het risico van handhaving door de belastingdienst per 1 januari 2026 op schijnzelfstandigheid een gewichtige reden voor opzegging van de overeenkomst is gelegen. [werknemer] vindt van niet: de regelgeving waarop gehandhaafd zal worden bestond al ten tijde van het aangaan van de overeenkomst, en bovendien gold er nog geen strikte handhaving door de belastingdienst.
5.21.
De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat er geen sprake was van een gewichtige reden voor de apotheek om de overeenkomst van opdracht op te zeggen.
5.22.
Voor de uitleg van de bepaling moet de welbekende Haviltex maatstaf worden toegepast. Deze maatstaf houdt in dat de kantonrechter moet kijken naar hoe beide partijen de bepaling mochten begrijpen. Ook is van belang wat partijen in redelijkheid van elkaar mochten verwachten. Niet alleen de letterlijke tekst is relevant, maar ook de andere omstandigheden.
5.23.
Zoals hiervoor al is overwogen, was het de bedoeling van partijen om een langdurige samenwerking aan te gaan, in ieder geval voor de duur van de overeenkomst. [naam 1] heeft dit tijdens de mondelinge behandeling nog letterlijk verwoord:
“De intentie was zonder meer om de afgesproken termijn vol te maken.”Uit deze bedoeling en ook uit de letterlijke tekst van de opzegbepaling in artikel 5 blijkt Pro dat van een gewichtige reden niet zomaar sprake is. De reden moet zodanig zijn, dat van de opzeggende partij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid instandhouding van de overeenkomst niet verlangd kan worden. Opzegging kan dan plaatsvinden met onmiddellijke ingang, wat ook het gewicht dat de reden moet hebben onderstreept. De lat ligt dus hoog.
5.24.
Deze hoge lat wordt niet gehaald met de door de apotheek aangevoerde reden. De regels met betrekking tot de vraag wanneer er sprake is van zelfstandigheid of niet bestonden ook al ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van opdracht. Het zogenaamde handhavingsmoratorium van de belastingdienst gold tot 1 januari 2025. Het risico dat voor de apotheek reden is geweest om de overeenkomst van opdracht met ingang van 1 januari 2026 te beëindigen, bestond ook al ten tijde van het aangaan van de overeenkomst. Dat de kans op verwezenlijking van het risico is vergroot door de aankondiging van striktere handhaving door de belastingdienst, maakt nog niet dat sprake is van een gewichtige reden in de zin van de overeenkomst. Daarbij weegt voor de kantonrechter mee dat vast staat dat de belastingdienst (nog) geen controle heeft uitgevoerd bij de apotheek.
5.25.
Uit het voorgaande volgt dat de apotheek geen geldige reden had om de overeenkomst met [werknemer] op te zeggen, zodat de opzegging zonder gevolg is gebleven. De overeenkomsten opdracht loopt naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter dan ook door.
De vorderingen van [werknemer]
5.26.
Met haar primaire vorderingen tot – kort gezegd – wedertewerkstelling en betaling van loon vordert [werknemer] feitelijk nakoming van de overeenkomst.
5.27.
De vordering tot wedertewerkstelling wordt afgewezen. De apotheek heeft onweersproken gesteld dat een apotheek slechts één gevestigd apotheker kan hebben en dat de inmiddels in dienst genomen apotheker als zodanig staat geregistreerd. [werknemer] kan dus niet als gevestigd apotheker geregistreerd worden bij de apotheek, terwijl zij dat wel als haar grootste belang bij wedertewerkstelling schetst. Daarbij komt dat de apotheek nadrukkelijk heeft aangegeven tijdens de zitting dat zij geen gebruik meer wil maken van de diensten van [werknemer] en dat een wedertewerkstelling voor de apotheek geen optie is. De autonomie van contractspartijen brengt met zich mee dat aan de apotheek als opdrachtgever niet een opdrachtnemer kan worden opgedrongen die zij niet wil.
5.28.
De vordering tot betaling van loon over januari 2026 en daaropvolgende maanden is wel toewijsbaar, met dien verstande dat een kilometervergoeding niet aan de orde is. Dit betreft een vergoeding van kosten die [werknemer] niet maakt sinds 1 januari 2026. De verplichting om loon te betalen vloeit voort uit de overeenkomst van opdracht. Dat in de overeenkomst is bepaald dat [werknemer] betaald krijgt per gewerkt uur, staat daar niet aan in de weg. De apotheek heeft het zelf onmogelijk gemaakt voor [werknemer] om haar werkzaamheden als gevestigd apotheker bij de apotheek te verrichten. Dit laat overigens onverlet dat de apotheek uiteraard met [werknemer] in overleg kan treden over het uitvoeren van haar werkzaamheden bij een andere apotheek die tot de groep behoort, of alsnog bij de apotheek op moment dat de omstandigheden daar wijzigen. De verplichting om het loon te betalen eindigt op het moment dat de overeenkomst rechtsgeldig eindigt, en uiterlijk op de overeengekomen einddatum.
5.29.
De gevorderde wettelijke rente over het achterstallig loon over januari 2026 is toewijsbaar vanaf 26 februari 2026, nu de apotheek deze vordering niet heeft weersproken.
5.30.
Nu de primaire vorderingen van [werknemer] (grotendeels) worden toegewezen, komt de kantonrechter niet toe aan beoordeling van de subsidiaire vorderingen.
Proceskosten
5.31.
De apotheek is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
155,67
- griffierecht
93,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.257,67
5.32.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt de apotheek tot betaling aan [werknemer] van het achterstallig loon op grond van de overeenkomst van opdracht tussen partijen over de maand januari 2026 van
€ 14.810,40 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf 26 februari 2026 tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt de apotheek om, vanaf februari 2026 en tot en met 31 december 2026 of zoveel eerder als de overeenkomst van opdracht rechtsgeldig zal zijn beëindigd, tijdig – binnen 21 dagen nadat [werknemer] aan de apotheek een daartoe strekkende factuur heeft doen toekomen – aan haar betalingsverplichtingen jegens [werknemer] op grond van de overeenkomst van opdracht tussen partijen te voldoen, uitgaande van een werkduur van gemiddeld 32 uur per week, tegen een uurloon van € 85,00 exclusief btw,
6.3.
veroordeelt de apotheek in de proceskosten van € 1.257,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de apotheek niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
veroordeelt de apotheek tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Sprundel-Jansen en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.