ECLI:NL:RBZWB:2026:4033

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
25/4719 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid in WIA-uitkering

Eiser, voormalig vrachtwagenchauffeur, heeft een WIA-uitkering aangevraagd vanwege gezondheidsklachten en is het niet eens met de door het UWV vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 37,96% per 27 maart 2023 en 40,02% per 3 november 2023, waarop eiser bezwaar maakte. Na afwijzing van het bezwaar stelde eiser beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het medisch dossier, inclusief rapporten van verzekeringsartsen en de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), zorgvuldig beoordeeld. De verzekeringsartsen hebben eiser lichamelijk en psychisch onderzocht en informatie van de huisarts meegenomen. De rechtbank oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat de beperkingen adequaat zijn vastgesteld. De door eiser aangevoerde extra beperkingen, zoals urenbeperking en aandachtstekorten, zijn onvoldoende onderbouwd.

Daarnaast heeft de arbeidsdeskundige van het UWV functies geselecteerd die passend zijn bij de vastgestelde beperkingen. Eiser betwistte de geschiktheid van deze functies, maar de rechtbank volgt de gemotiveerde rapportage van de arbeidsdeskundige en ziet geen reden om de geschiktheid te betwisten.

De berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid door het UWV is gebaseerd op de vastgestelde beperkingen en de geschiktheid van functies. Omdat eiser geen gegronde bezwaren tegen deze berekening heeft ingebracht, bevestigt de rechtbank de vastgestelde percentages. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de uitkering en de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd blijven.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid wordt ongegrond verklaard en de percentages van 37,96% en 40,02% worden bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4719 WIA

uitspraak van 15 mei 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV), verweerder,
(gemachtigde: mr. H.M. van Gent).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan eiser. Eiser is het niet eens met de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht
de WIA-uitkering heeft toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld op 37,96% per 27 maart 2023 en op 40,02% per 3 november 2023. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser is werkzaam geweest als vrachtwagenchauffeur. Aansluitend heeft eiser een uitkering ontvangen op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 29 maart 2021 heeft eiser zich ziekgemeld vanwege belemmerende gezondheidsklachten. Eiser heeft op 3 juli 2023 een WIA-uitkering aangevraagd.

Procesverloop

3. Het UWV heeft met het besluit van 5 april 2024 (primair besluit I) aan eiser een loongerelateerde WIA-uitkering toegekend met ingang van 27 maart 2023 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 36,70%.
3.1.
Het UWV heeft met het besluit van 8 april 2024 (primair besluit II) aan eiser een WGA-vervolguitkering toegekend met ingang van 3 november 2023 naar een ongewijzigde mate van arbeidsongeschiktheid van 36,70%.
3.2.
Eiser heeft tegen beide primaire besluiten bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 6 augustus 2025 zijn de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Daarbij heeft het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid per 27 maart 2023 bepaald op 37,96% en per 3 november 2023 op 40,02%.
3.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.4.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met verweerschriften.
3.5.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers gemachtigde en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

4. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiser per 27 maart 2023 voor 37,96% arbeidsongeschikt is en dat eiser per 3 november 2023 voor 40,02% arbeidsongeschikt is.
Wettelijk kader
5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Toetsingskader
6. Bij de beoordeling of het bestreden besluit juist is, is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
7. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
7.1.
De verzekeringsarts heeft eisers dossier bestudeerd en hem gezien op het spreekuur, waarbij de verzekeringsarts eiser psychisch en lichamelijk heeft onderzocht. De verzekeringsarts heeft informatie opgevraagd bij de huisarts van eiser. De huisarts van eiser heeft een uitdraai van de relevante stukken uit het elektronisch patiënten dossier (EPD) vanaf 29 maart 2021 overgelegd. Op basis van zijn onderzoek heeft de verzekeringsarts gerapporteerd dat eiser verminderde functionele mogelijkheden heeft als gevolg van ziekte of gebrek. De beperkingen en de belastbaarheid van eiser zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 20 maart 2024.
De verzekeringsarts b&b heeft eisers dossier bestudeerd. De verzekeringsarts b&b heeft de FML aangepast op 27 mei 2025.
7.2.
Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat er ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen. Er wordt voorbijgegaan aan de cumulatieve energetische belasting
.In zo’n samenloop verlangt de Standaard Duurbelastbaarheid in arbeid een preventieve/energetische urenbeperking. Het uitsluiten van nachtwerk lost de dagelijkse vermoeidheidsproblematiek niet op. Uit het klachtenpatroon en medicatie volgt een verminderde concentratie en verdeelde aandacht. Rubriek 1.8 is inconsistent, want eiser moet een voorspelbare werksituatie hebben (1.8.2) en geen verhoogd persoonlijk risico (1.8.6) maar tegelijkertijd zou hij deadlines en productiepieken kunnen hanteren in eenvoudig productiewerk (1.8.4). Dat is innerlijk strijdig, zeker bij slaperigheid en concentratiefluctuaties. Statische en dynamische belasting is te licht gewaardeerd. Gezien knie- en ademklachten en obesitas is een zwaardere beperking aangewezen voor staan/lopen/duwen-trekken/tillen. De beperking voor stof/gas/damp is terecht, maar de medische onderbouwing van de gevolgen en de vertaling naar de functies ontbreekt. Zonder de onderbouwing welke prikkels precies klachten uitlokken, is onduidelijk hoe ‘streng’ de beperking moet zijn. Eiser heeft verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
7.3.
De verzekeringsarts b&b heeft zich in de rapportage van 8 december 2025 gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er in het (aanvullend) beroepschrift geen redenen zijn aangevoerd die aanleiding geven om de eerdere conclusie te wijzigen.
7.4.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder benauwdheid en knieklachten. Bij de opstelling van de FML is met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden. Eiser heeft in beroep geen informatie overgelegd die de rechtbank aanleiding geeft om te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Ter zitting is bevestigd dat dergelijke informatie ook niet beschikbaar is. Eiser was ten tijde in geding niet onder behandeling van een specialist. De rechtbank stelt vast dat de informatie die wel beschikbaar is, namelijk de informatie van de huisarts, is beoordeeld en meegewogen door de verzekeringsartsen.
Voor het aannemen van meer of andere beperkingen, zoals door eiser bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding. In dit verband wijst de rechtbank erop dat volgens vaste rechtspraak de subjectieve klachtenbeleving niet beslissend is bij de beantwoording van de vraag welke arbeidsbeperkingen in objectief medische zin zijn vast te stellen. Dat sprake zou zijn van een inconsistentie in rubriek 1.8 is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank kan de toelichting van de verzekeringsarts b&b hierover in de rapportage van 8 december 2025 volgen en sluit zich daarbij aan. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat, zoals hiervoor al is overwogen, een medisch objectiveerbare onderbouwing van de gestelde slaperigheid en concentratiefluctuaties ontbreekt. Datzelfde geldt voor de geclaimde urenbeperking.
Tot slot ziet de rechtbank geen reden om een onafhankelijke deskundige te benoemen vanwege het ontbreken van een nadere medische onderbouwing van de stellingen van eiser.
Niet gebleken is dat in de FML van 27 mei 2025 de beperkingen van eiser zijn onderschat. De beroepsgrond dat eiser meer beperkt moet worden, slaagt dan ook niet. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
8. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: Administratief medewerker (document scannen) (SBC-code 315133), Controleur, tester elektrotechnische apparatuur (SBC-code 267060) en Medewerker postverzorging (intern) (SBC-code 315140).
8.1.
Eiser heeft aangevoerd dat deze functies ten onrechte geschikt worden geacht.
Voor de functie Administratief medewerker (document scannen) geldt volgens eiser een mismatch vanwege de bepleite tempo-/aandachtsbeperking, energetische begrenzing/urenbeperking en statische nek/schouderbelasting. De interne FML-tegenstrijdigheid (1.8.2. versus 1.8.4) blijft onbesproken. Eiser meent dat in de functie Controleur, tester elektrotechnische apparatuur sprake is van strijd met de beperking stof/gas/damp en item 1.8.6 (geen gevaarlijke machines/hoogte, verhoogd risico uitsluiten). Ook is statische belasting niet verenigbaar met knie-/energetische problematiek. Ten aanzien van de functie Medewerker postverzorging (intern) stelt eiser dat de limiet op de items staan/lopen wordt overschreden. Ook is deze functie onverenigbaar met de aannemelijke beperking voor tillen/duwen-trekken bij knie- en longklachten. Verder ontbreekt de duurzame inzetbaarheid. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat een overtuigende motivering ontbreekt dat eiser de geduide functies duurzaam kan volhouden zonder verhoogd verzuimrisico.
8.2.
De beroepsgronden van eiser geven de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. Ter zitting is bevestigd dat eisers standpunt dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten, voortvloeit uit zijn opvatting dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Zoals de rechtbank in overweging 7.4. heeft geconcludeerd is die opvatting niet juist. Voor het overige heeft de arbeidsdeskundige b&b in de rapportage van 22 december 2025 de geschiktheid van de functies voldoende (nader) gemotiveerd.
De hiervoor genoemde functies mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?
9. Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies kan verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 37,96% per 27 maart 2023 en 40,02% per 3 november 2023. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiser niks verandert. Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard, krijgt eiser geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 15 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage wettelijk kader

In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Volgens artikel 5 van Pro de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.