Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4024

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
25-032724
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 534 lid 1 SvArt. 7.7 lid 1 sub a VodaArt. 7.7 lid 2 VodaArt. 7.5 Voda
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vergoeding kosten rechtsbijstand wegens verboden no-cure-no-pay-afspraak

Verzoeker, die werkloos is en onder bewind staat, vroeg vergoeding van kosten voor rechtsbijstand na een strafzaak die zonder strafoplegging werd geseponeerd. De advocaat had op betalende basis bijgestaan zonder schriftelijke opdrachtbevestiging en zonder voorschot, met een afspraak dat kosten onder het bedrijfsrisico van de advocaat zouden vallen bij een veroordeling.

De rechtbank oordeelde dat deze afspraak neerkomt op een verboden no-cure-no-pay-constructie, wat niet is toegestaan volgens de Verordening op de advocatuur. Daarnaast ontbraken schriftelijke bevestigingen van de afspraken en was onduidelijk of verzoeker bewust had afgezien van gefinancierde rechtsbijstand, wat de advocaat had moeten vastleggen.

Gezien deze omstandigheden vond de rechtbank geen gronden van billijkheid om vergoeding toe te kennen. Ook het verzoek om een forfaitaire vergoeding voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift werd afgewezen. De beslissing werd op 12 mei 2026 uitgesproken door rechter Los.

Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand wordt afgewezen wegens een verboden no-cure-no-pay-afspraak en het ontbreken van schriftelijke afspraken.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer: 02-147249-25
rk-nummer: 25-032724
Beslissing op het verzoek ex artikel 530 Sv Pro van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezende op het kantoor van mr. G.J.P.M. Mooren, Postbus 902 te 5000 AX Tilburg.

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het op 16 december 2025 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 van Pro het Wetboek van strafvordering(Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
  • € 2.725,22, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
  • € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
  • de kennisgeving sepot van 18 september 2025;
  • de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
  • de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 28 april 2026 heeft het onderzoek in raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. R.S. Jacobs en de gemachtigd advocaat van verzoeker, mr. G.J.P.M. Mooren, gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Standpunt verzoeker:
Namens verzoeker is aangevoerd dat de strafzaak tegen hem is geseponeerd. Verzoeker heeft kosten voor rechtsbijstand gemaakt in het kader van de strafzaak. Verzocht wordt om hem hiervoor een bedrag van € 2.725,22 toe te kennen, te vermeerderen met de forfaitaire kosten voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift.
In raadkamer heeft de advocaat gepersisteerd bij het ingediende verzoekschrift. Naar aanleiding van vragen van de rechtbank heeft de advocaat verklaard dat hij met verzoeker heeft afgesproken dat hij hem op betalende basis zou bijstaan. De reden daarvoor was dat de advocaat inschatte dat een sepot of vrijspraak zou volgen. Bij een toevoeging is de vergoeding maar beperkt. Ook is afgesproken dat de kosten onder het bedrijfsrisico van de advocaat zouden vallen als verzoeker toch zou worden veroordeeld. Hij heeft geen opdrachtbevestiging opgemaakt van de afspraken en er is geen voorschot in rekening gebracht, omdat de advocaat op basis van vertrouwen werkt. Ook dat valt onder zijn bedrijfsrisico. Desgevraagd heeft de advocaat ontkend dat er is afgesproken dat bij een veroordeling een toevoeging zou worden aangevraagd: deze afspraak is niet toelaatbaar, aldus de advocaat.
Standpunt officier van justitie:
De officier van justitie heeft zich schriftelijk op het standpunt gesteld dat het verzoek kan worden toegewezen.
In raadkamer heeft de officier van justitie gepersisteerd bij voornoemd standpunt.

2.De beoordeling

De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv Pro kan aan een gewezen verdachte een vergoeding worden toegekend voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv Pro bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Verboden “no-cure-no-pay”-afspraak
Verzoeker is werkloos, leeft van een bijstandsuitkering en heeft een bewindvoerder. Desondanks is geen toevoeging aangevraagd bij de Raad voor Rechtsbijstand, maar is afgesproken dat de advocaat verzoeker op betalende basis zou bijstaan, omdat de vergoeding voor de advocaat bij een toevoeging beperkt is. Als de zaak tegen verzoeker niet in een sepot of vrijspraak zou eindigen, zouden de in beginsel voor rekening van verzoeker komende kosten onder het bedrijfsrisico van de advocaat vallen. De advocaat van verzoeker heeft in raadkamer desgevraagd bevestigd dat hij verzoeker geen rekening zou hebben gestuurd als de zaak tegen verzoeker niet zou zijn geseponeerd. De rechtbank kan die afspraak niet anders begrijpen dan als een “no-cure-no-pay”-afspraak. Een dergelijke honorariumafspraak is op grond van artikel 7.7 lid 1 sub a van de Verordening op de advocatuur (Voda) niet toegestaan. De in lid 2 van dat artikel genoemde uitzonderingen doen zich in deze zaak niet voor.
Geen opdrachtbevestiging
Als uitgangspunt geldt dat een advocaat gehouden is een aan hem verleende opdracht en de daarvoor geldende (financiële) voorwaarden schriftelijk aan de cliënt te bevestigen. Zo bepaalt gedragsregel 16 lid 1 van de Gedragsregels advocatuur (hierna ook: de gedragsregels) dat een advocaat zijn cliënt op de hoogte moet brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, dient hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Gedragsregel 17 bepaalt onder meer dat een advocaat er zorg voor draagt dat bij het aanvaarden van de opdracht duidelijke afspraken zijn gemaakt over zijn honorarium, de doorbelasting van kosten, en de wijze van declareren. Artikel 7.5 van de Verordening op de advocatuur (Voda) bepaalt dat een advocaat zijn cliënt informeert over de persoon, het samenwerkingsverband of de rechtspersoon met wie de cliënt de overeenkomst van opdracht sluit. In de tuchtrechtspraak wordt het belang van een schriftelijke opdrachtbevestiging keer op keer onderstreept.
De advocaat heeft geen opdrachtbevestiging opgemaakt. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen welke afspraken, onder meer over het honorarium, tussen verzoeker en de advocaat zijn gemaakt.
Mogelijkheid gefinancierde rechtshulp niet benut
Gedragsregel 18 legt op een advocaat de verantwoordelijkheid om - vóór aanvaarding van de opdracht (maar ook tussentijds als daar aanleiding toe bestaat) - te onderzoeken of zijn cliënt in aanmerking komt voor door de overheid gefinancierde rechtshulp. De advocaat heeft de verplichting een cliënt erop te wijzen dat deze mogelijk in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand. Als een cliënt mogelijk in aanmerking komt voor gefinancierde rechtshulp maar daarvan afziet, dient de advocaat dat schriftelijk vast te leggen.
De advocaat heeft ter zitting verklaard dat het een bewuste keuze was om verzoeker betalend bij te staan, ondanks dat hij in aanmerking kwam voor een toevoeging. De schriftelijke vastlegging daarvan ontbreekt echter, zodat de rechtbank niet kan vaststellen óf - en waarom - verzoeker bewust heeft afgezien van het aanvragen van een toevoeging.
Conclusie
Samenvattend is sprake van een verboden “no-cure-no-pay”-afspraak, zijn de tussen verzoeker en zijn advocaat gemaakte afspraken niet schriftelijk vastgelegd - en dus niet controleerbaar - en is het onduidelijk gebleven dat - en waarom - verzoeker of zijn bewindvoerder bewust heeft afgezien van het aanvragen van gefinancierde rechtsbijstand.
Tegen die achtergrond acht de rechtbank geen gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen. De rechtbank zal het verzoek tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand dan ook afwijzen.
Het verzoek tot toekennen van een vergoeding zal worden afgewezen. De rechtbank wijst alleen al om die reden ook het verzoek tot het toekennen van een forfaitaire vergoeding voor het indienen van het verzoekschrift en de behandeling in raadkamer af.

3.De beslissing

De rechtbank
- wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding af.
Deze beslissing is op 12 mei 2026 genomen door mr. J.C.A.M. Los, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Grinsven, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 12 mei 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.