Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3982

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
25/3863
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 26c Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens termijnoverschrijding bij aanslag inkomstenbelasting 2019

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2019 en de daarbij opgelegde vergrijpboete en belastingrente. Nadat de inspecteur al een uitspraak op bezwaar had gedaan, diende belanghebbende een tweede bezwaarschrift in, dat door de inspecteur als beroepschrift werd aangemerkt en naar de rechtbank werd gestuurd.

De rechtbank oordeelt dat het beroepschrift te laat is ingediend, namelijk op 29 januari 2024, terwijl de termijn voor het indienen zes weken na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar (14 december 2023) was verstreken op 25 januari 2024. Belanghebbende heeft geen verontschuldigbare redenen voor de termijnoverschrijding gegeven, ondanks herhaalde verzoeken van de rechtbank.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelt zij het beroep niet inhoudelijk. De rechtbank wijst erop dat de inspecteur het tweede bezwaarschrift als verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag moet behandelen en draagt de inspecteur op dit alsnog te doen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening; het bezwaarschrift wordt als verzoek om ambtshalve vermindering behandeld.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/3863

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 14 december 2023. Belanghebbende heeft op 29 januari 2024 bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2019, met [aanslagnummer] .H.96.01 en de bij beschikking opgelegde vergrijpboete en vastgestelde belastingrente (het tweede bezwaarschrift). Aangezien de inspecteur toen al uitspraak op een eerder bezwaar had gedaan, heeft de inspecteur het tweede bezwaarschrift aangemerkt als beroepschrift. Het beroepschrift is door de inspecteur doorgezonden naar de rechtbank, omdat de rechtbank bevoegd is het beroepschrift te behandelen.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank oordeelt verder dat de inspecteur het tweede bezwaarschrift in behandeling moet nemen als een verzoek om ambtshalve vermindering. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. [2] Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending.
Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3]
3.1.
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [4]
Is het beroep te laat ingediend?
4. Vast staat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 14 december 2023 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde dus op 25 januari 2024.
4.1.
Het beroepschrift is op 29 januari 2024 bij de inspecteur ontvangen. De inspecteur heeft het beroepschrift doorgezonden naar de rechtbank. De rechtbank heeft het beroepschrift op 7 augustus 2025 ontvangen. Uitgaande van de eerste datum, de dag waarop de Belastingdienst het beroepschrift heeft ontvangen, is het beroepschrift niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
5. Belanghebbende is bij bericht van 12 augustus 2025 in de gelegenheid gesteld om redenen aan te geven voor deze termijnoverschrijding. Dit verzoek is herhaald bij aangetekend verstuurde brief van 12 september 2025. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 13 september 2025 om 12:56 uur is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend. Belanghebbende heeft niet gereageerd. De rechtbank acht ook geen sprake van geringe verwijtbaarheid aan de zijde van belanghebbende. Het te laat indienen is dus niet verontschuldigbaar.
Tussenconclusie ontvankelijkheid beroep
6. Het beroep is daarom niet ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft.
Tweede bezwaarschrift is ook een verzoek om ambtshalve vermindering
7. De inspecteur heeft het tweede bezwaarschrift (terecht) doorgestuurd naar de rechtbank als beroepschrift. Echter, vanwege de termijnoverschrijding van de beroepstermijn komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de juistheid van de aanslag IB/PVV 2019. De inspecteur had het bezwaarschrift daarom ook moeten aanmerken als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2019. De rechtbank zal de inspecteur daarom opdragen om dit alsnog te beoordelen. Dit betekent dat de inspecteur zal beoordelen of het tweede bezwaarschrift aanleiding is om de aanslag IB/PVV 2019, de vergrijpboete en de in rekening gebrachte belastingrente ambtshalve te verminderen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. De rechtbank draagt de inspecteur op om te beoordelen of aanleiding bestaat voor ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2019. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • draagt de inspecteur op om het tweede bezwaarschrift als verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2019 in behandeling te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van D. Weijtens, griffier, op 11 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.