Eiseres heeft op 4 februari 2025 een aanvraag ingediend bij de Dienst Toeslagen voor aanvullende compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Verweerder heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van zes maanden een besluit genomen en heeft deze termijn onrechtmatig verlengd. Eiseres stelde verweerder op 4 februari 2026 in gebreke, waarna zij binnen twee weken beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat verweerder niet tijdig heeft beslist. De rechtbank verwijst naar een eerdere lijn die is vastgesteld in een uitspraak van 5 november 2025, waarin is bepaald dat een nadere beslistermijn van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke termijn geldt voor dergelijke zaken. In dit geval is die termijn nog niet verstreken, zodat de rechtbank een beslistermijn oplegt tot uiterlijk 30 maart 2027.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. Verweerder moet ook het griffierecht en proceskosten van eiseres vergoeden. De rechtbank wijst verzoeken van verweerder af om de beslistermijn te laten staken tijdens eventuele minnelijke trajecten.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 8 mei 2026. Partijen kunnen binnen zes weken verzet instellen tegen deze uitspraak.