ECLI:NL:RBZWB:2026:3938

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
C/02/446953 / JE RK 26-622
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • van Gessel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing spoedmachtiging uithuisplaatsing minderjarige en aanhouding behandeling vervolgverzoek

De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een gezinsgerichte voorziening voor vier weken, gevolgd door een machtiging voor de duur van de ondertoezichtstelling. De minderjarige verblijft reeds in een crisispleeggezin vanwege zorgen over de zorg- en opvoedcapaciteiten van de moeder en de fysieke veiligheid van het kind.

De GI onderbouwde het spoedverzoek met het risico dat de moeder escalerend gedrag zou vertonen na ontvangst van een advies over het perspectief van de minderjarige, wat zou kunnen leiden tot een levensbedreigende situatie. Er is een passend gezinshuis gevonden waar de minderjarige perspectiefvol geplaatst kan worden.

De kinderrechter erkent de zorgen over de veiligheid en de beperkte pedagogische groei van de moeder, maar ziet onvoldoende meerwaarde in het spoedverzoek zonder voorafgaand horen van de belanghebbenden. De huidige plaatsing in het crisispleeggezin wordt als stabiel en positief beoordeeld. Daarom wordt het spoedverzoek afgewezen en de behandeling van het vervolgverzoek aangehouden tot de mondelinge behandeling.

De moeder is opgeroepen voor de zitting op 17 april 2026, waar de zaak verder zal worden behandeld. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na dagtekening.

Uitkomst: Het verzoek tot spoedmachtiging uithuisplaatsing wordt afgewezen en de behandeling van het vervolgverzoek aangehouden tot de mondelinge behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446953 / JE RK 26-622
Datum uitspraak: 10 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] ,geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 10 april 2026.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin op basis van een machtiging uithuisplaatsing.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 november 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 17 november 2026. Ook heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 17 mei 2026. De beslissing op het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing voor de resterende periode, te weten voor de duur van de ondertoezichtstelling, is aangehouden tot 16 april 2026 pro forma, in afwachting van een schriftelijk verslag van de GI over de stand van zaken op dat moment, waaronder ook het perspectief van [minderjarige] en over het resterende deel van haar verzoek.

3.Het verzoek

De GI verzoekt:
  • a) een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren; de GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen;
  • b) aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. [minderjarige] is in een (crisis)pleeggezin geplaatst wegens zorgen over de zorg- en opvoedcapaciteiten van de moeder en over de fysieke veiligheid van [minderjarige] tijdens de verzorging door de moeder. [minderjarige] maakt in het crisispleeggezin een beperkte maar mooie groei door in haar ontwikkeling.
4.2.
Er is aansluitend op de opdracht van de rechtbank bij beschikking van 17 november 2025 door de GI toegewerkt naar de datum, waarop het document bij de rechtbank dient te zijn aangeleverd, het perspectiefadvies dient te zijn opgesteld en [zorgorganisatie] haar advies rondom omgangsobservaties, onderzoeken naar mogelijkheden tot groei bij de moeder met betrekking tot het perspectief moet hebben afgerond.
4.3.
In de periode na de laatst gegeven beschikking is door middel van begeleide omgangsmomenten, perspectiefonderzoek en gesprekken met de pleegmoeder, pleegzorg en met de betrokken hulpverlening, waaronder [zorgorganisatie] , geïnvesteerd in het ontwikkelen van de pedagogische vaardigheden van de moeder. Aan de hand daarvan is vervolgens zichtbaar geworden dat de moeder minimale mogelijkheden van leerbaarheid en groei laat zien. Gezien wordt dat de moeder het geleerde niet lijkt vast te houden en/of in andere situaties te kunnen toepassen. Ook zijn er grote zorgen over de fysieke veiligheid van [minderjarige] tijdens de verzorging wegens ruw en hardhandig handelen door de moeder.
4.4.
Omdat de huidige plaatsing een crisispleeggezin betreft heeft [zorgaanbieder] gezocht naar een gezin dat voor [minderjarige] voor langere tijd beschikbaar kan zijn. Inmiddels is er een gezinshuis gevonden voor [minderjarige] dat passend is. [minderjarige] heeft daar al kennis gemaakt en de pleegmoeder is daar met haar meerdere malen geweest in het kader van wenmomenten. Deze plaatsing is perspectief biedend. De moeder heeft aangegeven dat zij het absoluut niet eens is met deze plaatsing. Zij vindt dat [minderjarige] terug moet naar haar.
4.5.
Op vrijdag, 10 april 2026, zal de moeder vanuit [zorgorganisatie] per mail een verslag ontvangen, met daarin haar advies over het perspectief van [minderjarige] . Vervolgens zal op maandag, 13 april 2026 door de GI aan de moeder een emailbericht worden gestuurd, waarin de GI haar visie over het perspectief van [minderjarige] kenbaar zal maken. Dit zal vervolgens door de GI nader worden toegelicht aan de moeder. Rekening houdend met alle voormelde aspecten en omstandigheden is de verwachting van de GI dat het gedrag van de moeder door het bericht van [zorgorganisatie] zal escaleren en zij [minderjarige] gaat opeisen/ophalen bij het crisispleeggezin en er vervolgens een levensbedreigende situatie voor [minderjarige] zal ontstaan. Om die reden heeft de GI besloten, uit oogpunt van de veiligheid van [minderjarige] voordat de moeder zal hebben kennis genomen van het advies van [zorgorganisatie] een spoedverzoek in te dienen dat ziet op een plaatsing van [minderjarige] in een gezinshuis op in de eerste weken voor de moeder een geheim adres. Dit om confrontaties met de moeder waar [minderjarige] bij is, te voorkomen. De GI is daarom ook van opvatting dat een mondelinge behandeling ter zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk ernstig gevaar voor [minderjarige] .
4.6.
Uit de inhoud en onderbouwing van het verzoek van de GI maakt de kinderrechter in de eerste plaats op dat [minderjarige] in het huidige crisispleeggezin een voorzichtig positieve groei doormaakt. Daarnaast blijkt uit het verzoek dat de GI, ondanks dat er in de afgelopen periode is geïnvesteerd in het ontwikkelen van de pedagogische vaardigheden van de moeder, er daarover en over de fysieke veiligheid van [minderjarige] tijdens de verzorging door de moeder nog steeds zorgen zijn. Verder is gebleken dat de GI intussen een voor [minderjarige] passend gezinshuis heeft gevonden, welke plaatsing in de opvatting van de GI perspectief biedend is. De kinderrechter kan, zich verplaatsend in de rol/positie van de moeder, invoelen dat de visie van de GI onder alle denkbare omstandigheden en op welk moment dan ook een boodschap in zich draagt die voor de moeder moeilijk te accepteren is. Uit het verzoek van de GI blijkt dat de GI zich daarover ernstig zorgen maakt. Zij vreest dat de moeder ernstig escalerend gedrag zal laten zien en [minderjarige] daardoor het risico loopt.
Hoewel ook de kinderrechter deze zorgen wel degelijk ziet, zal naar zijn inschatting het risico op escalerend gedrag van de moeder nu of later - als de moeder hoort waar [minderjarige] is geplaatst - niet anders zijn. In dit licht bezien ziet de kinderrechter onvoldoende meerwaarde in het nu al nemen - zónder voorafgaand horen van de belanghebbenden - van een beslissing zoals verzocht door de GI.
Ten slotte betrekt de kinderrechter bij zijn oordeel dat de GI telefonisch desgevraagd heeft aangegeven dat de moeder een goede band heeft met het huidige crisispleeggezin, dat zij goed met hen in gesprek is. De kinderrechter gaat er vanuit dat [minderjarige] in ieder geval totdat de rechter heeft geoordeeld op het onderhavige verzoek sub b in het huidige crisispleeggezin kan blijven en dat de moeder deze plaatsing kan blijven respecteren, hoe moeilijk dat voor haar ook is.
4.7.
Met inachtneming van het voorgaande zal de kinderrechter een tussenbeslissing nemen, inhoudend dat het spoedverzoek sub a vermeld wordt afgewezen en de behandeling van het sub b vermelde verzoek wordt aangehouden tot de mondelinge behandeling ter zitting op de hierna in het dictum vermelde datum en tijdstip.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
wijst het verzoek van de GI sub a vermeld af;
5.2.
houdt de behandeling van het verzoek van de GI sub b vermeld aan tot de mondelinge behandeling ter zitting - met gesloten deuren - van mr. Phillips op:
17 april 2026 om 11:15 uurin het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, Stationslaan 10 in Breda, waarvoor de GI en de moeder en haar advocaat - indien zich een advocaat stelt voor de moeder - worden opgeroepen;
5.3.
bepaalt dat deze tussenbeslissing geldt als oproep voor de GI en de moeder en haar eventuele advocaat om op voormelde datum en tijdstip ter zitting te verschijnen;
5.4.
behoudt zich iedere verdere beslissing in deze zaak voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. van Gessel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026, in aanwezigheid van Baremans als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.