ECLI:NL:RBZWB:2026:3918

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
10 mei 2026
Zaaknummer
C/02/438133 / JE RK 25-1384
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Holierhoek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens prille positieve ontwikkelingen en noodzaak voortzetting hulpverlening

De kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 9 april 2026 besloten de ondertoezichtstelling (OTS) van een minderjarige te verlengen tot 20 september 2026. De minderjarige woont bij haar moeder en stiefvader, en de ondertoezichtstelling is sinds september 2023 van kracht en meerdere malen verlengd. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging vanwege blijvende ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige.

Tijdens de zitting gaf de minderjarige aan dat de situatie verbeterd is, maar dat er nog meer positieve stappen mogelijk zijn. De GI benadrukte dat ondanks enkele positieve ontwikkelingen, zoals fysiotherapie en individuele therapie, de hulpverlening nog pril is en de moeder emotioneel belast blijft, mede door het recente overlijden van haar moeder. De moeder zelf staat niet achter verlenging, omdat zij vindt dat zij al voldoende heeft gedaan en pas aan zichzelf kan werken als de druk van de OTS wegvalt.

De kinderrechter oordeelde dat de voorwaarden voor verlenging zijn vervuld: de ontwikkeling van de minderjarige wordt nog steeds ernstig bedreigd door de complexe situatie. Het is te vroeg voor overdracht naar het vrijwillig kader en het opstellen van een borgingsplan. De hulpverlening moet worden voortgezet en gemonitord. Daarom is verlenging van de OTS noodzakelijk en wordt deze verlengd tot 20 september 2026, met onmiddellijke werking, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 20 september 2026 en de beschikking is direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/438133 / JE RK 25-1384
Datum uitspraak: 9 april 2026
(nadere) beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. W. van der Sande uit Goes.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de stiefvader],
hierna te noemen: de stiefvader,
wonende in [plaats] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 10 maart 2026 en alle daarin genoemde stukken;
1.2.
Op 9 april 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De stiefvader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de stiefvader wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder en stiefvader.
2.3.
Bij beschikking van 20 september 2023 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 20 september 2023 en tot 20 september 2024. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd.
2.4.
Bij beschikking van 17 september 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 20 september 2025 en tot 20 maart 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.5.
Bij beschikking van 10 maart 2026 is de ondertoezichtstelling verlengd met ingang van 20 maart 2026 tot 20 april 2026 onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter beoordeling ligt nog voor het resterende deel van het verzoek tot het verlengen van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] , te weten met ingang van 20 april 2026 en tot 20 september 2026.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige] heeft in haar gesprek met de kinderrechter aangegeven dat de situatie ten opzichte van de vorige keer verbeterd is. Wat haar betreft kunnen er nog meer positieve stappen gezet worden.
4.2.
De GI handhaaft het verzoek. Onlangs heeft er weer een emotioneel ingrijpende gebeurtenis plaatsgevonden. Oma moederszijde is onverwachts overleden. Er zijn nog steeds zorgen over [minderjarige] ; zij wordt nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. Er zijn wel positieve stappen gezet. Zo gaat [minderjarige] naar fysiotherapie, waarvoor de moeder een aantal weken zelf het vervoer heeft geregeld en waarvoor inmiddels taxivervoer loopt. De GI is van mening dat therapie één deel is, het andere deel is het juiste gebruik van de benodigde hulpmiddelen. De moeder laat dit aan [minderjarige] en de GI maakt zich daar zorgen over. Zo heeft [minderjarige] op de zorgboerderij niet de beschikking over de voor haar noodzakelijke hulpmiddelen, omdat het de moeder niet (altijd) lukt om de hulpmiddelen in haar eigen auto mee te nemen.
De hulpverlening van [hulpverlening] is nog maar net gestart. Op dit moment is men nog gericht op het opbouwen van een vertrouwensband. De GI wil deze hulpverlening nog langer opvolgen en monitoren. Ook omdat de (emotionele) beschikbaarheid van de moeder een zorg is en het van belang is dat de moeder hulp voor zichzelf zoekt en aangaat.
4.3.
Namens en door de moeder wordt aangegeven dat zij pas aan zichzelf kan werken als zij de druk van de ondertoezichtstelling niet meer voelt. Zij staat niet achter een verlenging van de ondertoezichtstelling. Zij is aan de slag gegaan met alle eerder genoemde zorgen en ziet niet in wat zij nog meer kan doen.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Niet vanwege de medische complexiteit die verbonden is aan [minderjarige] , maar vanwege de complexe situatie waarin [minderjarige] verkeert. De eerder vastgestelde zorgen zijn ook in de afgelopen periode nog niet weggenomen. Dat neemt niet weg dat de kinderrechter ziet dat er in het afgelopen half jaar wel belangrijke stappen zijn gezet. Met name de moeder heeft heel erg haar best gedaan en heeft gehandeld in het belang van [minderjarige] . Zo gaat [minderjarige] inmiddels weer naar de fysiotherapeut en zijn haar schoenen en bril vernieuwd. Ook heeft moeder inmiddels ingestemd met de inzet van [hulpverlening] en is er voor [minderjarige] individuele therapie opgestart. De moeder verdient voor al deze ontwikkelingen een groot compliment.
Het is echter te vroeg om nu tot afsluiting van de ondertoezichtstelling over te gaan. Zo is [hulpverlening] nog maar net begonnen en deze hulp bevindt zich nog in de kennismakingsfase. Van belang is dat deze hulp voortgezet wordt. De moeder geeft aan dat zij deze hulp ook wil voortzetten. Tegelijkertijd ziet de kinderrechter dat de moeder (emotioneel) behoorlijk belast wordt. Dat onlangs de oma (moederszijde), van wie de moeder veel steun ontving, is overleden, betekent dat er opnieuw op zoek gegaan moet worden naar een vorm van ontlasting van de moeder. De moeder is hier zelf mee bezig. De GI kan hierin echter ook de moeder ondersteunen.
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging nog niet of onvoldoende kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Het is nog te vroeg voor het maken van een borgingsplan en het overdragen van de hulpverlening naar het vrijwillige kader. De kinderrechter begrijpt deze wens van de moeder heel goed, maar er zullen eerst, mede met de inzet van [hulpverlening] , meer stappen gezet moeten worden. Zeker nu de moeder aangeeft een goede klik met de hulpverlening van [hulpverlening] te hebben, heeft de kinderrechter er vertrouwen in dat die verdere stappen ook gezet zullen worden.
5.6.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor het resterende deel van het verzoek van de GI, te weten tot aan 20 september 2026.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 20 april 2026 en tot 20 september 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026 door mr. Holierhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, en op schrift gesteld op 15 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.