ECLI:NL:RBZWB:2026:3871
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en toegepaste waarderingssystematiek door gemeente
Belanghebbende is eigenaar van een twee-onder-een-kapwoning en betwist de wijze waarop de heffingsambtenaar de WOZ-waarde heeft vastgesteld per 1 januari 2023. De heffingsambtenaar stelde de waarde vast op €510.000 en legde op basis daarvan de aanslag onroerendezaakbelasting voor 2024 op. Belanghebbende heeft geen alternatieve waarde voorgesteld, maar wil vooral inzicht in de gehanteerde waarderingssystematiek en de consistentie daarvan.
De rechtbank overweegt dat waarderen geen exacte wetenschap is en dat de heffingsambtenaar in het geding een nadere onderbouwing mag geven. De objectkenmerken zoals aanbouw, garage en dakkapel zijn volgens de rechtbank juist vastgesteld. De heffingsambtenaar gebruikte de vergelijkingsmethode, waarbij verkoopprijzen van vergelijkbare woningen rondom de waardepeildatum als referentie dienen. Dit is een wettelijk toegestane en gebruikelijke methode.
Belanghebbende stelde dat de woningmarkt oververhit is en een andere waarderingsmethode nodig is, maar de rechtbank wijst dit af. De gebruikte referentiewoningen zijn voldoende vergelijkbaar en recent verkocht. De heffingsambtenaar heeft met een matrix inzichtelijk gemaakt hoe verschillen tussen woningen zijn verwerkt. Belanghebbende heeft geen concrete tegenargumenten aangedragen.
De rechtbank wijst ook het bezwaar af dat de WOZ-waarde van belanghebbendes woning sterker is gestegen dan die van andere woningen in de buurt. Waardebepaling vindt jaarlijks opnieuw plaats en kan verschillen vertonen door marktomstandigheden en correcties. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-beschikking en aanslag in stand blijven en belanghebbende geen griffierecht of proceskosten vergoed krijgt.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en OZB-aanslag wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.