Betrokkene is in 2018 veroordeeld tot terbeschikkingstelling (tbs) met verpleging van overheidswege wegens doodslag. De tbs-maatregel is sindsdien meerdere malen verlengd, de laatste keer in mei 2025. De officier van justitie verzocht op 25 maart 2026 om verlenging van de tbs met één jaar. De rechtbank behandelde de zaak op 23 april 2026, waarbij betrokkene, zijn raadsman en deskundigen werden gehoord.
De tbs-instelling en externe gedragsdeskundigen stelden vast dat betrokkene lijdt aan schizofrenie en een stoornis in cannabisgebruik, met een fluctuerend ziektebeeld en een broze balans die gemakkelijk kan worden verstoord. Het recidiverisico bij beëindiging van de tbs wordt als hoog ingeschat, vooral vanwege het risico op psychotische decompensatie en het staken van medicatie. De deskundigen adviseren verlenging van de tbs met één jaar, met het oog op verdere stabilisatie en het mogelijk maken van een voorwaardelijke beëindiging of zorgmachtiging.
De verdediging benadrukte de positieve ontwikkelingen en vroeg om aanhouding van de beslissing in afwachting van onderzoek naar een zorgmachtiging. De officier van justitie stelde echter dat een zorgmachtiging nog te onzeker is en verzocht om directe beslissing op de vordering.
De rechtbank oordeelde dat de tbs-maatregel moet worden verlengd vanwege het hoge recidiverisico en het ontbreken van een concreet en uitvoerbaar zorgplan voor een zorgmachtiging. De positieve ontwikkelingen zijn nog pril en het ziektebeeld fluctueert. De rechtbank acht het onwenselijk om de beslissing aan te houden en verlengt de tbs met één jaar. De prioriteit ligt bij het voortzetten van het huidige behandeltraject om verdere risicoreductie en stabilisatie te bereiken.