Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3807

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
26/2249 PW VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbAlgemene wet bestuursrechtAlgemene verordening gegevensbescherming
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens onvoldoende spoedeisendheid bij wijziging contactpersoon

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de wijziging van zijn contactpersoon door het college van burgemeester en wethouders van Breda. Na niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar heeft verzoeker beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om de wijziging te schorsen.

De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek op spoedeisendheid, een vereiste voor het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoeker stelt dat communicatie met onbevoegde functionarissen leidt tot schending van de Awb en AVG, en dat dit zijn psychische gezondheid ernstig schaadt. Hij verwijst naar medische beperkingen en een verslechterde psychische toestand.

De rechtbank vraagt om nadere onderbouwing met medische bewijsstukken, maar verzoeker levert geen objectiveerbare medische verklaringen aan. Ondanks toestemming om contact op te nemen met zijn huisarts, komt verzoeker zelf niet met een medische toelichting.

De voorzieningenrechter concludeert dat de spoedeisendheid niet is aangetoond en dat de beroepsprocedure kan worden afgewacht. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisendheid.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2249

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda(college), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker inzake de wijziging van zijn contactpersoon.
1.1.
Bij brief van 6 november 2025 heeft het college aan verzoeker doorgegeven dat zijn contactpersoon is gewijzigd. Tegen deze brief heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 9 december 2025 is dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze beslissing heeft verzoeker op 6 januari 2026 beroep ingesteld. Tevens heeft verzoeker op 16 april 2026 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
1.1.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
2.2.
Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift van 16 april 2026 aangegeven dat het college hem laat communiceren met onbevoegde functionarissen, wat leidt tot voortdurende schending van de Awb en de AVG. Verzoeker stelt dat zijn persoonsgegevens onrechtmatig door het college worden verwerkt, ondanks zijn herhaalde verzoeken om dit te stoppen. Ook zou verzoeker geen toegang krijgen tot een bevoegde, gemandateerde ambtenaar, waardoor zijn rechtspositie wordt geschaad. Dit zou leiden tot voortdurende psychische belasting, stress, onduidelijkheid, onzekerheid en verergering van verzoekers gezondheidsklachten.
2.3.
De griffier heeft verzoeker bij brief van 21 april 2026 gevraagd om het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening nader toe te lichten. Daarbij is verzoeker verzocht om zijn stelling dat het laten voortbestaan van deze situatie verdere schade veroorzaakt te onderbouwen met bewijsstukken, zoals bijvoorbeeld een verklaring van een arts of behandelaar voor wat betreft de gestelde gezondheidsklachten.
2.4.
Verzoeker heeft op 24 april 2026 gereageerd op het verzoek van de griffier. Verzoeker wijst naar de door hem overgelegde Functionele Mogelijkheden Lijst uit 2022 waaruit volgens hem zou blijken dat hij vanwege zijn medische situatie niet belastbaar is in conflictsituaties, stressvolle communicatie of onduidelijke besluitvorming. Verzoeker heeft aangegeven bekend te zijn met ernstige angst- en paniekklachten en een autismespectrum-stoornis, waardoor zijn belastbaarheid beperkt is. Volgens verzoeker veroorzaakt de huidige situatie een zodanige psychische overbelasting dat zijn draagkracht volledig wordt overschreden. Door de voortdurende druk en het ontbreken van een bevoegde contactpersoon zonder adequate begeleiding zou verzoekers psychische toestand de afgelopen maanden aanzienlijk zijn verslechterd.
2.5.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door verzoeker aangevoerde omstandigheden niet tot de conclusie kunnen leiden dat sprake is van een spoedeisende situatie die het treffen van een voorlopige voorziening gedurende de beroepsprocedure noodzakelijk maakt. De voorzieningenrechter constateert dat verzoeker, ondanks uitdrukkelijk verzoek, zijn stellingen niet nader heeft onderbouwd met medisch objectiveerbare gegevens, zoals een verklaring van een behandelaar. Weliswaar heeft verzoeker de rechtbank toestemming gegeven om contact op te nemen met zijn huisarts, maar daarmee is niet voldaan aan het verzoek van de griffier. Het is aan verzoeker zelf om met een toelichting van zijn huisarts te komen.
2.6.
De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat de beroepsprocedure niet kan worden afgewacht.

Conclusie en gevolgen

3. Omdat het spoedeisend belang ontbreekt, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
3.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 7 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.