Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3801

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
BRE 25/23
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.7 WnbArt. 2.8 WnbArt. 2.9 Aanvullingswet natuur OmgevingswetHabitatrichtlijn art. 6 lid 3
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering natuurvergunning voor ensisvisserij in Natura 2000-gebieden bevestigd

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een natuurvergunning voor het vissen op ensis in verschillende Natura 2000-gebieden voor de periode 2024-2029. De staatssecretaris heeft deze aanvraag geweigerd omdat eiseres reeds in het bezit is van een natuurvergunning voor dezelfde activiteit met hetzelfde vaartuig.

Eiseres betoogt dat zij geen nieuwe natuurvergunning nodig heeft voor de visvergunning die zij sinds 1994 bezit en dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen. De rechtbank stelt vast dat eiseres sinds 2016 geen gebruik meer maakt van de betreffende visvergunning en dat het gebruik van deze vergunning mogelijk op een ander vaartuig zal plaatsvinden, waardoor sprake is van een nieuw project.

De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris de aanvraag in redelijkheid heeft kunnen weigeren, mede gelet op recente jurisprudentie die stelt dat een onderbroken activiteit als een nieuw project wordt beschouwd waarvoor een natuurvergunning vereist is. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de staatssecretaris de natuurvergunningaanvraag in redelijkheid heeft kunnen weigeren.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/23

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A. Schreijenberg),
en
de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de staatssecretaris.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de geweigerde natuurvergunning voor het vissen op ensis. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de staatssecretaris de aanvraag in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris de aanvraag in redelijkheid heeft kunnen afwijzen
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor het vissen op ensis in de Natura 2000-gebieden Noordzeekustzone, Voordelta, Vlakte aan de Raad en Westerschelde & Saeftinghe voor de periode 1 januari 2024 tot en met 31 december 2029. De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 27 mei 2024 buiten behandeling gesteld. Met het bestreden besluit van 5 december 2024 op het bezwaar van eiseres heeft de staatssecretaris de aanvraag wel in behandeling genomen en vervolgens afgewezen.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres [persoon 1] en [persoon 2] , de gemachtigde van eiseres en namens de staatssecretaris [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] .

Beoordeling door de rechtbank

De niet betwiste feiten
3. Eiseres heeft op 28 december 2023 een aanvraag ingediend voor een vergunning in de zin van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor het vissen op ensis in de Natura 2000-gebieden Noordzeekustzone, Voordelta, Vlakte aan de Raad en Westerschelde & Saeftinge voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2029.
3.1.
De minister van Natuur en Stikstof heeft met het besluit van 27 mei 2024 de aanvraag niet in behandeling genomen omdat eiseres al in bezit is van de aangevraagde natuurvergunning. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
3.2.
Met het bestreden besluit heeft de staatssecretaris het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, de aanvraag in behandeling genomen en deze afgewezen omdat eiseres al in bezit is van een natuurvergunning.
Toetsingskader
4. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een natuurvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een natuurvergunning is ingediend op 4 december 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wet natuurbescherming, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Procesbelang
5. De rechtbank stelt zich – ambtshalve – voor de vraag of eiseres een procesbelang heeft bij inhoudelijke beoordeling van haar beroep.
5.1.
Procesbelang is het belang dat iemand heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat diegene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft degene die opkomt tegen een besluit procesbelang bij een beoordeling van zijn bezwaar of (hoger) beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. Daarbij geldt dat het doel dat de indiener voor ogen staat met het ingestelde rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis is. Met andere woorden, de indiener dient een actueel en reëel belang te hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Als dat belang is niet (meer) aanwezig is, is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan. [1]
5.2.
Eiseres is reeds in bezit van een natuurvergunning voor het vissen op ensis met haar vaartuig binnen de Natura 2000-gebieden Noordzeekustzone, Voordelta, Vlakte aan de Raad en Westerschelde & Saeftinge voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2029. Deze natuurvergunning is met het besluit van 23 april 2024 afgegeven voor het vissen met het [vaartuig 1] . In de onderliggende passende beoordeling is vermeld dat voor het vissen met [vaartuig 1] twee visvergunningen zijn verleend.
Op zitting heeft eiseres toegelicht dat met haar vaartuig met maximaal twee viskorren kan worden gevist. Eiseres vist echter sinds 2020 met maximaal één viskor – en maakt daarmee sindsdien dus gebruik van één visvergunning – omdat het gebruik van twee viskorren op het vaartuig zou leiden tot een hoger brandstofgebruik.
5.3.
Voor de ensisvisserij in de Nederlandse wateren wordt een beperkt aantal visvergunningen verleend door de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. De visvergunningen worden door een beperkt aantal vaartuigen gebruikt. Per vaartuig en visvergunning mag er met één viskor worden gevist tenzij er twee vergunningen op het vaartuig geregistreerd staan. Dit is alleen het geval bij het [vaartuig 1] .
Eiseres is in het bezit van drie visvergunningen, met de documentnummers [documentnummer 1] , [documentnummer 2] en [documentnummer 3] . Van de visvergunning met documentnummer [documentnummer 2] maakt eiseres sinds 2016 geen gebruik meer. Eiseres heeft de aanvraag voor een natuurvergunning ingediend voor de uitoefening van de enisvisserij op basis van het derde aan haar vaartuig gekoppelde visdocument [documentnummer 2] . Eiseres is van mening dat zij hiervoor geen natuurvergunning nodig heeft omdat zij sinds 1994 hiervoor een visvergunning heeft. Zij wil hierover uitsluitsel van de staatssecretaris. In de aanvraag is uitdrukkelijk vermeld dat het gaat om de uitoefening van de ensisvisserij met het [vaartuig 1] .
5.4.
Niet valt uit te sluiten dat eiseres wil gaan vissen met [vaartuig 1] met de derde visvergunning in plaats van één van de andere twee verleende visvergunningen. Hierin ziet de rechtbank een procesbelang bij de inhoudelijke beoordeling van haar beroep. In dit verband neemt de rechtbank in aanmerking dat de natuurvergunning van 23 april 2024 is gekoppeld aan een vaartuig en niet aan een visvergunning. In paragraaf 3.2 van de passende beoordeling die ten grondslag heeft gelegen aan de natuurvergunning van 23 april 2024 wordt ook geen koppeling gelegd met een concrete visvergunning maar wordt wel vermeld dat [vaartuig 2] twee visvergunningen heeft. Eiseres heeft aangegeven dat de natuurvergunning van 23 april 2024 ziet op het vissen met twee andere visvergunningen.
Weigering natuurvergunning
6. Eiseres heeft betoogd dat de staatssecretaris ten onrechte de natuurvergunning heeft geweigerd op de grond dat eiseres al in bezit is van een natuurvergunning. De afgegeven natuurvergunning ziet op de visvergunningen met documentnummer [documentnummer 3] en [documentnummer 1] . Daarnaast is eiseres in bezit van een bestaand recht. De visvergunning met documentnummer [documentnummer 2] heeft zij al sinds 1994 in haar bezit en geldt als een publiekrechtelijke toestemming voor onbepaalde tijd om te vissen op ensis. De visvergunning is telkens voor aansluitende perioden verleend, dan wel verlengd. Vissen op ensis heeft daarmee doorlopend plaatsgevonden. Voor de activiteit is dus geen natuurvergunning vereist. Eiseres verwijst daarbij onder meer naar het arrest [naam] [2] . Ten slotte heeft de staatssecretaris ten onrechte verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024 [3] . De aanvraag en het bestreden besluit dateren namelijk van voor die uitspraak. Op zitting heeft eiseres aangegeven niet uit te sluiten dat zij de visvergunning met documentnummer [documentnummer 2] in de toekomst wil overdragen of wil gaan gebruiken met een ander vaartuig.
6.1.
De staatssecretaris heeft gesteld dat uit de aanvraag voor de eerder verleende natuurvergunning voldoende blijkt dat voor de activiteit een natuurvergunning is vereist. Verder kan het beroep van eiseres niet slagen, gelet op de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024.
6.2.
De staatssecretaris heeft in het bestreden besluit terecht onderbouwd dat eiseres al in bezit is van een natuurvergunning voor het vissen op ensis met onderhavig vaartuig in de Natura 2000-gebieden in de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2029. Ten tijde van het bestreden besluit was er dus geen sprake van een verbod op het vissen van ensis door [vaartuig 1] met één viskor dan wel twee viskorren en kon de staatssecretaris de aanvraag om die reden weigeren.
6.3.
Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat sprake is van een bestaand recht en enkel om die reden de aanvraag geweigerd had moeten worden, kan deze beroepsgrond niet slagen.
6.4.
Uit de vaste rechtspraak volgt namelijk dat projecten waarvoor toestemming is verleend voordat artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn van toepassing werd voor een Natura 2000-gebied, na die datum niet alsnog toestemming behoeven op grond van dat artikel, zolang sprake is van een voortzetting van één-en-hetzelfde project. [4] De voortzetting van een activiteit kan worden aangemerkt als een nieuw of afzonderlijk project, indien er tussen de vergunde activiteit en de voortgezette activiteit, met name gelet op de aard van deze activiteiten alsook op de plaats waar en de voorwaarden waaronder zij worden uitgevoerd, geen continuïteit en identiteit bestaat. In onderhavig geval is geen sprake van een voortzetting van één-en-hetzelfde project. Eiseres maakt sinds 2016 al geen gebruik meer van de visvergunning met documentnummer [documentnummer 2] . In zoverre is geen sprake van continuïteit. Eiseres heeft op zitting aangegeven dat de visvergunning [documentnummer 2] mogelijk gebruikt kan worden op een ander vaartuig en het gebruik van de visvergunning al lange tijd is onderbroken. Indien eiseres de visvergunning opnieuw in gebruik zou nemen bij een ander vaartuig, dan is daarmee sprake van een nieuw project omdat geen sprake is van een voortzetting van de activiteiten met dezelfde continuïteit en identiteit en is alleen al om die reden een natuurvergunning vereist. Uit de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024 volgt dat dan sprake is van een nieuw project waarvoor een natuurvergunning is vereist en de referentiesituatie niet (langer) betrokken mag worden bij de vraag of significante gevolgen van een project op voorhand zijn uitgesloten. De referentiesituatie kan slechts onder voorwaarden als mitigerende maatregel worden betrokken bij de, in dat verband noodzakelijke, vergunningverlening. In tegenstelling tot wat eiseres heeft gesteld, volgt uit die uitspraken dat de wijziging van de rechtspraak direct van toepassing is in lopende natuurvergunningprocedures en dient de rechtbank het beroep te beoordelen met inachtneming van de uitspraken.
6.5.
Gelet op voorgaande heeft de minister in redelijkheid de aanvraag kunnen weigeren.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de staatssecretaris de aanvraag voor de natuurvergunning in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzitter, en mr. A.M.L.E. Ides Peeters en mr. M.J.H.M. Verhoeven, leden, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 12 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet natuurbescherming (Wnb)
Artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
Artikel 2.8, eerste lid, van de Wnb
Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.

Voetnoten

1.Zie ter vergelijking de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4404.
2.Hof van Justitie van de Europese Unie 14 januari 2010, ECLI:EU:C:2010:10.
3.Afdeling 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923 en ECLI:NL:RVS:2024:4909.
4.Afdeling 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:615, HvJ 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882 en HvJ 29 juli 2019, ECLI:EU:C:2019:622.