ECLI:NL:RBZWB:2026:379
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdig beslissen op Woo-aanvraag, doorzending bezwaar
Eiser diende een aanvraag in bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena op grond van de Wet open overheid (Woo). Het college ontving de aanvraag op 12 maart 2025 en diende binnen vier weken te beslissen. Het college probeerde de beslistermijn te verlengen, maar stuurde de benodigde mededelingen naar een foutief mailadres, waardoor de opschorting en verlenging niet rechtsgeldig waren. De beslistermijn verstreek derhalve op 9 april 2025.
Eiser stuurde op 22 april 2025 een ingebrekestelling en diende op 7 mei 2025 een beroepschrift in wegens het niet tijdig beslissen. Het college nam op 6 mei 2025 een besluit, maar stuurde dit per abuis naar een verkeerd mailadres. Pas op 10 juni 2025 werd het besluit via het correcte mailadres aan eiser bekendgemaakt. Omdat het beroepschrift werd ingediend voordat het besluit correct bekend was, werd het beroep geacht te zijn gericht tegen het besluit van 10 juni 2025 en was het beroep ontvankelijk.
De rechtbank oordeelde dat eiser geen belang meer had bij een inhoudelijke beoordeling van het niet tijdig beslissen, omdat het besluit inmiddels genomen was. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk. Eiser wenste het beroep te handhaven en diende op 4 augustus 2025 inhoudelijke gronden in. De rechtbank verwees het beroep tegen het besluit van 6 mei 2025 naar het college ter behandeling als bezwaar en zond de stukken niet opnieuw toe, maar bracht eiser hiervan op de hoogte.
Ten slotte bepaalde de rechtbank dat het college het griffierecht van €194 aan eiser moest vergoeden, omdat het beroep niet ten onrechte was ingesteld. Er werden geen andere proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit is doorgezonden als bezwaar.