ECLI:NL:RBZWB:2026:379

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
BRE 25/2552
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WooArt. 4.4 WooArt. 6:12 AwbArt. 6:15 AwbArt. 6:20 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdig beslissen op Woo-aanvraag, doorzending bezwaar

Eiser diende een aanvraag in bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena op grond van de Wet open overheid (Woo). Het college ontving de aanvraag op 12 maart 2025 en diende binnen vier weken te beslissen. Het college probeerde de beslistermijn te verlengen, maar stuurde de benodigde mededelingen naar een foutief mailadres, waardoor de opschorting en verlenging niet rechtsgeldig waren. De beslistermijn verstreek derhalve op 9 april 2025.

Eiser stuurde op 22 april 2025 een ingebrekestelling en diende op 7 mei 2025 een beroepschrift in wegens het niet tijdig beslissen. Het college nam op 6 mei 2025 een besluit, maar stuurde dit per abuis naar een verkeerd mailadres. Pas op 10 juni 2025 werd het besluit via het correcte mailadres aan eiser bekendgemaakt. Omdat het beroepschrift werd ingediend voordat het besluit correct bekend was, werd het beroep geacht te zijn gericht tegen het besluit van 10 juni 2025 en was het beroep ontvankelijk.

De rechtbank oordeelde dat eiser geen belang meer had bij een inhoudelijke beoordeling van het niet tijdig beslissen, omdat het besluit inmiddels genomen was. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk. Eiser wenste het beroep te handhaven en diende op 4 augustus 2025 inhoudelijke gronden in. De rechtbank verwees het beroep tegen het besluit van 6 mei 2025 naar het college ter behandeling als bezwaar en zond de stukken niet opnieuw toe, maar bracht eiser hiervan op de hoogte.

Ten slotte bepaalde de rechtbank dat het college het griffierecht van €194 aan eiser moest vergoeden, omdat het beroep niet ten onrechte was ingesteld. Er werden geen andere proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit is doorgezonden als bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2552

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag als bedoeld in artikel 4.1 van de Wet open overheid (Woo).
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk?
3. Het college heeft de aanvraag van eiser op 12 maart 2025 ontvangen. Het college moet binnen vier weken beslissen op de aanvraag. [2] Het college heeft de beslistermijn willen opschorten en verlengen, maar doordat het college de brieven naar een foutief mailadres heeft verzonden heeft eiser deze brieven niet ontvangen. Omdat een opschorting en verlenging van de termijn (gemotiveerd) moeten worden medegedeeld aan eiser, is de beslistermijn niet correct opgeschort en verlengd. [3] Dit betekent dat de beslistermijn is verstreken op 9 april 2025. Het college heeft op 22 april 2025 van eiser een ingebrekestelling ontvangen. Vervolgens heeft eiser op 7 mei 2025 een beroepschrift ingediend bij de rechtbank, omdat hij nog geen besluit had ontvangen.
3.1.
Het college heeft op 6 mei 2025 een besluit genomen op de aanvraag van eiser en het besluit op 13 mei 2025 naar eiser gemaild. Nadat het college via de rechtbank heeft vernomen dat eiser een beroepschrift niet tijdig beslissen heeft ingediend, is het college erachter gekomen dat de correspondentie en het besluit per abuis naar een verkeerd mailadres is verzonden. Op 10 juni 2025 heeft het college het besluit via het correcte mailadres aan eiser bekendgemaakt. Omdat eiser zijn beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen heeft ingediend voordat het college het besluit correct aan eiser bekend heeft gemaakt, heeft eiser rechtsgeldig beroep ingesteld. Het beroep wordt immers geacht te zijn gericht tegen het besluit van 10 juni 2025. Eiser wenste zijn beroep te handhaven.
3.2.
Niet gebleken is dat eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het niet tijdig nemen van een besluit door het college. Het besluit is immers genomen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Doorzending
4. Eiser heeft kenbaar gemaakt het beroep te willen doorzetten en heeft op 4 augustus 2025 inhoudelijke gronden ingediend.
4.1.
Gelet op de aard van het geschil ziet de rechtbank aanleiding het beroep voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit te verwijzen naar het college ter behandeling als bezwaar. [4]
4.2.
Dit betekent dat de rechtbank het beroepschrift en de nader ingediende stukken ingevolge artikel 6:15 van Pro de Awb als bezwaarschrift zal doorzenden aan het bestuursorgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. Nu deze stukken al in het bezit zijn van het college zal de rechtbank de stukken niet opnieuw toezenden en volstaan met deze mededeling.
Proceskosten
5. Omdat eiser het beroep niet ten onrechte heeft ingesteld, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verwijst het beroep tegen het besluit van 6 mei 2025 naar het college ter behandeling als bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 22 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Woo.
3.Dit staat in artikel 4.4, tweede en derde lid, van de Woo.
4.Dit staat in artikel 6:20, vierde lid, van de Awb.