Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3782

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
BRE 23/11880
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 8 Wet BPMArt. 27h lid 3 AWRArt. 28 lid 7 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag BPM wegens te hoge waardering en toekenning immateriële schadevergoeding

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van €11.034 opgelegd door de inspecteur. De rechtbank oordeelt dat de aanslag terecht is, maar dat het bedrag te hoog is vastgesteld vanwege een te hoge waardering van de auto en een onjuiste toepassing van de waardevermindering wegens schade.

De rechtbank stelt vast dat de extra leeftijdskorting van toepassing is en dat de waardering van de auto moet worden gebaseerd op de koerslijst van Eurotax zonder correctie voor dealer- en marktsituatie. De schade aan de auto is onvoldoende aannemelijk gemaakt door belanghebbende, mede gelet op de RDW-keuring en de kilometerstanden.

De naheffingsaanslag wordt daarom verminderd tot €9.850. Daarnaast is de redelijke termijn voor de afhandeling van het bezwaar met 17 maanden overschreden, waardoor belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van in totaal €1.500, waarvan €441 voor rekening van de inspecteur en €1.059 voor rekening van de Staat.

De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar, veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten, en bepaalt dat belanghebbende een proceskostenvergoeding van €1.600 ontvangt. De uitspraak is gedaan door rechter J.A. den Braber-Riemens en griffier R.J.M. de Fouw.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot €9.850 en belanghebbende ontvangt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11880

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 11.034 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag is wel terecht maar naar een te hoog bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 5 oktober 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Audi A6 Avant RS6 TFSI quattro met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 18.463.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 29.497 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.

Overwegingen

4. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende erop mocht vertrouwen dat geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. Verder is in geschil welke afschrijvingsmethode kan worden toegepast en of een waardevermindering wegens schade in aanmerking moet worden genomen.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de extra leeftijdskorting van toepassing is.
Vertrouwensbeginsel
4.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, gelet op het tijdsverloop van ruim een jaar tussen de controle bij DRZ en het opleggen van de naheffingsaanslag, de inspecteur het vertrouwen heeft gewekt dat de door belanghebbende aangegeven Bpm juist was en dat daarop niet meer zou worden teruggekomen.
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat de bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag deze termijn niet overschreden. Gesteld noch gebleken is dat beleid bestaat dat de inspecteur ertoe dwingt binnen een bepaalde periode na de schouw door DRZ de naheffingsaanslag op te leggen.
4.4.
Belanghebbende heeft onvoldoende aangedragen voor de stelling dat zij uit uitlatingen van DRZ of de inspecteur na de schouw heeft mogen afleiden dat geen naheffingsaanslag zou volgen. Het enkele tijdsverloop rechtvaardigt niet de conclusie dat belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. De redenen die belanghebbende heeft genoemd waarom het voor haar van groot belang zou zijn dat er zekerheid bestaat met betrekking tot de vraag of er al dan niet een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, maken dit niet anders. In het geval belanghebbende hierover zekerheid zou willen krijgen, had zij in contact kunnen treden met de inspecteur. Van een schending van het vertrouwensbeginsel is daarom geen sprake.
Afschrijvingsmethode
4.5.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport. [1]
Is sprake van meer dan normale gebruiksschade?
4.6.
De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 42.121 en daarvan 75% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. De hertaxateur van DRZ heeft ook schade in aanmerking genomen, ter grootte van € 26.706 en daarvan 72% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag het standpunt ingenomen dat het schadebedrag moet worden bijgesteld naar € 2.337,21 en dat daarvan 72% als waardevermindering in aanmerking kan worden genomen. De rechtbank stelt vast dat beide partijen uitgaan van een waardevermindering wegens schade en is daarom van oordeel dat de afschrijving voor de auto in het onderhavige geval kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade.
Handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat
4.7.
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat moet worden uitgegaan van de koerslijst van Eurotax zoals gehanteerd door DRZ, maar dat daarbij rekening moet worden gehouden met de correctie dealer- en marktsituatie van 15%. De inspecteur heeft deze stelling betwist.
4.8.
De rechtbank stelt vast dat de koerslijsten van Eurotax met ingang van 4 oktober 2021 niet langer de mogelijkheid bieden om bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde van een in Nederland geregistreerd gebruikt motorvoertuig rekening te houden met de correctie dealer- en marktsituatie. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende op 5 oktober 2021 aangifte heeft gedaan voor de auto. Belanghebbende heeft bovendien geen onderbouwing gegeven waarom in dit geval sprake zou moeten zijn van een correctie wegens markt- en dealersituatie, zodat deze correcties niet kunnen worden toegepast. Gelet daarop slaagt het standpunt van belanghebbende niet. Naar het oordeel van de rechtbank moet de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat daarom worden vastgesteld op € 125.056.
Schade
4.9.
Met betrekking tot de hoogte van de waardevermindering wegens schade overweegt de rechtbank als volgt.
4.10.
Belanghebbende heeft de auto op 8 september 2021 gekocht voor een bedrag van € 96.500 (exclusief Btw en Bpm). Op de inkoopfactuur staat een kilometerstand vermeld van 9.500. De taxateur van belanghebbende heeft de auto op 27 september 2021 om 10.00 uur getaxeerd. De kilometerstand bedroeg op dat moment volgens het taxatierapport 9.498. Op de foto’s die bij het taxatierapport zijn gevoegd is in ieder geval te zien dat de voorbumper van de auto ontbreekt.
4.11.
De RDW heeft de auto gekeurd op 1 oktober 2021 om 8:01 uur. Volgens het Voertuigbeeld RDW dat tot de stukken behoort was de kilometerstand ten tijde van de keuring 9.558. De auto heeft geen WOK-status gekregen en in de e-mail van 7 oktober 2022 van de RDW aan de inspecteur staat vermeld dat er bij de keuring geen schade is geconstateerd. Bij die e-mail zijn vier foto’s gevoegd van de auto waarop geen schade zichtbaar is.
4.12.
Belanghebbende heeft vervolgens op 5 oktober 2021 aangifte gedaan waarin hij een aanzienlijk bedrag aan schade heeft opgenomen (zie hiervoor onder 4.6).
4.13.
DRZ heeft op 14 oktober 2021 een hertaxatie verricht. In het rapport van hertaxatie is een kilometerstand opgenomen van 9.600. De hertaxateur heeft een aanzienlijk bedrag aan schade geconstateerd (zie 4.6) en ook op de foto’s die bij het rapport van hertaxatie zijn gevoegd is te zien dat de auto flinke schade heeft en dat de voorbumper ontbreekt. In het rapport is vermeld dat de auto op een aanhanger is binnengebracht.
4.14.
De rechtbank stelt aan de hand van voormelde stukken in het dossier vast dat het taxatierapport van belanghebbende een geheel ander beeld van de staat van de auto weergeeft dan tijdens de keuring door de RDW. DRZ heeft weliswaar ook een aanzienlijk bedrag aan schade geconstateerd maar deze hertaxatie was pas twee weken later. Het komt de rechtbank niet logisch voor dat de RDW de auto zou hebben goedgekeurd als deze in de staat zou hebben verkeerd zoals is geschetst bij het doen van de aangifte, zoals de inspecteur terecht heeft gesteld. Belanghebbende heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist. Ook gelet op de inkoopfactuur is het niet aannemelijk dat de auto deze omvang aan schade had op het moment van het doen van aangifte. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat gelet op de kilometerstanden er ook met de auto is gereden voordat deze bij DRZ met gedemonteerde onderdelen op een aanhanger werd binnengebracht. De rechtbank is daarom van oordeel dat belanghebbende de door haar bepleite schade niet aannemelijk heeft gemaakt en dat de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag de waardevermindering terecht naar beneden heeft bijgesteld. De overige stellingen van de inspecteur met betrekking tot het taxatierapport van belanghebbende hoeven dan geen behandeling meer.
Handelsinkoopwaarde in beschadigde staat
4.15.
Gelet op het vorenoverwogene stelt de rechtbank de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vast op € 123.373. De rechtbank gaat daarbij uit van de koerslijst van Eurotax waaruit een handelsinkoopwaarde volgt van € 125.056, verminderd met € 1.683 wegens schade zoals de inspecteur reeds in aanmerking had genomen bij het opleggen van de naheffingsaanslag.
Hoogte naheffingsaanslag
4.16.
Voorgaande leidt tot de conclusie dat de inspecteur de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd, met dien verstande dat deze wel nog moet worden verminderd met de extra leeftijdskorting. De rechtbank berekent deze op € 1.184 zodat de naheffingsaanslag moet worden verminderd naar € 9.850.
Immateriële schadevergoeding
4.17.
Belanghebbende heeft in haar beroepschrift van 11 december 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.18.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 29 december 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 4 mei 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 17 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
4.19.
Omdat de bezwaarfase afgerond 11 maanden heeft geduurd en daarmee 5 maanden te lang, komt € 441 (5/17e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.059) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten.
5.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De rechtbank ziet aanleiding om de proceskostenvergoeding te matigen op grond van artikel 2, tweede lid, van het Besluit, omdat belanghebbende gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld en het punt waarop belanghebbende in het gelijk wordt gesteld licht van gewicht is. [2] De rechtbank stelt de vergoeding vast met toepassing van een wegingsfactor van 0,5. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.600.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 9.850;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 441;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.059;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.600 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.
griffier
rechter
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [3]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 10, lid 8, van de Wet Bpm
2.Hoge Raad 20 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:283.
3.Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.