Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3769

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
BRE 25/3645
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:5 AwbArt. 8:54 AwbArt. 30 IWArt. 49 IWArt. 62a IW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart beroep niet-ontvankelijk en onbevoegd inzake uitstel betaling en dwangbevelkosten

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een beslissing van de Belastingdienst over uitstel van betaling en kwijtschelding. De rechtbank oordeelt dat tegen dergelijke besluiten geen beroep openstaat bij de belastingrechter, omdat deze besluiten zijn gebaseerd op de Invorderingswet 1990 die in de bijlage van de Awb is opgenomen.

Daarnaast heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de kosten van een dwangbevel. De rechtbank stelt dat tegen een dwangbevel geen beroep mogelijk is bij de belastingrechter, maar dat dit een civiele kwestie betreft die aan de civiele rechter moet worden voorgelegd. Voor zover het beroep zich richt op de kosten van het dwangbevel, is het beroep niet-ontvankelijk omdat het prematuur is; er moet eerst bezwaar worden gemaakt bij de ontvanger, wat inmiddels is gebeurd en waartegen een aparte procedure loopt.

De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd voor het merendeel van het beroep en niet-ontvankelijk voor het deel over de dwangbevelkosten. Het betaalde griffierecht wordt aan belanghebbende terugbetaald. De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro.

Uitkomst: Beroep niet-ontvankelijk voor dwangbevelkosten en rechtbank onbevoegd voor overige beroepsgronden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/3645

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende ontvangen op 26 juli 2025.
1.1.
Belanghebbende heeft twee keer hetzelfde beroepschrift ingediend. De rechtbank heeft in eerste instantie twee zaaknummers aangemaakt: BRE 25/3645 en 25/3646. Belanghebbende heeft het griffierecht betaald onder zaaknummer BRE 25/3646. Deze zaak is vervolgens aangemerkt als ten onrechte ingeschreven. Het beroep wordt verder behandeld onder zaaknummer BRE 25/3645.
1.2.
De rechtbank verklaart zich kennelijk onbevoegd. Daarom doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Beoordeling door de rechtbank

2. Belanghebbende vermeld in het beroepschrift dat hij het niet eens is met de beslissing van 2 juli 2025 van de directeur van de Belastingdienst met [kenmerk] . Deze beslissing ziet op een verzoek om uitstel van betaling en kwijtschelding. Tegen beslissingen over uitstel van betaling en kwijtschelding is geen beroep bij de belastingrechter mogelijk. Dit volgt uit artikel 8:5, eerste lid van de Awb dat bepaalt dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage die bij de Awb behoort. In die bijlage wordt de Invorderingswet 1990 genoemd. [1] Dit betekent dat ook geen beroep bij de bestuursrechter mogelijk is.
2.1.
In een aanvullend schrijven, ontvangen bij de rechtbank op 2 september 2025, heeft belanghebbende te kennen gegeven dat hij het niet eens is met opgelegde dwangbevelen. De rechtbank overweegt dat tegen een dwangbevel geen beroep open staat bij de belastingrechter. Dit zijn civiele kwesties die aan de civiele rechter moeten worden voorgelegd. De rechtbank heeft het beroepschrift niet doorgestuurd naar de bevoegde rechter. Voor een procedure bij de civiele rechter is, in een aantal gevallen, vertegenwoordiging door een advocaat verplicht.
2.2.
Voor zover het beroep zich richt tegen de kosten van het dwangbevel, is de belastingrechter weliswaar bevoegd, maar dient eerst bezwaar te worden gemaakt bij de ontvanger. De ontvanger heeft het beroep ambtshalve opgevat als een bezwaar en op 24 november 2025 uitspraak op bezwaar gedaan. Daartegen loopt inmiddels een andere beroepsprocedure, die de rechtbank apart behandelt. Nu het beroep van 26 juli 2025 is ingediend voordat uitspraak op bezwaar is gedaan, is het beroep prematuur en om die reden niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

3. De belastingrechter is dus niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep. Belanghebbende krijgt om die reden het griffierecht terug. Voor zover het beroep zich richt tegen de kosten van het dwangbevel is het beroep niet-ontvankelijk.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover het beroep ziet op de kosten van het dwangbevel;
  • verklaart zich voor het overige onbevoegd;
  • draagt de griffier op het door belanghebbende betaalde griffierecht onder zaaknummer BRE 25/3646 van € 53,- aan hem te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 4 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met uitzondering van de artikelen 30, 49 en 62a IW.