Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3758

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
BRE 25/474
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.7 Wet IB 2001Art. 1.2 Wet IB 2001Art. 8.8 Wet IB 2001Art. 8.9 Wet IB 2001Artikel 23 Verdrag Nederland-België
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op uitbetaling algemene heffingskorting voor in België wonende belastingplichtige zonder Nederlands inkomen

Belanghebbende, woonachtig in België, had over 2022 geen in Nederland belastbaar inkomen en diende een aangifte inkomstenbelasting in met een belastbaar inkomen van nihil. De inspecteur legde een aanslag op nihil op en weigerde uitbetaling van de algemene heffingskorting. Belanghebbende en haar echtgenoot, die wel inkomsten uit Nederland had, zijn niet aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen.

De rechtbank beoordeelde of op grond van het Unierecht een recht op uitbetaling van de heffingskorting bestaat. De rechtbank overwoog dat de heffingskorting een tegemoetkoming is die rekening houdt met de persoonlijke en gezinssituatie. Uit de Schumacker-rechtspraak volgt dat een lidstaat niet discrimineert door dergelijke voordelen alleen aan ingezetenen te verlenen, tenzij de niet-ingezetene geen relevante inkomsten in de woonstaat heeft en daardoor geen tegemoetkomingen kan krijgen.

In deze zaak heeft belanghebbende in België een belastbaar inkomen en betaalt zij samen met haar echtgenoot federale personenbelasting. De rechtbank concludeerde dat België voldoende rekening houdt met hun persoonlijke en gezinssituatie, zodat Nederland niet verplicht is de heffingskorting uit te betalen. De rechtbank zag geen reden om de zaak aan te houden in afwachting van prejudiciële vragen over artikel 45 VWEU Pro.

Het beroep werd ongegrond verklaard, de aanslag en uitspraak op bezwaar blijven in stand en belanghebbende krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de weigering tot uitbetaling van de algemene heffingskorting wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/474

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] (België), belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 december 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting (IB) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil (de aanslag).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, mr. Y.C. Andela en mr. R. van de Wetering.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op uitbetaling van de algemene heffingskorting. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende geen recht op uitbetaling van de algemene heffingskorting
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende woonde geheel 2022 in België samen met haar echtgenoot.
3.1.
Belanghebbende ontving in 2022 geen inkomsten uit Nederland en was noch belastingplichtig, noch premieplichtig in Nederland.
3.2.
De echtgenoot ontving in 2022 inkomsten uit Nederland van in totaal € 105.848. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
Loon
€ 47.920
Pensioenuitkering
€ 46.514
AOW-uitkering
€ 11.414
3.3.
Belanghebbende heeft middels een C-biljet voor een buitenlandse belastingplichtige aangifte IB 2022 gedaan naar een bedrag van nihil.
3.4.
De inspecteur heeft de aanslag IB 2022 aan belanghebbende opgelegd naar een bedrag van nihil. Belanghebbende is niet aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige.
3.5.
De inspecteur heeft aan de echtgenoot een aanslag IB/PVV 2022 opgelegd naar een verzamelinkomen van € 94.434, bestaande uit loon en een pensioenuitkering. De echtgenoot is niet aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige.
3.6.
Belanghebbende en de echtgenoot hebben inkomensverklaringen verstrekt. Uit de inkomensverklaring van belanghebbende volgt dat zij een bedrag van in totaal € 27 aan niet in Nederland belastbaar inkomen heeft ontvangen in 2022. In de inkomensverklaring van de echtgenoot staat de AOW-uitkering van € 11.414 vermeld, welke niet in Nederland belastbaar is.
3.7.
Belanghebbende heeft de Belgische belastingaanslag overgelegd. Uit deze belastingaanslag volgt dat belanghebbende in België, na toepassing van de huwelijksquotiënt op basis waarvan een bedrag van € 11.450 van het inkomen van de echtgenoot aan belanghebbende wordt toegerekend, een belastbaar inkomen heeft van € 10.916,15. Belanghebbende en haar echtgenoot zijn gezamenlijk € 2.423,20 aan federale personenbelasting verschuldigd.

Motivering

4. Op grond van artikel 8.8 van de Wet IB 2001 bedraagt de gecombineerde heffingskorting maximaal het bedrag van de gecombineerde inkomensheffing. Artikel 8.9, eerste en tweede lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2022) bepalen echter dat de heffingskorting kan worden verhoogd:

1. Indien de gecombineerde heffingskorting door artikel 8.8 wordt beperkt tot een bedrag beneden het niveau van 6 2/3% van het totaal van de voor de belastingplichtige geldende algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting (toetsniveau) wordt, indien de belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden dezelfde partner heeft, de gecombineerde heffingskorting daarna verhoogd tot het toetsniveau. De verhoging bedraagt echter maximaal het bedrag van de door de partner verschuldigde gecombineerde inkomensheffing verminderd met zijn gecombineerde heffingskorting.
2. Ten aanzien van de belastingplichtige die geboren is vóór 1 januari 1963 wordt voor de bepaling van het toetsniveau de algemene heffingskorting voor 100% in aanmerking genomen.
4.1.
Partijen zijn het er terecht over eens dat belanghebbende en haar echtgenoot beide geen kwalificerend buitenlands belastingplichtigen zijn op basis van de nationale wet en belanghebbende dus in beginsel geen recht heeft op uitbetaling van de heffingskorting. [1] Verder zijn partijen het er terecht over eens dat ook de in het belastingverdrag tussen Nederland en België [2] opgenomen non-discriminatiebepaling [3] hier niet toe dwingt. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende op basis van het Unierecht recht heeft op uitbetaling van de heffingskorting.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat de uitbetaling van de algemene heffingskorting naar zijn aard een tegemoetkoming is die rekening houdt met de persoonlijk en gezinssituatie van de belastingplichtige.
4.3.
De rechtbank overweegt dat de nationale regels moeten worden uitgelegd met inachtneming van het Unierecht. Indien het Unierecht noopt tot een verdergaande tegemoetkoming dan de nationale regelgeving voorschrijft, dient aan het Unierecht voorrang te worden gegeven en het nationale recht buiten toepassing te blijven.
4.4.
Uit de Schumacker-rechtspraak volgt dat een lidstaat bepaalde (niet direct met een inkomensbron van die lidstaat samenhangende) belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke en gezinssituatie in beginsel wel aan haar ingezetenen mag verlenen zonder dat deze belastingvoordelen ook aan de niet-ingezetenen ter beschikking staan. Dat onderscheid is in de regel niet discriminerend. Dit is evenwel anders in een geval waarin de niet-ingezetene geen inkomsten van betekenis geniet in de woonstaat en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen verwerft in de andere lidstaat, met als gevolg dat de woonstaat hem niet de voordelen kan toekennen die voortvloeien uit het in aanmerking nemen van zijn persoonlijke en gezinssituatie. [4]
4.5.
Belanghebbende geniet zelf in het geheel geen inkomen dat is belast in Nederland, zodat de persoonlijke situatie van belanghebbende op zichzelf bezien geen reden is om een tegemoetkoming toe te kennen. De omstandigheid dat belanghebbende in België beperkte inkomsten geniet, is daarom als alleen naar de situatie van belanghebbende zelf wordt gekeken onvoldoende om Nederland te verplichten een tegemoetkoming te geven.
4.6.
De rechtbank neemt echter mee dat de regeling van uitbetaling van de algemene heffingskorting juist ziet op de situatie dat de persoon zelf geen of weinig inkomsten heeft waardoor de algemene heffingskorting niet (volledig) kan worden benut en zijn of haar partner wel voldoende inkomsten heeft. Het is daarom een tegemoetkoming die rekening houdt met de gezinssituatie. In dit geval is de situatie ook zo dat belanghebbende zelf geen inkomsten geniet in Nederland en beperkte inkomsten in België, terwijl de echtgenoot wel voldoende inkomsten geniet om de heffingskorting te effectueren. Mogelijk valt deze situatie daarom ook onder de Schumacker-rechtspraak, ondanks dat belanghebbende zelf geen inkomsten in Nederland heeft. De rechtbank zal daarom beoordelen of de woonstaat voldoende rekening kan houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende en de echtgenoot samen.
4.7.
Uit de Belgische belastingaanslag volgt dat belanghebbende in België na aftrek van persoonlijke tegemoetkomingen tezamen met haar echtgenoot € 2.423,20 aan federale personenbelasting moet betalen over het jaar 2022. Belanghebbende heeft bevestigd dat geen sprake is van een in België geldende tegemoetkoming die zij niet heeft verkregen. De rechtbank is van oordeel dat hier zich niet de situatie voordoet dat belanghebbende en de echtgenote in het woonland een zodanig gering inkomen genieten dat die staat hen niet de voordelen kan toekennen in verband met hun persoonlijke en gezinssituatie, zodat Nederland hiertoe niet is gehouden. Dit betekent dat Nederland niet in strijd met het Unierecht handelt door geen uitbetaling van de algemene heffingskorting toe te kennen. Dat in België een dergelijke uitbetaling niet kent, maar andere tegemoetkomingen verleent, maakt dat niet anders. Aan een vergelijking met de situatie dat belanghebbende en de echtgenoot in Nederland zouden wonen, komt de rechtbank niet toe.
4.8.
De rechtbank overweegt tot slot dat door de Hoge Raad prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van artikel 45 VWEU Pro. Deze prejudiciële vragen zien op de situatie waarin een belastingplichtige in de woonstaat weliswaar inkomsten van betekenis heeft genoten die aldaar met inachtneming van de bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag mogen worden belast, maar deze inkomsten in absolute zin onvoldoende zijn om de in deze woonstaat geldende tegemoetkomingen volledig te kunnen benutten. De rechtbank acht deze situatie niet aan de orde, nu belanghebbende en de echtgenoot in België belasting zijn verschuldigd en België volledig rekening heeft kunnen houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende en de echtgenoot. De rechtbank ziet daarom geen reden de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van deze prejudiciële vragen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar en de aanslag in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Gelet op artikel 2.7, eerste lid, en artikel 1.2, vierde lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet IB 2001.
2.Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (het verdrag).
3.Artikel 23 van Pro het verdrag.
4.HvJ EU 9 februari 2017, X, ECLI:EU:C:2017:102, punt 33.